Lenin. Over het zelfbeschikkingsrecht der naties (4)

Het boek van Lenin over het recht der naties op zelfbeschikking begon met enkele kritische beschouwingen over het nationale vraagstuk. In het tweede deel van het boek wordt ingegaan op de eis van het recht op zelfbeschikking. Wat wordt daarmee bedoeld? En hoe wordt het ingevuld?

VI Lenin

Over het recht der naties op zelfbeschikking

Paragraaf 9 van het programma der Russische marxisten, die over het recht der naties op zelfbeschikking handelt, heeft (zoals wij in de ‘prosvesjtsjenië’ reeds aantoonden) de laatste tijd een ware veldtocht van de opportunisten teweeggebracht. Zowel de Russische liquidator Semkovski in de Petersburgse liquidatorenkrant, als de boendist Libman en de Oekraïense sociaal-nationalist Joerkevitsj hebben deze paragraaf in hun organen heftig aangevallen en met vertoon van de grootste geringschatting behandeld. Ongetwijfeld staat deze ‘veldtocht der twaalf talen’ van het opportunisme tegen ons marxistische programma in nauw verband met de tegenwoordige nationalistische dwalingen in het algemeen. Daarom lijkt ons een grondig onderzoek van het aangesneden vraagstuk op zijn plaats. Wij willen alleen nog opmerken dat geen van de genoemde opportunisten ook maar één enkel van hen zelf afkomstig argument heeft aangevoerd: zij herhalen allen slechts hetgeen Rosa Luxemburg in haar lange Poolse artikel ‘Het nationale vraagstuk en de autonomie’ uit omstreeks 1908/1909 uiteen heeft gezet. Wij zullen ons dan ook in onze uiteenzettingen hoofdzakelijk met de ‘originele’ argumenten van deze schrijfster bezighouden.

1. Wat is zelfbeschikking der naties?

Het spreekt vanzelf dat men deze vraag allereerst moet stellen indien men een poging wil doen de zogenaamde zelfbeschikking marxistisch te onderzoeken. Hoe moet men dit begrip verstaan? Moet men het antwoord in juridische definities (begripsbepalingen) zoeken, die uit allerlei ‘algemene rechtsbegrippen’ worden afgeleid? Of moet het antwoord door middel van een historisch-economische analyse van de nationale bewegingen worden gezocht?

Het is niet verwonderlijk dat de heren Semkovski, Libman en Joerkevitsj zelfs niet op de gedachte gekomen zijn deze vraag te stellen; ze trachten zich immers van de zaak af te maken door zich op een onnozele manier vrolijk te maken over de ‘onduidelijkheid’ van het marxistische programma en ze weten in hun eenvoud blijkbaar niet eens dat over de zelfbeschikking der naties niet alleen in het Russische programma van 1903 gesproken wordt, maar ook in het besluit van het Internationale Congres van 1896 te Londen (waarop ik te gelegener tijd nog uitvoerig zal terugkomen). Veel verwonderlijker is het, dat Rosa Luxemburg, die er zoveel drukte over maakt dat de desbetreffende paragraaf abstract en metafysisch zou zijn, zichzelf juist aan deze zonde schuldig maakt en in abstractie en metafysica vervalt. Juist Rosa Luxemburg verliest zich voortdurend in algemene beschouwingen over de zelfbeschikking (en filosofeert daarbij op een hoogst vermakelijke manier over de wijze waarop men de wil van de naties kan leren kennen), zonder zich ergens duidelijk en precies af te vragen waarop het nu eigenlijk aankomt, op juridische definities of op de ervaringen van de nationale bewegingen in de gehele wereld.

Het exact stellen van deze voor een marxist onvermijdelijke vraag zou terstond negen tiende van Rosa Luxemburgs argumenten tenietdoen. Nationale bewegingen ontstaan niet voor het eerst in Rusland en zijn ook niet specifiek Russisch. Het tijdperk van de definitieve overwinning van het kapitalisme op het feodalisme ging over de gehele wereld met nationale bewegingen gepaard. Aan deze bewegingen ligt de economische voorwaarde ten grondslag, dat voor de volledige overwinning van de warenproductie de verovering van de binnenlandse markt door de bourgeoisie, zowel als de staatkundige aaneensluiting van gebieden met een gelijktalige bevolking noodzakelijk is, terwijl tevens alles wat de ontwikkeling van de desbetreffende taal, alsook haar ontplooiing in de literatuur belemmert, uit de weg moet worden geruimd. De taal is het belangrijkste middel voor de omgang tussen de mensen; de eenheid van taal en haar onbelemmerde ontwikkeling behoren tot de belangrijkste voorwaarden voor een werkelijk vrije, grootscheepse, in overeenstemming met het moderne kapitalisme zijnde handel; voor een vrije en alomvattende groepering van de bevolking in afzonderlijke klassen en tenslotte een voorwaarde voor een nauw contact van de markt met alle ondernemers, ook de kleinsten, en met alle verkopers en kopers.

ledere nationale beweging heeft daarom de tendens (het streven) nationale staten te vormen die aan deze eisen van het moderne kapitalisme het beste beantwoorden. De fundamentele economische factoren dwingen hiertoe, en daarom is in heel West-Europa – ja zelfs in de hele beschaafde wereld – de nationale staat typerend, normaal voor het kapitalistische tijdperk.

Indien wij dus de betekenis van de zelfbeschikking der naties willen begrijpen zonder in gegoochel met juridische definities te vervallen, zonder abstracte begripsbepalingen ‘uit te broeden’, maar door de historische en economische voorwaarden van de nationale bewegingen te onderzoeken, dan komen wij onvermijdelijk tot de conclusie; onder zelfbeschikking der naties moet hun staatkundige afscheiding van vreemde nationale gemeenschappen en het vormen van een zelfstandige nationale staat worden verstaan.

Wij zullen hierna nog andere redenen leren kennen waarom het onjuist is onder het recht op zelfbeschikking iets anders te verstaan dan het recht als afzonderlijke staat te bestaan. Voor het ogenblik moeten wij blijven stilstaan bij de wijze waarop Rosa Luxemburg getracht heeft ‘zich af te maken’ van de onvermijdelijke gevolgtrekking, dat het streven naar de nationale staat diepgaande economische oorzaken heeft.

Rosa Luxemburg is zeer goed op de hoogte met Kautsky’s brochure ‘Nationaliteit en internationaliteit’ (bijlage van ‘Die Neue Zeit’ nr. 1, 1907/1908; Russische vertaling in het tijdschrift ‘Naoetsjnaja Mysl’, Riga 1908). Zij weet dat Kautsky, na in par. 4 van deze brochure het vraagstuk van de nationale staat grondig bestudeerd te hebben, tot de slotsom komt dat Otto Bauer ‘die kracht van het streven naar de oprichting van een nationale staat onderschat’ (blz. 23 van de geciteerde brochure). Rosa Luxemburg citeert zelf Kautsky’s woorden:

‘De nationale staat is een staatsvorm die het best beantwoordt aan de moderne’ (d.w.z. kapitalistische, beschaafde, economisch vooruitstrevende, in tegenstelling tot de middeleeuwse, voorkapitalistische enz.) ‘verhoudingen, een vorm, waarin de staat zijn taken het gemakkelijkst vervullen kan’ (d.w.z. de taken van de meest vrije, grootscheepse en snelle ontwikkeling van het kapitalisme)

. Hieraan moet Kautsky’s nog nauwkeurigere gevolgtrekking worden toegevoegd dat staten met een heterogene nationale samenstelling (z.g. nationaliteitenstaten, ter onderscheiding van nationale staten) ‘altijd staten zijn, ‘waarvan de organisatievorm om bepaalde redenen achterlijk of abnormaal is gebleven’. Het spreekt vanzelf dat Kautsky over. abnormaliteit uitsluitend spreekt in de zin van het niet in overeenstemming zijn met datgene, dat het beste is aangepast aan de behoeften van het zich ontwikkelende kapitalisme.

Hoe staat Rosa Luxemburg nu tegenover deze historisch-economische conclusies van Kautsky? Zijn deze conclusies juist of niet? Heeft Kautsky gelijk met zijn historisch-economische theorie of heeft Bauer gelijk, wiens theorie in wezen een psychologische is? Welk verband bestaat er tussen Bauers ontwijfelbare ‘nationale opportunisme’, zijn verdediging van de nationaal-culturele autonomie, zijn nationalistische neigingen (‘die van tijd tot tijd tot een versterking van het nationale moment leiden’, zoals Kautsky zich uitdrukt), zijn ‘geweldige overschatting van het nationale’ en ‘zijn volkomen veronachtzaming van het internationale moment’ (Kautsky) en zijn onderschatting van de kracht van het streven naar de vorming van een nationale staat?

Rosa Luxemburg heeft deze vraag zelfs niet gesteld. Zij heeft dit verband niet bemerkt. Zij heeft zich niet verdiept in het geheel van Bauers theoretische opvattingen. Zij heeft zelfs de historisch-economische en de psychologische theorie inzake het nationale vraagstuk niet tegenover elkaar gesteld. Zij heeft zich beperkt tot de volgende opmerkingen tegen Kautsky:

‘Deze "beste" nationale staat is niet meer dan een abstractie, die zich gemakkelijk theoretisch laat ontwikkelen en verdedigen, maar die niet aan de werkelijkheid beantwoordt’ (‘Przeglad Socjaldemokratyczny’, 1908, nr. 6, blz. 499)

En ter ondersteuning van deze stellige verklaring volgen beschouwingen over het feit, dat de ontwikkeling van de kapitalistische grote mogendheden en het imperialisme het ‘recht op zelfbeschikking’ der kleine volken tot een illusie maken. ‘Kan men soms’, roept Rosa Luxemburg uit, ‘in ernst spreken van de "zelfbeschikking" der formeel onafhankelijke Montenegrijnen, Bulgaren, Roemenen, Serviërs, Grieken, ten dele zelfs van de Zwitsers, wier onafhankelijkheid zelf het product is van de politieke strijd en het diplomatieke spel van het "Europese concert"?’! (Blz. 500). ‘Niet de nationale staat, zoals Kautsky meent, maar de roofstaat’ zou het best met deze verhoudingen overeenkomen. Dan worden enige tientallen cijfers aangehaald over de omvang van de aan Engeland, Frankrijk enz. toebehorende koloniën.

Bij het lezen van dergelijke beschouwingen verwondert men zich onwillekeurig over het talent van de schrijfster, niet te begrijpen wat bij elkaar hoort! Het is belachelijk en kinderlijk wijsneuzig, Kautsky er met een gewichtig air op te wijzen dat de kleine staten economisch afhankelijk zijn van de grote, dat de burgerlijke staten als rovers met elkaar vechten als het er om gaat andere naties te onderdrukken, dat er imperialisme en koloniën bestaan – want dit alles heeft met de zaak niets, maar dan ook niets te maken. Niet alleen kleine staten, maar bv. ook staten als Rusland zijn economisch geheel afhankelijk van de macht van het imperialistische financierkapitaal van de ‘rijke’ burgerlijke landen. Niet alleen de miniatuurstaten van de Balkan, maar ook de VS van Amerika waren in de 19e eeuw, economisch gesproken, nog steeds koloniën van Europa, waarop Marx reeds in ‘Het kapitaal’ heeft gewezen. Dit alles weet Kautsky, zoals trouwens iedere marxist, uitstekend, maar met het vraagstuk van de nationale bewegingen en de nationale staat heeft het absoluut niets te maken.

Rosa Luxemburg heeft het vraagstuk van de politieke zelfbeschikking der naties in de burgerlijke maatschappij – het vraagstuk van hun zelfstandigheid als staat – met dat van hun economische zelfstandigheid en onafhankelijkheid verwisseld. Net zo verstandig zou het zijn als iemand bij het stellen van de programma-eis dat het parlement, d.w.z. de vergadering van de volksvertegenwoordigers, het opperste gezag moet hebben in de burgerlijke maatschappij, begon met de uiteenzetting van zijn volkomen juiste overtuiging dat het grootkapitaal in een burgerlijk land, ongeacht de staatsorde daar, het opperste gezag zal uitoefenen.

Er bestaat geen twijfel aan dat het grootste deel van Azië, het sterkst bevolkte werelddeel, ofwel de status van koloniën van de ‘grote mogendheden’ heeft ofwel die van uiterst afhankelijke en nationaal onderdrukte staten. Wordt door deze algemeen bekende omstandigheid echter ook maar in het minst het onbetwistbare feit aangetast, dat in datzelfde Azië de voorwaarden voor de meest volledige ontplooiing van de warenproductie, voor de meest onbelemmerde, grootscheepse en snelle groei van het kapitalisme alleen in Japan zijn ontstaan, d.w.z. alleen in een zelfstandige nationale staat? Deze staat is een burgerlijke staat, die op grond daarvan zelf begon andere naties te onderdrukken en koloniën te knechten; wij weten niet of het Azië zal gelukken voor de ineenstorting van het kapitalisme een systeem op te bouwen van zelfstandige nationale staten, zoals Europa dit kent. Maar het blijft onbetwistbaar dat het kapitalisme, dat Azië heeft doen ontwaken, ook daar overal nationale bewegingen heeft doen ontstaan, dat de tendens van deze bewegingen het stichten van nationale staten in Azië is en dat juist zulke staten voor de ontwikkeling van het kapitalisme de gunstigste voorwaarden bieden. Het voorbeeld van Azië getuigt voor Kautsky, tegen Rosa Luxemburg.

Ook het voorbeeld van de Balkanstaten spreekt tegen haar, want ieder ziet tegenwoordig dat de gunstigste voorwaarden voor de ontwikkeling van het kapitalisme op de Balkan juist ontstaan, naarmate er op dit schiereiland zelfstandige nationale staten ontstaan.

Zowel het voorbeeld van de gehele vooraanstaande beschaafde mensheid, als het voorbeeld van de Balkan en dat van Azië bewijzen dus, in strijd met Rosa Luxemburg, de onvoorwaardelijke juistheid van Kautsky’s stelling dat de nationale staat onder het kapitalisme regel en ‘norm’ is, terwijl een nationaal-heterogene staat achterlijk of uitzondering is. Vanuit het gezichtspunt van de nationale verhoudingen biedt de nationale staat ongetwijfeld de gunstigste voorwaarden voor de ontwikkeling van het kapitalisme. Dit betekent natuurlijk niet dat zulk een op burgerlijke verhoudingen gegrondveste staat de uitbuiting en onderdrukking van naties zou kunnen uitsluiten. Het betekent slechts dat de marxisten de machtige economische factoren, die tot het streven naar de vorming van nationale staten leiden, niet buiten beschouwing kunnen laten. Het betekent dat de ‘zelfbeschikking van de naties’ in het programma van de marxisten vanuit historisch-economisch standpunt bezien geen andere betekenis kan hebben dan die van politieke zelfbeschikking, staatkundige zelfstandigheid en vorming van een nationale staat.

Welke voorwaarden van marxistisch, d.w.z. van proletarisch klassenstandpunt aan de ondersteuning van de burgerlijk-democratische eis ten aanzien van een ‘nationale staat’ verbonden dienen te worden, daarover zal verder in deze brochure uitvoerig gesproken worden. Voor het ogenblik beperken wij ons tot de definitie van het begrip ‘zelfbeschikking’, waarbij wij alleen nog willen opmerken dat Rosa Luxemburg de strekking van dit begrip (de ‘nationale staat’) kent, terwijl haar opportunistische medestanders, mensen als Libman, Semkovski en Joerkevitsj, zelfs dit begrip niet eens kennen!

2. De historisch concrete definitie van het vraagstuk

Bij het onderzoeken van ieder willekeurig sociaal vraagstuk eist de marxistische theorie onvoorwaardelijk dat dit vraagstuk in een bepaald historisch raam wordt gesteld en verder, als het om een bepaald land gaat (bv. over het nationale programma voor het desbetreffende land), dat rekening wordt gehouden met de concrete bijzonderheden die dit land, binnen het raam van hetzelfde historische tijdperk, van andere landen onderscheiden.

Wat heeft deze onvoorwaardelijke eis van het marxisme, toegepast op ons vraagstuk, te betekenen?

Allereerst de noodzakelijkheid streng onderscheid te maken tussen twee met betrekking tot de nationale bewegingen volslagen verschillende tijdperken van het kapitalisme. Enerzijds is dit het tijdperk van de ineenstorting van feodalisme en absolutisme, het tijdperk van het ontstaan van de burgerlijk-democratische maatschappij en van de burgerlijk-democratische staat, het tijdperk waarin de nationale bewegingen voor het eerst massabewegingen worden en, hoe dan ook, alle klassen van de bevolking door middel van de pers, door het deelnemen aan de vertegenwoordigende lichamen enz. bij de politiek betrekken. Anderzijds hebben we te maken met het tijdperk van de volkomen ontwikkelde kapitalistische staten met een sedert lang gevestigde grondwettelijke orde, met een sterk ontwikkeld antagonisme tussen proletariaat en bourgeoisie – een tijdperk dat men de vooravond van de ineenstorting van het kapitalisme kan noemen.

Kenmerkend voor het eerste tijdperk is het ontwaken van nationale bewegingen en het feit dat de boeren, als talrijkste en in de strijd voor politieke vrijheid in het algemeen en voor nationale rechten in het bijzonder uiterst moeilijk in beweging te krijgen bevolkingslaag, daarbij betrokken worden. Voor het tweede tijdperk is kenmerkend, dat burgerlijk-democratische massabewegingen ontbreken, terwijl het ontwikkelde kapitalisme, dat de reeds volkomen in het handelsverkeer betrokken naties meer en meer tot elkaar brengt en vermengt, het antagonisme tussen het internationaal verweven kapitaal en de internationale arbeidersbeweging op de voorgrond stelt.

Natuurlijk is het ene tijdperk niet door een muur van het andere gescheiden, maar verbonden door talrijke tussenschakels, waarbij de verschillende landen zich nog door het tempo van hun nationale ontwikkeling, door de nationale samenstelling van de bevolking, door haar verdeling over het land enz. onderscheiden. Er kan geen sprake van zijn, dat de marxisten van een bepaald land de uitwerking van hun nationale programma ter hand nemen zonder met deze algemene historische en concrete staatkundige voorwaarden rekening te houden.

En juist hier stuiten wij op de zwakste plek in de beschouwingen van Rosa Luxemburg. Buitengewoon ijverig versiert zij haar artikel met een keur van ‘kracht’termen tegen paragraaf 9 van ons programma, die zij ‘vaag gepraat’, een ‘sjabloon’, een ‘metafysische frase’ noemt en zo eindeloos door. Nu zou men natuurlijk verwachten dat een schrijfster, die zo voortreffelijk de metafysica (in marxistische zin, d.w.z. de antidialectiek) en lege abstracties aan de kaak weet te stellen, ons een voorbeeld geeft van een concrete historische behandeling van het vraagstuk. Het gaat om het nationale programma van de marxisten van een bepaald land, Rusland, en in een bepaald tijdperk, het begin van de 20e eeuw. Vermoedelijk stelt Rosa Luxemburg ook de vraag welk historische tijdperk Rusland doormaakt, wat de concrete bijzonderheden zijn van het nationale vraagstuk en van de nationale bewegingen van het gegeven land in het gegeven tijdperk.

Rosa Luxemburg zegt hierover niets, maar dan ook absoluut niets! Er is bij haar geen spoor te vinden van een analyse met betrekking tot het nationale vraagstuk in Rusland in het gegeven historische tijdperk en met betrekking tot de bijzonderheden van Rusland in dit opzicht!

Ons wordt verteld dat het met het nationale vraagstuk op de Balkan anders gesteld is dan in Ierland, dat Marx de Poolse en Tsjechische nationale beweging onder de concrete verhoudingen van het jaar 1848 zus en zo heeft beoordeeld (volgt een bladzijde citaten uit Marx), dat Engels de strijd van de Zwitserse woudkantons tegen Oostenrijk en de slag bij Morgarten, die in 1315 plaatshad, zus en zo heeft beoordeeld, (volgt een bladzijde citaten uit Engels met commentaar daarop van Kautsky), dat Lassalle de Duitse boerenoorlog in de 16e eeuw als reactionair beschouwde enz.

Men kan niet zeggen dat van deze opmerkingen en citaten de nieuwheid afstraalt, maar in ieder geval is het voor de lezer interessant er telkens opnieuw aan herinnerd te worden op welke manier juist Marx, Engels en Lassalle het onderzoek van concrete historische problemen van bepaalde landen hebben ter hand genomen. En nu men deze leerzame citaten uit Marx en Engels opnieuw leest, blijkt wel bijzonder duidelijk in welk een lachwekkende positie Rosa Luxemburg zichzelf heeft gebracht. Welbespraakt en verontwaardigd bepleit zij de noodzakelijkheid van een concrete historische analyse van het nationale vraagstuk, zoals zich dit in verschillende landen en verschillende tijdperken voordoet, maar doet daarbij niet de geringste poging om vast te stellen welk historisch ontwikkelingsstadium van het kapitalisme Rusland in het begin van de 20e eeuw doormaakt en wat de bijzonderheden zijn van het nationale vraagstuk in dat land. Rosa Luxemburg toont ons aan de hand van voorbeelden hoe anderen het vraagstuk marxistisch hebben onderzocht, alsof zij daarmee opzettelijk wil laten uitkomen hoe vaak de weg naar de hel met goede voornemens is geplaveid en hoe achter goedbedoelde raadgevingen slechts de eigen onwil of het onvermogen schuilgaan, deze metterdaad op te volgen.

Laten wij een van haar leerzame vergelijkingen nemen. Rosa Luxemburg keert zich tegen de leuze van onafhankelijkheid voor Polen en beroept zich daarbij op haar werk uit 1898, waarin gewezen wordt op de snelle ‘industriële ontwikkeling van Polen’ door de afzet van zijn industrieproducten in Rusland. Het behoeft geen betoog dat daaruit nog niet het geringste geconcludeerd kan worden met betrekking tot het recht op zelfbeschikking, maar dat daarmee alleen maar het verdwijnen van het oude feodale Polen is bewezen enz. Rosa Luxemburg komt echter voortdurend op een onopvallende manier tot de gevolgtrekking dat het reeds nu voornamelijk de zuiver economische factoren van de moderne kapitalistische betrekkingen zijn, die Rusland en Polen verenigen.

Nu echter gaat onze Rosa zich met het vraagstuk van de autonomie bezighouden en begint – hoewel haar artikel de titel ‘Het nationale vraagstuk en de autonomie’ zonder meer draagt – het uitzonderlijke recht van het koninkrijk Polen op autonomie uiteen te zetten (zie ‘prosvesjtsjenië’, 1913, nr. 12*). Om het recht van Polen op autonomie te staven, karakteriseert Rosa Luxemburg het Russische staatsbestel klaarblijkelijk zowel op economische als op politieke, cultuur-historische en sociologische gronden – als een complex van hoedanigheden die tezamen het begrip ‘Aziatisch despotisme’ opleveren (‘Przeglad’ nr. 12, blz. 137).

Het is welbekend, dat een dergelijk staatsbestel een zeer grote stabiliteit bezit, zolang in de economie van het desbetreffende land volstrekt patriarchale, voorkapitalistische trekken overheersen en er nog nauwelijks sprake is van een ontwikkelde warenhuishouding en klassendifferentiatie. Wanneer nu in zo’n land, waar het staatsbestel zich door een uitgesproken voorkapitalistische karakter onderscheidt, een nationaal begrensd gebied bestaat waar het kapitalisme zich snel ontwikkelt, dan wordt, naarmate deze kapitalistische ontwikkeling sneller gaat, de tegenstelling tussen deze ontwikkeling en de voorkapitalistische staatsorde scherper en de afscheiding van het meer ontwikkelde gebied van het geheel waarschijnlijker – immers, dat gebied is niet door ‘modern-kapitalistische’, maar door ‘Aziatisch-despotische’ banden met het geheel verbonden.

Dus zelfs met het vraagstuk van de sociale structuur van de staatsmacht in Rusland in zijn verhouding tot het burgerlijke Polen heeft Rosa Luxemburg het volstrekt niet kunnen klaren, terwijl zij de vraag over de concrete historische bijzonderheden van de nationale bewegingen in Rusland niet eens gesteld heeft.

Op dit vraagstuk moeten wij nu ingaan.

3. De concrete bijzonderheden van het nationale vraagstuk in Rusland en zijn burgerlijk-democratische omvorming

‘Niettegenstaande de rekbaarheid van het principe van "het recht der naties op zelfbeschikking", dat een gemeenplaats van het zuiverste water is en kennelijk niet alleen van toepassing gebracht kan worden op de volken van Rusland, maar evengoed op de naties die Duitsland en Oostenrijk, Zwitserland en Zweden, Amerika en Australië bevolken, treffen wij het in geen enkel programma van de moderne socialistische partijen aan.’ (‘Przeglad’ nr. 6, blz. 483.)

Zo schrijft Rosa Luxemburg in het begin van haar veldtocht tegen paragraaf 9 van het marxistische programma. Terwijl zij ons het verwijt maakt dat wij dit punt van ons programma tot een ‘gemeenplaats van het zuiverste water’ gemaakt hebben, vervalt Rosa Luxemburg juist zelf in deze zonde door met een vermakelijke stoutmoedigheid te verklaren dat dit punt ‘kennelijk evengoed van toepassing gebracht kan worden’ op Rusland, Duitsland enz.

Kennelijk, antwoorden wij, heeft Rosa Luxemburg in haar artikel een keur van logische fouten willen geven, die als studieopgaven voor gymnasiasten kunnen dienen. Want de tirade van Rosa Luxemburg is van A tot Z onzin en een bespotting van het historisch concreet stellen van het vraagstuk.

lndien men het marxistische programma niet op een kinderlijke, maar op een marxistische manier uitlegt, is het waarachtig niet zo moeilijk er achter te komen dat het betrekking heeft op de burgerlijk-democratische nationale bewegingen.

Indien dit zo is – en het is ongetwijfeld zo – dan volgt daaruit ‘kennelijk’, dat dit programma ‘vagelijk’., als een ‘gemeenplaats’ enz. betrekking heeft op alle gevallen van burgerlijk-democratische nationale bewegingen. Ook voor Rosa Luxemburg zou bij enig nadenken de conclusie niet minder duidelijk voor de hand liggen, dat ons programma uitsluitend betrekking heeft op gevallen, waar zulk een beweging inderdaad bestaat.

Indien Rosa Luxemburg over deze voor de hand liggende dingen had nagedacht, zou het haar weinig moeite hebben gekost in te zien welk een onzin zij heeft gedebiteerd. Terwijl zij er ons van beschuldigt met een ‘gemeenplaats’ te zijn komen aandragen, gebruikt zij tegen ons het argument dat er in het programma van landen waar geen burgerlijk-democratische, nationale bewegingen bestaan, niet over het zelfbeschikkingsrecht der naties wordt gesproken. Een buitengewoon scherpzinnig argument!

Het vergelijken van de politieke en economische ontwikkeling van verschillende landen, zowel als van hun marxistische programma’s, is vanuit marxistisch standpunt bezien van geweldige betekenis, aangezien er zomin over het gemeenschappelijke kapitalistische karakter van de moderne staten als over hun gemeenschappelijke wetmatige ontwikkeling de minste twijfel kan bestaan. Maar het maken van een dergelijke vergelijking moet met verstand gebeuren. De allereerste voorwaarde daarbij is dat onderzocht wordt of de historische ontwikkelingstijdperken van de te vergelijken landen met elkaar vergelijkbaar zijn.

Zo kunnen b.v. alleen volstrekt onwetende lieden (als vorst J. Troebetskoj in de ‘Roesskaja Mysl’) het agrarische programma van de Russische marxisten ‘vergelijken’ met West-Europese programma’s, want ons programma geeft antwoord op de vraag van de burgerlijk-democratische omvorming van de agrarische verhoudingen, waarvan in de Westerse landen geen sprake meer is.

Hetzelfde geldt voor het nationale vraagstuk. In de meeste Westerse landen is dit sedert lang opgelost. Het is belachelijk in de Westerse programma’s het antwoord te zoeken op vragen die daar niet bestaan. Rosa Luxemburg heeft hier juist het voornaamste buiten beschouwing gelaten: het onderscheid tussen landen met sinds lang beëindigde en landen met nog niet ten einde gevoerde burgerlijk-democratische hervormingen.

In dit onderscheid ligt juist de kern van het hele vraagstuk. Het volkomen negeren van dit onderscheid maakt dan ook het zeer lange artikel van Rosa Luxemburg tot een verzameling holle, inhoudsloze gemeenplaatsen.

Het tijdperk van de burgerlijk-democratische revoluties op het vasteland van West-Europa kan vrij nauwkeurig bepaald worden: ongeveer van 1789 tot 1871. Dit was juist het tijdperk van nationale bewegingen en van de vorming van nationale staten. Aan het einde van dit tijdperk was West-Europa reeds een voltooid stelsel van burgerlijke, als regel nationaal homogene staten geworden. Vandaag zoeken naar het recht op zelfbeschikking in de programma’s van de West-Europese socialisten betekent dan ook het niet-begrijpen van het abc van het marxisme.

In Oost-Europa en Azië is het tijdperk van de burgerlijk-democratische revoluties eerst in het jaar 1905 begonnen. De revoluties in Rusland, Perzië, Turkije en China, de oorlogen op de Balkan – deze vormen de keten van de wereldgebeurtenissen van ons tijdperk in ons ‘Oosten’. En in deze keten van gebeurtenissen het ontwaken van een gehele reeks van burgerlijk-democratische nationale bewegingen, van het streven naar de oprichting van nationaal onafhankelijke en nationaal homogene staten niet waarnemen – dat kan alleen een blinde. Juist omdat – en uitsluitend omdat – Rusland, tezamen met zijn buurlanden, nu dit tijdperk doormaakt, hebben wij in ons programma het punt over het recht op zelfbeschikking van de naties nodig.

Maar laat ons het hierboven aangehaalde citaat uit het artikel van Rosa Luxemburg nog wat voortzetten:

‘In het bijzonder bevat het programma van een partij,’ schrijft zij, ‘die in een land met een zeer bonte nationale samenstelling werkt en voor welke het nationale vraagstuk een allereerste rol speelt – n.l. het programma – van de Oostenrijkse sociaal-democratie, niet het beginsel van het recht der naties op zelfbeschikking’ (terzelfder plaatse).

Aldus wil men de lezer ‘in het bijzonder’ door het voorbeeld van Oostenrijk overtuigen. Laat ons vanuit een concreet historisch standpunt nu eens bezien wat we met dit voorbeeld voor vlees in de kuip hebben.

Ten eerste werpen wij de fundamentele vraag op of de burgerlijk-democratische revolutie voltooid is. In Oostenrijk begon zij in 1848 en eindigde in 1867. Sinds die tijd, ongeveer een halve eeuw lang, heerst daar een over het algemeen bestendige burgerlijke constitutie, op grond waarvan een legale arbeiderspartij legaal werkzaam is.

Daarom bevatten de binnenlandse ontwikkelingsvoorwaarden van Oostenrijk (d.w.z. vanuit het gezichtspunt van de ontwikkeling van het kapitalisme in Oostenrijk in het algemeen en onder zijn afzonderlijke naties in het bijzonder) geen factoren die sprongen veroorzaken, waarvan een der begeleidende verschijnselen het ontstaan van nationaal zelfstandige staten zou kunnen zijn. Door bij haar vergelijking er van uit te gaan dat Rusland zich op dit punt in een overeenkomstige situatie bevindt, veroorlooft Rosa Luxemburg zich niet alleen een wezenlijk onjuiste en antihistorische onderstelling, maar zakt zij onwillekeurig tevens tot het standpunt van de liquidators af.

Ten tweede is de volkomen verschillende onderlinge verhouding van de nationaliteiten in Oostenrijk en Rusland van bijzonder grote betekenis voor het vraagstuk waarmee wij ons bezighouden. Oostenrijk is niet alleen gedurende lange tijd een staat geweest waarin de Duitsers overheersten, maar de Oostenrijkse. Duitsers maakten tevens aanspraak op de hegemonie binnen de Duitse natie in het algemeen. Deze ‘pretentie’ werd, zoals Rosa Luxemburg (die naar zij zegt zo afkerig is van gemeenplaatsen, sjablonen en abstracties…) zich wellicht zo goed zal zijn te herinneren, door de oorlog van 1866 tenietgedaan. De in Oostenrijk heersende natie, de Duitse, zag zich buiten de grenzen van de zelfstandige Duitse staat geplaatst die in 1871 definitief tot stand kwam. Anderzijds leed een poging der Hongaren om een zelfstandige nationale staat op te richten reeds in 1849 schipbreuk onder de slagen van het uit lijfeigenen bestaande Russische leger.

Zo ontstond een zeer uitzonderlijke toestand: van de kant der Hongaren en daarna ook van die der Tsjechen bestond er in ’t geheel geen neiging tot afscheiding van Oostenrijk, maar veeleer een streven naar het behoud van Oostenrijks onschendbaarheid, juist in het belang van de nationale onafhankelijkheid, die door de roofgierige en sterkere buren geheel vernietigd zou kunnen worden! Oostenrijk heeft zich ten gevolge van deze eigenaardig toestand tot een staat met twee centra (dualistisch) ontwikkeld en wordt nu een staat met drie centra (trialistisch: Duitsers, Hongaren en Slaven).

Bestaat er iets dergelijks in Rusland? Bestaat er bij ons bij de inwoners ‘van vreemde stam’ de neiging tot vereniging met de Groot-Russen, omdat zij anders gevaar lopen op een nog ergere manier nationaal onderdrukt te worden?

Het is voldoende deze vraag te stellen om in te zien hoe onzinnig, schematisch en van onwetendheid getuigend het is Rusland inzake de zelfbeschikking der naties met Oostenrijk te vergelijken.

De specifieke situatie van Rusland wat betreft het nationale vraagstuk is precies tegenovergesteld aan hetgeen wij in Oostenrijk zagen. Rusland is een staat met een nationaal centrum, het Groot-Russische. De Groot-Russen bewonen een reusachtig aaneengesloten gebied en hun aantal bereikt ongeveer de 70 miljoen. Kenmerkend voor deze nationale staat is: 1) dat de bewoners ‘van vreemde stam’ (die in het geheel genomen de meerderheid, n1. 57 % van de bevolking uitmaken) juist de grensgebieden bewonen; 2) dat de onderdrukking van deze mensen ‘van vreemde stam’ veel en veel sterker is dan in de naburige staten (en zelfs niet alleen in de Europese); 3) dat in een hele reeks gevallen de in de grensgebieden wonende onderdrukte nationaliteiten aan de andere kant van de grens stamgenoten hebben die een grotere nationale onafhankelijkheid genieten (men herinnere zich b.v. slechts de Finnen, Zweden, Polen, Oekraïeners, Roemenen aan de west- en zuidgrens van het land); 4) dat de ontwikkeling van het kapitalisme en het algemene culturele peil in de niet-Russische grensgebieden vaak hoger is dan in het centrum van het land. Tenslotte zien wij dat juist in de Aziatische buurstaten de periode van burgerlijke revoluties en nationale bewegingen begonnen is, die ten dele overslaan op de stamverwante volken binnen de grenzen van Rusland.

Zo zijn het juist de historische concrete bijzonderheden van het nationale vraagstuk in Rusland, die de erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking bij ons in het huidige tijdperk bijzonder dwingend aan de orde stellen.

Overigens is de bewering van Rosa Luxemburg, dat het programma van de Oostenrijkse sociaal-democraten niets over het recht der naties op zelfbeschikking bevat, zelfs feitelijk onjuist. Men behoeft slechts de notulen op te slaan van het congres te Brunn, waar het nationale programma is aangenomen, om daar de verklaring te vinden van de Roetheense sociaal-democraat Hankiewicz, afgelegd uit naam van de hele Oekraïense (Roetheense) delegatie (blz. 85), en die van de Poolse sociaal-democraat Reger uit naam van de hele Poolse delegatie (blz. 108), inhoudende dat de Oostenrijkse sociaal-democraten van beide genoemde naties in hun eisen ook het streven naar nationale aaneensluiting, naar vrijheid en zelfstandigheid van hun volken hebben opgenomen. Hieruit volgt dat de Oostenrijkse sociaal-democratie het recht der naties op zelfbeschikking weliswaar niet rechtstreeks als punt in haar programma heeft opgenomen, maar er tegelijkertijd volkomen vrede mee heeft dat gedeelten van de partij nationale zelfstandigheid eisen. Feitelijk komt dit natuurlijk neer op erkenning van het recht der naties op zelfbeschikking! Het voorbeeld van Oostenrijk, waar Rosa Luxemburg zich op beroept, blijkt dus in alle opzichten tegen Rosa Luxemburg te getuigen.

Delen: Printen: