Lenin. Over het zelfbeschikkingsrecht der naties (2)

In het tweede deel van Lenins boek ‘Over het zelfbeschikkingsrecht der naties’ wordt ingegaan op de taalkwestie en de houding van marxisten daarover. Marxisten zijn tegen het opleggen van talen. Wij vertrekken van de noodzaak van arbeiderseenheid en respect voor de eigenheid van alle arbeiders, ongeacht hun taal of afkomst.

VI Lenin

Kritische opmerkingen bij het nationale vraagstuk

Het nationale vraagstuk neemt tegenwoordig onder de problemen, die het grote publiek in Rusland bezighouden, zeer klaarblijkelijk een belangrijke plaats in. Zowel het agressieve nationalisme van de reactie, als de overgang van het contrarevolutionaire, burgerlijke liberalisme naar het nationalisme (vooral naar het Groot-Russische, maar ook naar het Poolse, joodse, Oekraïense enz.), en tenslotte de toegenomen nationalistische aarzelingen onder sommige ‘nationale’ (d.w.z. niet-Groot-Russische) sociaal-democraten, welke zelfs tot verzaking van het partijprogramma geleid hebben – dit alles dwingt er ons onvoorwaardelijk toe, aan het nationale vraagstuk meer aandacht dan tot nog toe te schenken.

Het onderhavige artikel heeft speciaal ten doel, juist deze aarzelingen, die er bij marxisten en ook-marxisten ten aanzien van het programma bestaan, in hun algemene samenhang te onderzoeken. In nr. 29 van de ‘Severnaja Pravda’ (van 5 september 1913: ‘Liberalen en democraten over de taalkwestie’) was ik in de gelegenheid mij over het opportunisme van de liberalen inzake het nationale vraagstuk uit te spreken. In een artikel van de heer F. Libman ging het opportunistische joodse blad ‘Tsajt’ dit artikel van mij met kritiek te lijf. Anderzijds kritiseerde de Oerkraïense opportunist meneer Lev Joerkevitsj (in ‘Dzvin’ nr. 7 en 8, 1913) het programma van de Russische marxisten inzake het nationale vraagstuk. Beide schrijvers sneden zoveel vraagstukken aan, dat ik in mijn antwoord aan hen ons onderwerp van de meest verschillende zijden zal moeten belichten. Het lijkt mij daarom het meest doeltreffend, eerst het artikel uit de ‘Severnaja Pravda’ nog eens af te drukken.

1. Liberalen en democraten over de taalkwestie

In de pers is herhaaldelijk op een verslag van de Kaukasische gouverneur gewezen, dat niet zozeer door een Zwarte Honderd-geest als wel door een schuchter ‘liberalisme’ gekenmerkt wordt. De gouverneur spreekt zich o.a. tegen de kunstmatige russificatie uit, d.w.z. tegen het russificeren van niet-Russische volken. In de Kaukasus streven mensen, die tot de niet-Russische volken behoren, zelf ernaar hun kinderen Russisch te laten leren, b.v. in de Armeense kerkelijke scholen, waar het onderricht van de Russische taal niet verplicht is.

Een van de in Rusland meest verspreide liberale kranten, de ‘Roesskoje Slovo’ (nr. 198) wijst daarop en maakt terecht de gevolgtrekking, dat de vijandige houding ten opzichte van de Russische taal in Rusland ‘uitsluitend’ een gevolg is van het ‘kunstmatig’ (men zou moeten zeggen: met geweld) invoeren van de Russische taal.

‘Over de Russische taal hoeft men zich geen zorgen te maken. Zij zal zelf in geheel Rusland erkenning afdwingen,’ schrijft het blad. Dat is ook juist, daar immers de behoeften van het economische verkeer de in een staat samenwonende nationaliteiten (zolang zij willen blijven samenwonen) steeds ertoe brengen, de taal van de meerderheid te leren. Hoe democratischer het Russische staatsbestel zal zijn, des te sterker, sneller en op grotere schaal zal het kapitalisme zich ontwikkelen en met des te meer nadruk zullen de behoeften van het economische verkeer de verschillende nationaliteiten ertoe brengen, de voor de onderlinge handelsbetrekkingen meest geschikte taal te leren.

Maar het liberale blad haast zich, zijn eigen glazen in te gooien en zijn liberale inconsequentie ten toon te spreiden.

‘Het zal moeilijk vallen,’ schrijft het blad, ‘zelfs onder de tegenstanders van de russificatie iemand te vinden, die ontkennen zal dat er in een geweldige staat als Rusland een algemene staatstaal moet zijn en dat deze… alleen maar het Russisch kan zijn.’

