De belangrijkste trends internationaal en nationaal en de taken van LSP

Hieronder publiceren we een uitgebreide actualiteitsresolutie van de Linkse Socialistische Partij. Er wordt ingegaan op de belangrijkste internationale en nationale ontwikkelingen van de afgelopen periode, gekoppeld aan praktische conclusies. Deze tekst is het resultaat van een discussie op het Nationaal Comité en dient tevens als basis voor de politieke discussie op de lokale congressen van LSP/MAS op 1 april.

Eric Byl, namens het Uitvoerend Bestuur van LSP/MAS, 3 maart 2006

Globalisering: wat het is en wat het niet is.

Globalisering was een uitloper van het neoliberale offensief dat sinds ’79 onder toenmalig Amerikaans president Reagan en Brits premier Tatcher geleidelijk de dominante internationale economische politiek werd. Het neoliberalisme was gericht op het opheffen van iedere belemmering op de “vrijheid” om arbeidskracht uit te buiten. Arbeidswetgeving en bescherming werden afgebroken, arbeidscontracten uitgehold, flexibilisering, tijdelijke en deeltijdse contracten ingevoerd. Tegelijk werden vervangingsuitkeringen (door ziekte, ouderdom of werkloosheid) gereduceerd en in de meeste landen beperkt in de tijd, werd in heel wat landen de koppeling van de lonen aan de prijzen afgeschaft of ondermijnd. Tenslotte ging het neoliberalisme gepaard met een zich terug trekken van de overheid uit dienstverlening en werden overheidstussenkomsten om tanende industrieën in stand te houden grotendeels gekortwiekt. Er volgde een proces van liberalisering en privatiseringen. De staat als (keynesiaans) herverdelend mechanisme was te duur geworden en men opteerde ervoor de vrije markt onbelemmerd te laten spelen.

Toen Tatcher en Reagan hun neoliberaal offensief tegen de arbeidersbeweging opstartten, konden ze wellicht niet vermoeden waar ze uiteindelijk zouden belanden. Sinds de val van de stalinistische regimes in het Oosten, is het proces van neoliberalisme immers in een enorme versnelling geraakt. Meer dan ooit werd arbeidsdeling internationaal, kapitalen zweefden in een mum van tijd van de ene uithoek van de wereld naar de andere. Het leek erop alsof de politiek haar greep op de economie volledig verloren was. Linkse Academici (zoals Kruithof, Negri, etc…) hierin gevolgd door zogenaamde marxisten (o.a. de PvdA en de SAP), hadden het over de absolute dominantie van economie over politiek en verklaarden de nationale staten machteloos tegen de diverse transnationale ondernemingen.

De ironie wil dat net die “linkse academici” de marxisten steeds “economisch determinisme” (alles zou al op voorhand bepaald zijn, louter door de economische wetmatigheden) hebben verweten. Ze baseerden zich daarvoor op onze materialistische visie (dat we ervan uitgaan dat onze omgeving ons denken bepaalt en niet omgekeerd) en vooral op het feit dat marxisten van oordeel zijn dat de economische onderbouw van de maatschappij (de eigendomsverhoudingen en de productieverhoudingen) “in laatste instantie” bepalend is voor de bovenbouw (het staatsapparaat van leger en politie tot justitie en gevangeniswezen; het ideologisch apparaat van scholen, kerk en media; het politieke apparaat van gemeenteraad tot parlementen en regeringen). De formule “in laatste instantie” is voor marxisten geen beleefdheidsformule, maar heeft een reëele betekenis. We erkennen nl. de wisselwerking tussen onderbouw en bovenbouw, de manier waarop ze op elkaar inwerken, echter niet als twee evenwaardige polen, maar in een hiërarchische verhouding waarin de onderbouw in laatste instantie (d.w.z. nadat alle andere factoren zijn uitgespeeld) beslissend is.

Op basis van abstracte studie komen deze linkse academici tot de conclusie dat marxisme economisch deterministisch moet zijn. De waarheid is echter steeds concreet, en ook in dit geval moeten we vaststellen dat in de reëel bestaande wereld niet de marxisten, maar de academici ten onrechte de onherroepelijke dominantie van economie (of onderbouw) – niet in laatste, maar in elke instantie – hebben uitgeroepen.

In tegenstelling daarmee hebben wij er steeds op gewezen dat de nationale staten historisch gegroeide entiteiten zijn, die je niet zomaar opzij kan schuiven; dat na een fase van globalisering onvermijdelijk een fase van groeiend protectionisme zou volgen; dat economie “politieke economie” blijft en economisch determinisme ons naar totaal verkeerde conclusies zou leiden.Wij hebben globalisering steeds beschreven als een hoofdzakelijk politiek regime, waarmee het kapitalisme haar traditionele limieten – het privé-bezit van kapitaal en het bestaan van historisch gegroeide nationale staten – wou overstijgen, onder meer via onbelemmerde concurrentie en de snelle internationale mobilisatie van kapitaal. Ieder maatschappelijk systeem kan tijdelijk buiten zijn grenzen treden (via krediet en vrijhandel), maar wordt onvermijdelijk opnieuw binnen haar limieten gedreven (privé-bezit van productiemiddelen en nationale staten), tenzij dat systeem vervangen wordt door een ander dat beter is aangepast aan de nieuwste productiemogelijkheden.

De verderzetting van globalisering met militaire middelen

Oorlog is de verderzetting van politiek met andere middelen. Globalisering in militaire termen betekende het geleidelijk afstappen van de non-interventionistische Monroe-doctrine (ontstaan na de nederlaag van het VS-imperialisme in Vietnam) over de politiek van containment (in bedwang houden, dat was wat Bush sr in de eerste Golfoorlog en later Clinton met “precisiebombardementen” probeerden met Saddam) naar “preventive strikes” of de terugkeer naar het tijdperk van brutale koloniale interventie (Bush jr). Al vroeg in de jaren ’90 wilden de neo-conservatieven in de VS de economische problemen oplossen door de energiefacturen (dikwijls tot 30% van de totale productiekosten van de bedrijven) te drukken. De brutale aanslagen van 11 september 2001 hebben hen daartoe hét voorwendsel gegeven!

Omwille van haar prestige was de VS verplicht eerst de voormalige bondgenoten al Quaeda en Taliban in Afghanistan aan te pakken. Zonder twijfel speelden daarin geo-strategische overwegingen mee, onder meer de positie van de VS tegen het opkomende China, de nabijheid van de conflictzone India-Pakistan en van de grondstofrijke voormalige Aziatische Sovjetstaten. We denken echter niet dat het een vooraf opgesteld plan was, hooguit één van vele scenario’s toepasbaar geworden door de “opportuniteiten die de crisissituatie met zich meebracht”. Het was totaal verkeerd om, zoals de PvdA en andere zogenaamde marxisten, de oorlog in Afghanistan voor te stellen als een oorlog om olie, ongeacht de talloze pijpleidingen die kriskras door heel de wereld lopen. Onze stelling werd trouwens bevestigd door het feit dat het imperialisme op geen enkele manier probeerde het land herop te bouwen, te stabiliseren, laat staan de nodige infrastructuurwerken door te voeren die een eventuele veilige doorvoer van petroleum zou vereisen.

Niet Afghanistan, maar Irak was het voornaamste doelwit voor de neo-conservatieven. De idee bestond erin Saddams’ regime omver te gooien, een “democratie” in te stellen en het land leeg te plunderen. Behalve de onmiddelijke belangen van de wapenproducenten en de oliebedrijven in de VS speelde wellicht ook de illusie mee dat een directe massale ontginning van Iraakse olie door westerse multinationals de prijzenpolitiek van de OPEC, de organisatie van de belangrijkste olieproducerende landen, kon ondermijnen. Zoals we van bij het begin stelden is het één zaak een sowieso gehaat regime omver te gooien, maar een totaal andere om het land nadien onder imperialistische controle te stabiliseren, te ontginnen en de troepen terug te trekken.

Hoever het VS-imperialisme bereid was te gaan wordt aangetoond door de nu als leugens erkende stellingen omtrent massavernietigingswapens en zogenaamde betrokkenheid van Irak in de septemberaanslagen, maar vooral ook doordat de coalitie van de “willing” de VN bij haar operatie passeerde. Vroeg of laat moest dat in het aangezicht van het VS-imperialisme ontploffen: het ziet er steeds penibeler uit. Na het schandaal waarbij de identiteit van CIA-spionne Plame gelekt werd om haar man onder druk te zetten te liegen over zogenaamde uraniumaankopen door Irak in Niger, blijken steeds nieuwe lijken uit de kast te vallen. Het budget voor de versterking van de dijken in New Orleans werd geblokkeerd om de militaire uitgaven in Irak te bekostigen. Een parlementaire onderzoekscommissie omtrent de reactie van de overheid op Katrina legde 90 tekortkomingen bloot en verwees expliciet naar Bush omdat die zijn autoriteit als president niet had aangewend om de overheidsdiensten onder druk te zetten. Deze commissie werd nochtans geboycot door de democraten en bestaat uitsluitend uit republikeinen. Blijkt nu dat Bush al op voorhand op de hoogte was van het impact van Katrina, maaar daar niet de nodige maatregelen voor afkondigde. Bovendien komt een omkoopschandaal van een frauduleus lobbyist (Abramoff) steeds dichter bij de president zelf.

Bush en zijn administratie zouden er nog mee weggekomen zijn indien op zijn minst de voornaamste doelstellingen van de interventie in Irak behaald werden. Ze komen echter zelfs niet in de buurt. De zogenaamde democratiseringsgolf die het op gang moest brengen in het Midden-Oosten is een totale mislukking geworden. De folteringen door Amerikaanse troepen in Abu Graib en andere gevangenissen, het bestaan van geheime gevangenissen in verschillende Europese landen waarbij onaangekondigd gebruik werd gemaakt van allerlei West-Europese luchthavens, het gebruik van fosfor tijdens het beleg in Fallujah en zovele andere schandalen ondermijnen de autoriteit van de VS. In plaats van stabiliteit en democratisering glijdt Irak regelrecht af naar burgeroorlog.

Ze lfs het verborgen agenda, nl. beslag leggen op de olievoorraden, ze ontginnen en daarmee de OPEC uit het veld spelen om de energiefacturen van Westerse bedrijven te drukken is een totale mislukking geworden. De olieprijzen zijn, zoals we voorzien hadden, blijven stijgen en daarmee ook de prijzen van grondstoffen, vooral delfstoffen waarvan de ontginning veel energie vereist. De nieuwe militaire doctrine van preventive strikes, globalisering op militair vlak, is totaal gediscrediteerd.

In het Midden-Oosten stoot het op massaal verzet dat vooral door reactionaire krachten onder de vorm van politieke Islam, gerecupereerd wordt. De verkiezingsoverwinning van Hamas in de Palestijnse bezette gebieden toont de totale verwerping van het imperialisme door de Arabische massa’s. De brutaliteit van het pas verkozen regime in Iran, haar uithalen naar Israël, haar weigering om het internationaal atoomagentschap toe te laten bij inspectie van nucleaire installaties, haar openlijke oproep voor kamikazes indien de VS een militaire interventie zou overwegen en vooral de onmogelijkheid van de VS om daarop te reageren… het toont allemaal aan dat de buitenlandpolitiek van de neo-conservatieven en de Bush-administratie een catastrofale mislukking is en op haar limieten botst. Een bezetting van Iran naar het model van Irak was al uitgesloten. Een chirurgische ingreep, met “precisiebombardementen” de nucleaire sites vernietigen, is ook al onwaaarschijnlijk, ook al omdat China en Rusland die in het Zuiden van Iran een olieveld mee exploiteren zich daartegen zullen verzetten en de gevolgen voor het Midden-Oosten niet te overzien zijn.

In de VS zelf is de steun voor de Irak-interventie zo goed als verdwenen en binnen het establishment is men wanhopig op zoek naar een uitweg. In november zijn er in de VS tussentijdse parlementaire verkiezingen, wellicht zullen de republikeinen die verliezen, dat zal de tanende autoriteit van het regime van Bush verder ondermijnen, de positie van vice-president Cheney zou dan als zondebok kunnen opgeofferd worden en mogelijks het begin inluiden van een schamelijke aftocht van de VS-troepen. Op militair vlak is de fase van globalisering voorbij en evolueren we naar een minder-interventionistische politiek. Bush gaf dat onrechtstreeks toe, toen hij verklaardde dat de VS minder afhankelijk moeten worden van olie-import, vooral uit het Midden-Oosten. Wat een verschil met de periode vlak na 11 september 2001.

Globalisering gecontesteerd

Het is echter niet alleen de militaire poot van Globalisering die gecontesteerd wordt, maar ook en vooral de economische politiek ervan. De catastrofale gevolgen van 15 jaar neoliberalisme in Latijns-Amerika hadden al geleid tot het aan de macht komen van Chavez in Venezuele, Lula in Brazilië en Kichner in Argentinië. Op de Amerikaanse Top in Argentinië eind 2005 werd de poging van Bush om de FTAA opnieuw op te starten van tafel geveegd door de “vijf draken”: Argentinië, Venezuela, Brazilië, Paraguay en Uruguay. Intussen werden Morales in Bolivië en Bachelet in Chili verkozen. Dit jaar vinden 11 parlements- of presidentsverkiezingen plaats in Latijns-Amerika. De kans dat linksere regeringen en/of presidenten aan de macht komen is reëel, ook en vooral in Mexico. Uiteraard zullen veel van deze presidenten en regeringen snel door de mand maar hun verkiezing drukt een afkeer van imperialisme uit en een radicalisatie onder de bevolking.

Hoe snel dat proces kan evolueren werd er meermaals geïllustreerd. In Venezuela werd Chavez tot driemaal toe gered door de tussenkomst van de massa’s. Chavez zelf evolueerde van een retoriek over “de derde weg” naar een meer en meer socialistische retoriek onder druk van diezelfde massa’s. Hij heeft het geluk beroep te kunnen doen op de oliebonus, maar zelfs in die omstandigheden vinden heel wat arbeiders dat Chavez niet ver genoeg gaat. Morales wordt nu al verwittigd dat hij 6 maand krediet krijgt om af te leveren, zoniet zal ook hij, net als de vorig presidenten opzij geschoven worden door de massa’s. Lula is op korte tijd de kampioen geworden van het neoliberalisme, maar dat heeft wel al geleid tot de creatie van de PSOL. De Zapatisten en commandante Marcos, de held van de andersglobalisten, boycotten de verkiezing van de linkse PRD-burgemeester in Mexico en spelen in hun kortzichtigheid rechts in de kaart.

De kritiek op de exheburante winsten van de multinationals neemt overal toe. Liefst 210 miljard € winst boekten de vijf grootste oliemultinationals – Exxon, Shell, Petrofina-Elf, Chevron en BP – in 2005. Zelfs in de VS gaan stemmen op, ook in het huis van Afgevaardigden, om minstens een deel van die winst af te romen. In Venezuela waren ze verplicht een joint-venture met de overheid aan te gaan en wordt 50% van de winst door de overheid afgeroomd. Bolivië en Ecuador eisen eveneens een herziening van de contracten van de multinationals in de gassector en in de oliesector.

Ook in Europa neemt het verzet tegen het neoliberalisme toe. Het was op militair vlak al eerder duidelijk door de omvang van de anti-oorlogsbeweging, maar politiek vond het vooral zijn uitdrukking in het verwerpen van de Europese grondwet in Frankrijk en Nederland. De Europese Unie is totaal gediscrediteerd. Tot twee keer toe zijn de dokwerkers er door massale mobilisatie in geslaagd de havenrichtlijn tegen te houden. Zelfs de dienstenrichtlijn van Bolkestein nochtans centraal in het doorvoeren van een hard neoliberaal beleid, raakte slechts in aangepaste vorm goedgekeurd. De beweging tegen het Generatiepact in België, de creatie van WASG en haar electorale doorbraak in de bondsverkiezingen weliswaar in kartel met de tot linkspartei omgedoopte PDS en de peilingen in Italië drukken een radicalisatie aan de basis uit. In Duitsland breidde de staking van 10.000 gemeentearbeiders in Baden-Wurtemberg tegen de verlenging van de arbeidsduur zonder aanpassing van het loon en de afschaffing van de eindejaarspremie snel uit naar 10 van de 16 deelstaten.

Van globalisering geleidelijk naar protectionisme

Indien Bush stelt dat de VS minder afhankelijk moeten worden van olie-import, vooral uit het Midden-Oosten, dan kan dit tellen als verklaring. Het wijst erop dat men stilaan afstapt van de ongebreidelde globalisering en dat de protectionistische maatregelen die voorheen nooit volledig verdwenen, opnieuw aan een opmars toe zijn. Het dicht draaien van de gaskraan naar Oekraine door Rusland stootte op enorme verontwaardiging, maar het heeft Rusland alvast een betere prijs opgeleverd en kon meetellen als waarschuwing aan het adres van Oekraine en Georgië. Het tijdperk waarin de overheid zich moest terug trekken en de vrije markt zijn gang moest laten gaan, loopt stilaan op haar einde.

Ondanks de geveinsde verontwaardiging over de houding van Rusland nadert de globalisering ook in Europa stilaaan haar keerpunt. Hoe anders moeten we het plotse verzet van Europese regeringsleiders en bestuursleden van de staalreus Arcelor tegen een overname door het Indische Mittal interpreteren? De Morgen en Le Soir vroegen zich rethorisch af of het verzet tegen die overname even groot zou zijn indien een Europese firma een Indische zou overnemen. Uiteraard niet, maar de beide kranten stampen niet meer dan een open deur in, niets nieuws onder de zon wat dat betreft. De nieuwigheid bestaat erin dat pakweg 3 of 4 jaar geleden iedereen zijn schouders had opgehaald en gezegd had, dat dit nu éénmaal globalisering was, die houding is weg. Uiteraard gaat het hier om een sleutelsector, wie voor staal volledig afhankelijk wordt van een ander land, laat staan een ander continent geeft uiteraard een deel van zijn/haar zelfstandigheid prijs en met een groeiend protectionisme in aantocht is dat geen aangename gedachte.

Mittal beweert intussen 50 tot 60% van de aandeelhouders (van Arcelor) te hebben gesproken en die zouden allen voor een overame gevonden zijn. Dat kan, in een tijdperk van econonomische contractie hebben kapitalisten de eigenaardige eigenschap liever winst te pakken vandaag dan te wachten op iets groters morgen als ze daar niet zeker van zijn. Als maatschappelijke klasse echter zijn de Franse, de Belgische en de Luxemburgse burgerij niet zomaar bereid hun orders uit India te krijgen, je weet maar nooit. Verhofstadt had dus maar mooi te eisen dat Mittal een industrieel plan op tafel zou gooien, alsof die van Arcelor mecenassen zijn.

Het hek is alvast van de dam. De dreigende overname van Gaz de France door een Italiaans nutsconcern was blijkbaar voldoende om een snelle fusie met Suez door te voeren zodat de overname onmogelijk werd. Oeps, gedaan met al de retoriek over liberalisering, competitie en het “gunstig prijseffect” dat dit op termijn zou hebben. Blijkt dat de fusiegroep 95% van de Belgische gasdistributie en 90% van de electriciteitsdistributie in handen zou krijgen. Een verplichte verkoop door GdF van SPE, indien Europees commisssaris voor concurrentie Nelie Kroes daartoe zou besluiten, zal daar trouwens weinig aan veranderen. Dan nog behoudt Electrabel een marktaandeel van respectievelijk 80 en 70%. Het hardnekkig verhaal over gunstig effect van de liberalisering voor de consumenten is trouwens larie, alle prijzen zijn sinds de liberalisering juist snel de hoogte in gegaan. Iedere consument heeft er nu een deeltijdse job bij: hij mag nu urenlang uitpluizen welke electriciteitsleverancier, welke van gas, telefoon, kabel etc… deze week goedkoper is dan de andere.

De ontwikkeling van wetenschap en techniek vergen een steeds meer doorgedreven arbeidsdeling in steeds efficiëntere productieéénheden. Vandaar dat de trend naar internationalisering van de productie onvermijdelijk is. Op kapitalistische basis stoot die trend echter voortdurend aan tegen het kortzichtige winstbejag van de kapitalisten die net om hun positie te handhaven verplicht zijn in te spelen op alle mogelijke mechanismen om de arbeidersklasse te verdelen. Het verklaart waarom ze racisme, xenofobie, sexisme enzovoorts uitspelen, zelfs indien ze af en toe lippendienst bewijzen aan multiculturaliteit etc… Die elementen van verdeling van de arbeidersklasse moeten niet enkel als een ideologisch offensief worden gezien. De realiteit is dat de burgerij door het opzwepen van racisme en seksisme de concurrentie op de arbeidsmarkt reëel verhoogt: de strenge asielwetgevingen bieden talrijke bedrijven de kans echt spotgoedkope arbeidskrachten aan te werven. De grijze economie wordt groter naarmate de overproductiecrisis harder toeslaat, zowel het zwart werk in het algemeen als de seksindustrie die vrouwen dwingt in hun levensonderhoud te voorzien door hun seksualiteit te verkopen. De bestaande burgerijen zijn niet in staat en evenmin bereid zich los te maken van hun nationale staatsapparaten, ze willen die integendeel achter de hand houden om in laatste instantie hun positie veilig te kunnen stellen.

De behoefte van de burgerij om beroep te doen op haar eigen nationale staat is uiteraard kleiner in periodes van economische expansie dan in periodes van economische inkrimping. Bovendien wegen nu eens de regionale belangen door op de nationale, dan weer omgekeerd. De nationale staat als laatste reddingsboei opgeven hoort daar echter niet bij. De productie heeft steeds meer nood aan arbeidsdeling, maar onder het kapitalmisme betekent dat slechts een nog intensievere uitbuiting. Dit systeem beantwoord niet aan de vereisten van moderne economie.

Het is die onverzoenlijkheid van de vereisten van een moderne economie met een intussen archaïsch systeem als het kapitalisme die verklaart waarom men steeds meer naar het wapen van het protectionisme grijpt, zelfs indien men weet dat de groei daardoor alleen maar meer wordt afgeremd. Het algemeen belang, zelfs vanuit kapitalistisch oogpunt, moet wijken voor het kortzichtige “grab and run”. Dat men steeds meer evolueert naar protectionisme betekent echter nog niet dat de globalisering nu weg is, zelfs niet dat protectionisme nu al de dominante trend is, het is een geleidelijk proces, maar één dat in de toekomst wellicht fors zal versnellen en een drastisch impact op wereldvlak zal hebben.

Economisch impact van protectionisme

Protectionisme is net als vrijhandel ingegeven door eigenbelang, het stoten van globalisering op haar limieten en deels ook een tegemoetkoming aan het verzet van de arbeidersbeweging tegen de extreme uitbuiting. Het is echter de verkeerde oplossing voor het verkeerde probleem. Sinds de val van de muur van Berlijn, maar vooral vanaf het midden van de jaren ’90 heeft de VS haar crisis systematisch voor zich uitgeschoven, deels door de hierboven beschreven politiek van militaire interventie, maar ook en vooral door het opendraaien van de kredietkranen op een tot nog toe ongekende manier. De VS deed de voorbije 10 jaar dienst als “buyer of last resort”, wat je elders niet kwijt kon, kon je steeds slijten op de Amerikaanse markt. Vorig jaar beliep het tekort op de betalingsbalans van de VS maar liefst 728 miljard $ (zowat 3 keer het BBP van België!) en het begrotingstekort zal dit jaar wellicht de 400 miljard $ overschrijden. De reêele rentevoeten (rentevoet – inflatie) waren tot voor kort negatief en zelfs vandaag zijn ze nog steeds extreem laag. Het is dus al jaren extreem goedkoop om te lenen waardoor niet aleen de overheid, maar ook bedrijven en particulieren aankijken tegen een enorme schuldenberg.

Ieder ander land zou in die situatie failliet zijn, haar munt zou instorten en iedereen die nog iets aan waarde heeft zou ermee wegvluchten. De VS blijven echter veruit de grootste economie op wereldvlak. Geen enkel ander land wenst dat deze economische reus zou instorten uit vrees dat hij de wereldeconomie in zijn val zou meesleuren. Vandaar de bereidheid om de VS-economie te blijven financieren en tegelijk de $ overeind te houden. Buitenlandse investeerders bezitten Amerikaanse staatsobligaties ter waarde van maar liefst 12 biljoen $, eigenlijk toekomstige bijdragen van de belastingsbetaler. Vooral China financierde tot nu letterlijk de handelsoverschotten in de VS door haar betalingsoverschot te beleggen in Amerikaanse obligaties, dat kan echter niet oneindig blijven doorgaan.

Toenemend protectionisme is naast een mogelijke instorting van de immobiliënmarkt één van de talloze factoren die die financiering in gevaar brengen. Aziatische en vooral Chinese nationale banken en kredietinstellingen zijn niet bereid alles te verliezen en proberen nu al hun reserves te diversifiëren over andere munten. Protectionistische maatregelen zullen zonder twijfel tegenreacties uitlokken en de financiering van de schuldenberg in de VS in het gevaar brengen. Als dat gebeurt dreigt de $ in