Een vreemd soort logica! Voor het kleine Zwitserland is het geen nadeel, doch integendeel voordeel, dat het niet een algemene staatstaal heeft, maar liefst drie: Duits, Frans en Italiaans. In Zwitserland bestaat de bevolking voor 70% uit Duitsers (in Rusland voor 43 % uit Groot-Russen), voor 22% uit Fransen (in Rusland voor 17% uit Oekraïeners) en voor 7% uit Italianen (in Rusland voor 6% uit Polen en voor 4,5% uit Wit-Russen). Als de Italianen in Zwitserland in het gemeenschappelijke parlement vaak Frans spreken, doen zij dat niet onder de plak van de een of andere barbaarse politiewet (dat bestaat in Zwitserland niet), maar eenvoudig omdat beschaafde burgers in een democratische staat zelf de voorkeur geven aan een taal die de meerderheid verstaat. Het Frans wekt bij de Italianen geen haatgevoelens, want het is de taal van een vrije, geciviliseerde natie, een taal die niet door weerzinwekkende politiemaatregelen opgedrongen wordt.

Waarom moet het ‘reusachtige’, veel bonter geschakeerde en vreselijk achterlijke Rusland dan in zijn ontwikkeling geremd worden door het in stand houden van elke vorm van privilege voor een van zijn talen? Is het niet juist andersom, heren liberalen? Behoort Rusland, wil het Europa inhalen, niet juist zo snel, zo grondig en zo vastberaden mogelijk aan alle soorten privileges een eind te maken?

Indien alle privileges worden afgeschaft, indien geen enkele taal meer opgedrongen wordt, zullen alle Slaven elkaar gemakkelijk en snel leren begrijpen en zich niet laten afschrikken door de ‘afschuwelijke’ gedachte, dat er in het gemeenschappelijke parlement redevoeringen in verschillende talen te horen zullen zijn. En de behoeften van het economische verkeer zullen dan vanzelf bepalen welke van ’s lands talen te kennen voor de meerderheid, in het belang van de handelsbetrekkingen, het meeste nut heeft. Het bepalen daarvan zal met des te meer dwingende kracht plaatsvinden, daar de tot verschillende nationaliteiten behorende bevolking het er vrijwillig mee eens zal zijn, en het zal een des te snellere en ruimere uitwerking hebben, naarmate de democratie consequenter zal zijn en het kapitalisme zich dientengevolge sneller zal kunnen ontwikkelen.

De liberalen gedragen zich wat de taalkwestie betreft evenals in alle politieke aangelegenheden als huichelachtige sjacheraars, die de democratie (openlijk) de ene hand reiken, terwijl zij de andere (achter hun rug) de landheren en politie-autoriteiten toesteken. Wij zijn tegen privileges, verkondigt luidkeels de liberaal, maar in ’t geheim sjachert hij van de landheren nu eens dit, dan weer een ander privilege voor zichzelf bij elkaar.

Zo is in wezen elk burgerlijk-liberaal nationalisme, niet alleen het Groot-Russische (dat vanwege zijn gewelddadige karakter en zijn verwantschap met de heren Poerisjkevitsj erger is dan alle andere), maar ook het Poolse, joodse, Oekraïense, Georgische enz. De bourgeoisie van alle naties, in Oostenrijk net zo goed als in Rusland, doet in naam van de ‘nationale cultuur’ in werkelijkheid aan versplintering van de arbeiders-klasse, aan verzwakking van de democratie, en ze verkwanselt de rechten en de vrijheid van het volk aan de landheren.

De democratie van de arbeidersklasse heeft niet de ‘nationale cultuur’ tot leuze, maar de internationale cultuur van de democratie en van de arbeidersbeweging over de gehele wereld. Al zal de bourgeoisie het volk met allerlei ‘positieve’ nationale programma’s trachten te bedriegen, de klassebewuste arbeider zal daarop antwoorden: er bestaat maar een oplossing van het nationale vraagstuk (voor zover deze althans onder het kapitalisme, in een wereld van winstbejag, tweedracht en uitbuiting mogelijk is), en deze oplossing is de consequente democratie.

Bewijzen daarvoor zijn Zwitserland, een land met een oude cultuur, in West-Europa, en Finland, een land met een jonge cultuur, in Oost-Europa.

Het nationale programma van de democratische arbeidersbeweging luidt: Absoluut geen privilege voor welke natie, voor welke taal ook; oplossing van het vraagstuk van de politieke zelfbeschikking der naties, d.w.z. hun vrije staatkundige afscheiding langs volledig vrije, democratische weg; afkondiging van een voor de gehele staat geldende wet, krachtens welke iedere willekeurige maatregel (van de Zemstvo, van de steden, gemeenten enz. enz) die hoe dan ook een privilege voor een bepaalde natie inhoudt en de gelijkgerechtigdheid van de naties of de rechten van een nationale minderheid aantast, onwettig en ongeldig wordt verklaard. Verder, dat iedere staatsburger het recht heeft te eisen, dat zulk een maatregel als ongrondwettig ongedaan zal worden gemaakt en dat een ieder, die deze zou willen doorvoeren, volgens de wet strafbaar is.

Tegenover het nationale geharrewar van de verschillende burgerlijke partijen over de taalkwestie enz. stelt de democratische beweging van het proletariaat de eis: onvoorwaardelijke eenheid en volkomen samensmelting van de arbeiders van aIle nationaliteiten in alle vakverenigingen, coöperatieve verenigingen, verbruiks-, ontwikkelings- en alle andere arbeidersorganisaties, als tegenwicht tegen alle soorten burgerlijk nationalisme. Slechts bij een dergelijke eenheid, bij zulk een samensmelting, kan de democratie standhouden, kunnen de belangen van de arbeiders tegen het kapitaal – dat reeds internationaal is en steeds sterker wordt – verdedigd worden en kan de ontwikkeling van de mensheid naar een nieuwe levensvorm, waarin elk privilege en iedere uitbuiting onmogelijk is, gewaarborgd worden.

2. ‘Nationale cultuur’

Zoals de lezer ziet, worden in het artikel van de ‘Severnaja Pravda’ aan de hand van een enkel voorbeeld, nl. het vraagstuk van de algemene staatstaal, de inconsequentie en het opportunisme van de liberale bourgeoisie aangetoond, die de landheren en de politieautoriteiten de hand reikt inzake het nationale vraagstuk. Het zal iedereen duidelijk zijn, dat de liberale bourgeoisie niet alleen inzake de algemene staatstaal, maar ook in een hele reeks andere, soortgelijke kwesties verraderlijk, huichelachtig en bekrompen optreedt (zelfs vanuit het standpunt van de belangen van het liberalisme).

Wat volgt daaruit? Er volgt uit dat ieder burgerlijk-liberaal nationalisme tot de grootste demoralisatie onder de arbeiders leidt en de zaak van de vrijheid en van de proletarische klassenstrijd de grootste schade berokkent. Dit is des te gevaarlijker omdat met de leuze van de ‘nationale cultuur’ de burgerlijke (en burgerlijk-feodale) tendens bemanteld wordt. In naam van de nationale cultuur – de Groot-Russische, Poolse, joodse, Oekraïense enz. – knappen de Zwarte Honderd-benden, de klerikalen, alsook de bourgeois van alle naties hun reactionaire, vuile zaakjes op.

Zo ziet het hedendaagse nationale leven er in werkelijkheid uit, als men het vanuit marxistisch standpunt, d.w.z. vanuit het standpunt van de klassenstrijd, beschouwt; als men de leuzen op grond van de belangen en de politiek van de klassen beoordeelt en niet naar holle ‘algemene beginselen’, declamaties en frasen.

De leuze van de nationale cultuur is burgerlijk bedrog (en vaak ook van de Zwarte Honderd en de klerikalen). Onze leuze is de internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld.

Hier nu stort de boendist mijnheer Libman zich in de strijd en vermorzelt mij met de volgende vernietigende tirade:

‘Een ieder die ook maar enigermate op de hoogte is van het nationale vraagstuk, weet dat internationale cultuur geen a-nationale cultuur (cultuur zonder nationale vorm) is; een a-nationale cultuur, die Russisch noch joods, noch Pools, maar slechts zuivere cultuur mag zijn, is een onding; de arbeidersklasse kan alleen dan juist de internationale ideeën in zich opnemen, wanneer ze zijn aangepast aan de taal die de arbeider spreekt en aan de concrete nationale omstandigheden waaronder hij leeft. De arbeider mag niet onverschillig staan tegenover de stand en de ontwikkeling van zijn nationale cultuur, omdat hij alleen en uitsluitend via deze cultuur de mogelijkheid heeft, deel te nemen aan de "internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld". Dit is sedert lang bekend, maar V. I. wil daar niets van weten…’

Tracht u deze typisch boendistische gedachtengang eens in te denken, die, let wel, ten doel heeft de door mij geformuleerde marxistische stelling teniet te doen. Met het bijzonder zelfverzekerde gezicht van iemand, die ‘goed op de hoogte is van het nationale vraagstuk’, dient meneer de boendist de gebruikelijke burgerlijke inzichten bij ons aan als ‘sedert lang bekende’ waarheden.

Jazeker, waarde boendist, de internationale cultuur is niet a-nationaal. Dat heeft ook niemand beweerd. Niemand heeft een ‘zuivere’ cultuur geproclameerd, die noch Pools, noch joods, noch Russisch enz. zou zijn, zodat uw stroom lege woorden slechts een poging is, de aandacht van de lezer af te leiden en de kern van de zaak door klinkende woorden te verdoezelen.

In elke nationale cultuur zijn – al zijn zij dan ook onontwikkeld – elementen van een democratische en socialistische cultuur aanwezig, want in iedere natie vindt men een werkende en uitgebuite massa, wiens levensvoorwaarden onvermijdelijk een democratische en socialistische ideologie in het leven roepen. Iedere natie heeft echter ook een burgerlijke (en meestal nog daarbij een aartsreactionaire en klerikale) cultuur, en dit niet slechts in de vorm van ‘elementen’ maar als heersende cultuur. Daarom is de ‘nationale cultuur’ eenvoudigweg een cultuur van landheren en geestelijken en van de bourgeoisie. Deze fundamentele, voor marxisten elementaire waarheid is door de boendist buiten beschouwing gelaten en met een vloed van woorden ‘weggeredeneerd’, d.w.z. in plaats van de lezer de afgrond tussen de klassen aan te tonen en op te helderen, heeft hij die verdoezeld. In werkelijkheid is de boendist als een bourgeois opgetreden, wiens belangen het verbreiden van het geloof in een boven de klassen staande nationale cultuur vereisen.

Met onze leuze van een ‘internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld’ nemen wij uit iedere nationale cultuur slechts haar democratische en socialistische elementen, en wel uitsluitend en onvoorwaardelijk als tegenwicht ten opzichte van de burgerlijke cultuur, van het burgerlijke nationalisme van iedere natie. Geen enkele democraat en zeker geen enkele marxist ontkent de gelijke rechten van alle talen of de noodzakelijkheid in de eigen taal met de ‘eigen’ bourgeoisie te polemiseren, antiklerikale of antiburgerlijke ideeën onder de ‘eigen’ boeren en kleinburgers te propageren. Daar hoeft niet over gesproken te worden, en achter deze vanzelfsprekende waarheden verbergt de boendist het geschil, d.w.z. dat waar het in werkelijkheid om gaat.

Waar het om gaat is, of marxisten gerechtigd zijn direct of indirect de leuze van de nationale cultuur te stellen of dat zij zonder meer verplicht zijn in tegenstelling daarmee in alle talen, en ‘zich aanpassend’ aan alle plaatselijke en nationale bijzonderheden, de leuze van het internationalisme van de arbeiders te propageren.

De betekenis van de leuze van de ‘nationale cultuur’ wordt niet bepaald door de belofte of de vrome wensen van een of andere intellectueel, deze leuze ’te interpreteren in die zin, dat daardoor de internationale cultuur zou kunnen worden verwezenlijkt’. Het zou kinderlijk subjectivisme zijn, de zaak op deze wijze te stellen. De betekenis van de leuze van de nationale cultuur wordt bepaald door de objectieve wisselwerking tussen alle klassen van een gegeven land en van alle landen ter wereld. De nationale cultuur van de bourgeoisie is een feit (waarbij, zoals gezegd, de bourgeoisie steeds afspraken met de landheren en de geestelijkheid maakt). Het agressieve burgerlijke nationalisme, dat de arbeiders afstompt, dom en verdeeld houdt, ten einde hen aan de leiband van de bourgeoisie te voeren – dat is het wezenlijke feit van vandaag.

Wie het proletariaat wil dienen, moet de arbeiders van alle naties verenigen en onverzettelijk strijden zowel tegen het eigen burgerlijke nationalisme als tegen het vreemde. Wie de leuze van de nationale cultuur voorstaat, hoort thuis onder de nationalistische kleinburgers, maar niet onder de marxisten.

Laat ons een concreet voorbeeld nemen. Kan een Russische marxist de leuze van een nationale Groot-Russische cultuur accepteren? Neen. Zo iemand hoort bij de nationalisten thuis en niet bij de marxisten. Voor ons is het zaak tegen de heersende aartsreactionaire en burgerlijke nationale cultuur van de Groot-Russen te strijden en uitsluitend in internationale geest en in nauw contact met de arbeiders in andere landen die kiemen tot ontwikkeling te brengen, die ook in onze geschiedenis van de democratische en arbeidersbeweging te vinden zijn. Het is onze taak in naam van het internationalisme tegen onze Groot-Russische landheren en bourgeois, tegen hun ‘cultuur’ te strijden, waarbij wij ons ‘aanpassen’ aan de bijzonderheden van de heren Poerisjkevitsj en Stroeve, geenszins echter behoren wij de leuze van de nationale cultuur te propageren of te dulden. Hetzelfde geldt voor de meest onderdrukte en achtervolgde natie, de joodse. Een joods-nationale cultuur – dat is de leuze van de rabbijnen en bourgeois, de leuze van onze vijanden. Maar er bestaan in de joodse cultuur en in de geschiedenis van het jodendom ook andere elementen. Van de 10,5 miljoen joden over de gehele wereld leeft meer dan de helft in Galicië en Rusland, achterlijke, halfbarbaarse landen, waar de joden met geweld in de positie van een kaste gehouden worden. De andere helft leeft in de beschaafde wereld, waar zij niet als kaste afgescheiden zijn. Daar zijn de grootse, universeel vooruitstrevende eigenschappen van de joodse cultuur duidelijk aan de dag getreden: haar internationalisme, haar openstaan voor de vooruitstrevende bewegingen van de tijd (het percentage van de aan de democratische een proletarische bewegingen deelnemende joden is overal groter dan hun percentage van de bevolking over het algemeen).

Wie direct of indirect voor de leuze van een joodse ‘nationale cultuur’ opkomt, is (hoe goed zijn bedoelingen ook mogen zijn) een vijand van het proletariaat, een aanhanger van het oude en van de kasteafscheiding van de joden, een handlanger van de rabbijnen en de bourgeoisie. De joodse marxisten daarentegen, die zich in de internationale marxistische organisaties met de Russische, Litouwse, Oekraïense en andere arbeiders aaneensluiten en zo hun deel (zowel in de Russische als in de joodse taal) bijdragen in het tot stand komen van een internationale cultuur van de arbeidersbeweging – deze joden houden – tegen het separatisme van de ‘Boend’ in – juist door hun strijd tegen de leuze van de ‘nationale cultuur’ de beste tradities van het jodendom hoog.

Burgerlijk nationalisme en proletarisch internationalisme – dat zijn twee onverzoenlijk vijandige leuzen, die bij de twee grote klassenkampen in de kapitalistische wereld behoren en uitdrukking geven aan tweeërlei soort politiek (sterker nog, aan twee wereldbeschouwingen) in het nationale vraagstuk. Door de leuze van een nationale cultuur te verdedigen en daarop een volledig plan en een praktisch programma van de zogenaamde ‘nationaal-culturele autonomie’ op te bouwen, treden de boendisten in werkelijkheid als gangmakers van het burgerlijke nationalisme onder de arbeiders op.

3. Het schrikbeeld van de nationalisten – de ‘assimilatie’

Het vraagstuk van de assimilatie, d.w.z. van het verlies van het nationaal eigene en van het opgaan in een andere natie, verschaft de mogelijkheid een duidelijke voorstelling te geven van de gevolgen van het weifelende gedrag der boendisten en hun geestverwanten inzake het nationalisme.

De heer Libman, die de gebruikelijke argumenten – of liever gezegd kunstgrepen – van de boendisten trouw uitdraagt en nakauwt, noemde de eis van eenheid en samensmelting van arbeiders van alle nationaliteiten van een bepaald land in onverdeelde arbeidersorganisaties (zie hiervoor het slot van het artikel in de ‘Severnaja Pravda’) ‘het oude gezeur over assimilatie’ .

‘Hieruit volgt,’ zegt de heer Libman in verband met het slot van het artikel in de ‘Severnaja Pravda’, ‘dat een arbeider op de vraag tot welke nationaliteit hij behoort, moet antwoorden: ik ben sociaal-democraat.’

Onze boendist vindt dit het toppunt van geestigheid. In werkelijkheid geeft hij zich echter volledig bloot door dit soort geestigheden en drukte over ‘assimilatie’, gericht tegen de consequent democratische en marxistische leuze.

Het kapitalisme kent in zijn ontwikkeling in verband met het nationale vraagstuk twee historische tendensen. Ten eerste: het ontwaken van nationaal leven en nationale bewegingen, de strijd tegen elk soort nationale onderdrukking, het zich ontwikkelen van nationale staten. Ten tweede: de ontwikkeling en vermeningvuldiging van de meest verschillende betrekkingen tussen de naties, het neerhalen van nationale scheidsmuren, het tot stand brengen van de internationale eenheid van het kapitaal en van het economische leven in het algemeen, van de politiek, de wetenschap enz.

Beide tendensen zijn wetmatigheden, die voor het kapitalisme over de hele wereld gelden. De eerste heeft de overhand in het beginstadium van zijn ontwikkeling, de tweede is kenmerkend voor het rijpe kapitalisme, dat zijn overgang naar de socialistische maatschappij tegemoetgaat. Het nationale programma van de marxisten houdt rekening met beide tendensen, het staat in de eerste plaats de gelijkgerechtigdheid van naties en talen voor, alsmede de ontoelaatbaarheid van alle privileges van wat voor soort ook in dit opzicht (maar ook het recht der naties op zelfbeschikking, waarover wij het hierna nog in het bijzonder zullen hebben); ten tweede het principe van het internationalisme en van de onverzoenlijke strijd tegen de besmetting van het proletariaat met burgerlijk nationalisme, ook in zijn meest verfijnde vorm.

Men zal zich afvragen: wat heeft onze boendist er eigenlijk mee voor als hij begint te jammeren over ‘assimilatie’? Gewelddadigheden tegen naties of privileges ten gunste van een natie kon hij hier niet op het oog hebben, want daarop slaat het woord ‘assimilatie’ heel beslist niet. Alle marxisten hebben immers, individueel en als een officieel geheel, zelfs de geringste nationale geweldpleging, onderdrukking en ongelijkheid in rechten zeer beslist en op niet mis te verstane wijze veroordeeld. Tenslotte is toch ook deze algemene marxistische gedachte onvoorwaardelijk en vastberaden verdedigd in het artikel van de ‘Severnaja Pravda’, waartegen de boendist van leer trekt.

Neen, hier helpen geen uitvluchten. Toen de heer Libman de ‘assimilatie’ veroordeelde, verstond hij daaronder geen gewelddaden, geen rechtsongelijkheid, geen privileges. Maar blijft er van het begrip ‘assimilatie’ nog iets reëels over als geweldpleging en rechtsongelijkheid er uit zijn geschrapt?

Zeker wel! Wat overblijft is de wereldhistorische tendens van het kapitalisme tot vernietiging van de nationale scheidsmuren, tot het uitwissen van nationale verschillen, tot assimilatie van naties, een tendens die elk decennium krachtiger naar voren treedt en een van de grootste stuwkrachten vormt die het kapitalisme in socialisme doen veranderen.

Wie de gelijke rechten van naties en talen niet erkent en niet verdedigt, wie niet tegen elke nationale onderdrukking of rechtsongelijkheid opkomt, is geen marxist, is zelfs geen democraat. Dat is aan geen twijfel onderhevig. Zomin als het aan twijfel onderhevig is dat een quasi-marxist, die de marxist van een andere natie er van langs geeft omdat deze een voorstander is van ‘assimilatie’, in werkelijkheid alleen maar een nationalistische kleinburger is. Tot deze weinig achtenswaardige categorie van mensen behoren alle boendisten en (zoals wij dadelijk zullen zien) de Oekraïense nationaal-socialen van het slag van de heren L. Jerkevitsj, Dontsov en Co.

Ten einde concreet aan te tonen, hoe uiterst reactionair de opvattingen van deze nationalistische kleinburgers zijn, zullen wij drieërlei soort van materiaal aandragen.

Degenen die het hardst schreeuwen tegen het ‘assimilatiegedoe’ van de Russische orthodoxe marxisten zijn de joodse nationalisten in Rusland in het algemeen en de boendisten onder hen in het bijzonder. Zoals echter uit de hiervoor aangehaalde gegevens blijkt, leeft van de 10,5 miljoen joden in de gehele wereld ongeveer de helft in de beschaafde wereld onder omstandigheden van het allergrootste ‘assimilatiegedoe’, terwijl alleen de ongelukkige, geïntimideerde, rechteloze, door de (Russische en Poolse) heren Poerisjkevitsj onderdrukte joden in Rusland en Galicië onder verhoudingen van het geringste ‘assimilatiegedoe’, in de grootste afzondering leven, tot het ‘vestigingsgebied’, tot de ‘numerus clausus, en andere door de heren Poerisjkevitsj bedachte heerlijkheden toe.

De joden in de beschaafde wereld vormen geen natie, zij zijn voor het merendeel geassimileerd, zeggen K. Kautsky en O. Bauer. In Galicië en Rusland zijn de joden ook geen natie, helaas vormen zij hier nog een kaste (en dat niet door eigen schuld, maar door die van de heren Poerisjkevitsj). Dat is de onbetwistbare mening van mensen die ongetwijfeld de geschiedenis van het jodendom kennen en rekening houden met de bovengenoemde feiten.

Wat zeggen deze feiten nu eigenlijk? Zij zeggen dat alleen reactionaire joodse kleinburgers, die het rad van de geschiedenis terug willen draaien, hun geschreeuw tegen het ‘assimilatiegedoe’ kunnen aanheffen; lieden die de geschiedenis willen dwingen zich niet van de toestanden in Rusland en Galicië naar die in Parijs en New York te ontwikkelen, maar omgekeerd.

Nooit heeft men de beste vertegenwoordigers van het jodendom, wereldberoemde mannen, die tot de meest vooruitstrevende leiders van de democratie en het socialisme behoorden, hun stem tegen assimilatie horen verheffen. Slechts diegenen gaan tegen assimilatie te keer, die met eerbiedige aandacht het joodse ‘achterdeel’ beschouwen.

Over de omvang van het assimilatieproces der naties onder de moderne verhoudingen van het ontwikkelde kapitalisme kan men zich een vrij nauwkeurige voorstelling vormen aan de hand van b.v.. de immigratiegegevens van de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Daarheen emigreerden uit Europa in de tien jaren van 1891 tot 1900 3,7 miljoen mensen en in de daarop volgende negen jaar (1901-1909) 7,2 miljoen. Bij de volkstelling van 1700 werden er in de Verenigde Staten meer dan 10 miljoen buitenlanders geteld. De staat New York, waar volgens deze telling ruim 78.000 Oostenrijkers, 136.000 Engelsen, 20.000 Fransen, 480.000 Duitsers, 37.000 Hongaren, 425.000 Ieren, 182.000 Italianen, 70.000 Polen, 166.000 (hoofdzakelijk joodse) emigranten uit Rusland, 43.000 Zweden enz. woonden, heeft veel van een molen, waarin de nationale kenmerken vermaald worden. En wat in New York op grote schaal plaatsvindt, geschiedt eveneens in iedere grote stad en iedere fabriekswoonwijk.

Wie niet in nationalistische vooroordelen verstrikt is geraakt, kan niet anders dan dit door het kapitalisme teweeggebrachte assimilatieproces van naties zien als een geweldige historische vooruitgang, als het uit de weg ruimen van de nationale verkalking van de meest verschillende uithoeken, zoals die vooral in achterlijke landen als Rusland bestaan.

Neem b.v. Rusland en de verhouding tussen de Groot-Russen en de Oekraïeners. Vanzelfsprekend zal iedere democraat, om van de marxisten niet eens te spreken, vastberaden tegen de ongehoorde vernedering van de Oekraïeners optreden en volledig gelijke rechten voor hen eisen. Het zou echter ronduit verraad aan het socialisme zijn en een dwaze politiek zelfs vanuit het standpunt van de burgerlijke ‘nationale taken’ van de Oekraïeners, wanneer men de op het ogenblik binnen het raam van een staat bestaande samenhorigheid en banden tussen het Oekraïense en Groot-Russische proletariaat zou verzwakken.

De heer Lev Joerkevitsj, die zich ook ‘marxist’ noemt (arme Marx!), laat ons een bijzonder fraai staaltje van dit soort dwaze politiek zien. Volgens deze heer Joerkevitsj zouden Sokolovski (Basok) en Loekasjevitsj (Toetsjapski) in 1906 hebben beweerd, dat het Oekraïense proletariaat al volledig gerussificeerd was en geen speciale organisatie nodig had. Zonder een poging te doen ook maar een enkel feit aan te voeren met betrekking tot het wezen van de zaak, valt de heer Joerkevitsj beiden hierover aan en schreeuwt hysterisch – geheel in de geest van het laagst bij de grondse, stompzinnigste en reactionairste nationalisme – dat dit ‘nationale passiviteit’, ‘verloochening van de nationaliteit’ zou zijn, dat deze lieden ‘een scheuring onder de Oekraïense marxisten teweeggebracht hebben (!!)’ enz. Bij ons is op het ogenblik – verzekert de heer Joerkevitsj – niettegenstaande de ‘opbloei van het Oekraïense nationale bewustzijn onder de arbeiders’ slechts een minderheid van de arbeiders ‘nationaal bewust’, terwijl de meerderheid ‘nog onder de invloed van de Russische cultuur staat’. Het is daarom onze taak – roept deze nationalistische klein-burger uit – ‘niet de massa’s te volgen, doch ze aan te voeren en hen de nationale doelstellingen uiteen te zetten’ (‘Dzvin’, blz. 89).

Deze hele beschouwing van de heer Joerkevitsj is door en door burgerlijk-nationalistisch. Maar zelfs vanuit het standpunt van de. burgerlijke nationalisten, die deels voor volledige gelijke rechten en autonomie voor de Oekraïne, deels voor een onafhankelijke Oekraïense staat zijn, houdt deze beschouwing tegen geen enkele kritiek stand. Tegenstander van het vrijheidsstreven der Oekraïeners is de klasse van de Groot-Russische en Poolse grootgrondbezitters, voorts de bourgeoisie van deze beide naties. Welke maatschappelijke kracht is in staat aan deze klassen weerstand te bieden? Het eerste decennium van de 20e eeuw heeft het feitelijke antwoord op deze vraag gegeven: Deze kracht is enkel en alleen de arbeidersklasse, tevens leidster van de democratische boeren. Door te trachten deze werkelijk democratische kracht, welker overwinning elke nationale onderdrukking onmogelijk zou maken, te verdelen en daardoor te verzwakken, verraadt de heer Joerkevitsj niet alleen de belangen van de democratie in het algemeen, maar ook die van zijn vaderland, de Oekraïne. Bij een eendrachtig optreden van de Groot-Russische en Oekraïense proletariërs is een vrije Oekraïne mogelijk, zonder zulk een eendracht kan daarvan geen sprake zijn.

De marxisten beperken zich echter niet tot het burgerlijk-nationale standpunt. Reeds enige tientallen jaren is er in het zuiden, d. w .z. in de Oekraïne, kennelijk een versnelde economische ontwikkeling op gang gekomen, waardoor uit Groot-Rusland tienduizenden en honderdduizenden boeren en arbeiders door de kapitalistische boerenbedrijven, de mijnen en de steden worden aangetrokken. Er bestaat geen twijfel aan, dat het Groot-Russische en Oekraïense proletariaat zich – binnen deze grenzen assimileren. En dit is zonder twijfel een feit dat op vooruitgang duidt. Het kapitalisme maakt van de stompzinnige, achterlijke, hokvaste en lompe Groot-Russische of Oekraïense boeren beweeglijke proletariërs, wiens levensomstandigheden de specifieke Groot-Russische en Oekraïense nationale bekrompenheid doorbreken. Zelfs in het geval dat te zijner tijd tussen Groot-Rusland en de Oekraïne een staatsgrens zou worden getrokken – ook dan zal de ‘assimilatie’ van de Groot-Russische en Oekraïense arbeiders historisch beslist even progressief zijn als het vermalen van de naties in Amerika. Hoe vrijer de Oekraïne en Groot-Rusland zullen zijn, des te grootscheepser en sneller zal het kapitalisme zich ontwikkelen, dat dan in nog sterkere mate massa’s arbeiders, arbeiders van alle nationaliteiten uit alle gebieden van deze staat en uit alle naburige staten (indien Rusland een buurstaat van de Oekrai"ne zou worden) naar de steden, mijnen en fabrieken zal trekken.

De heer Joerkevitsj gedraagt zich als een echte bourgeois en bovendien als een kortzichtige, bekrompen, stompzinnige bourgeois, d.w.z. als een echte kleinburger, wanneer hij terwille van een kortstondig succes van de Oekraïense nationale zaak de belangen van een verbintenis, van een versmelting, van de assimilatie van het proletariaat van beide naties verwerpt. Eerst de nationale zaak en dan pas de proletarische, zeggen de burgerlijke nationalisten, en de heren Joerkevitsj, Dontsov en dergelijke quasimarxisten praten hun dit na. Voor alles de zaak van het proletariaat, zeggen wij, want daardoor worden op de duur niet alleen de fundamentele belangen van de arbeid en die van de mensheid maar ook de belangen van de democratie gediend, en zonder democratie is noch een autonomie, noch een onafhankelijke Oekraïne denkbaar.

Tenslotte dient met betrekking tot de aan nationalistische parels zo ongewoon rijke beschouwing van de heer Joerkevitsj nog het volgende vermeld te worden. Hij zegt dat de minderheid van de Oekraïense arbeiders nationaal bewust is, terwijl ‘de meerderheid nog onder de invloed van de Russische cultuur staat.’

Wanneer men het over het proletariaat heeft, is het op deze wijze tegenover elkaar stellen van de Oekraïense cultuur, als geheel genomen, en de Groot-Russische cultuur, eveneens als geheel genomen, een bijzonder onbeschaamd en slechts het burgerlijke nationalisme ten goede komend verraad aan de belangen van het proletariaat.

Elke hedendaagse natie bestaat uit twee naties, voegen wij al deze nationaal-socialen toe. Elke nationale cultuur bestaat uit twee nationale culturen. Er bestaat een Groot-Russische cultuur van de heren Poerisjkevitsj, Goetsjkov en Stroeve, maar er bestaat ook een Groot-Russische cultuur die door de namen Tsjernysjevski en Plechanov gekarakteriseerd wordt. Evenzo bestaan er twee soortgelijke culturen bij de Oekraïeners, zo ook in Duitsland, Frankrijk, Engeland, bij de joden enz. Indien de meerderheid van de Oekraïense arbeiders onder de invloed van de Groot-Russische cultuur staat, dan weten wij zeker dat hier behalve ideeën van de Groot-Russische klerikale en burgerlijke cultuur ook de ideeën van de Groot-Russische democratie en sociaal-democratie werkzaam zijn. In zijn strijd tegen het eerste soort ‘cultuur’ zal de Oekraïense marxist steeds de tweede soort cultuur op de voorgrond stellen en tegen zijn arbeiders zeggen: ‘Iedere mogelijkheid van contact met de Groot-Russische klassebewuste arbeider, met zijn literatuur, met zijn wijze van denken moeten jullie zeer beslist met alle kracht waarnemen, benutten en vasthouden – dit vereisen de fundamentele belangen zowel van de Oekraïense als van de Groot-Russische arbeidersbeweging.’

Indien een Oekraïense marxist zich zozeer laat meeslepen door de alleszins gerechtvaardigde en natuurlijke haat tegen de Groot-Russische onderdrukkers, dat daardoor ook maar het geringste deeltje van deze haat of slechts het gevoel van vervreemding op de proletarische cultuur en de proletarische zaak van de Groot-Russische arbeiders zou worden overgedragen, dan zal deze marxist daarmee in het moeras van het burgerlijke nationalisme terechtkomen. Precies zo zal een Groot-Russische marxist in het moeras – niet alleen van het burgerlijke, maar ook van het Zwarte Honderd-nationalisme terechtkomen, indien hij ook maar een ogenblik de eis van volledig gelijke rechten voor de Oekraïeners of hun recht op het vormen van een souvereine staat uit het oog zou verliezen.

De Groot-Russische en Oekraïense arbeiders moeten gezamenlijk en, zolang zij binnen een staat leven, in nauw organisatorisch verband en in de grootste samenhorigheid opkomen voor de algemene of internationale cultuur van de proletarische beweging en een absolute verdraagzaamheid aan de dag leggen wat betreft de taal, waarin die cultuur wordt gepropageerd, en wat betreft de zuiver lokale of zuiver nationale eigenaardigheden, waarmee in deze propaganda rekening gehouden wordt. Dat is een onvoorwaardelijke eis van het marxisme. Elk propageren van scheiding tussen arbeiders van verschillende naties, alle aanvallen op marxistisch ‘assimilatiegedoe’, elk tegenover elkaar stellen van de ene nationale cultuur, als geheel genomen, tegenover de andere, zogenaamd een geheel vormende nationale cultuur in kwesties die het proletariaat betreffen, enz., is burgerlijk nationalisme, waartegen onvoorwaardelijk een onverzoenlijke strijd moet worden gevoerd.

Delen: Printen: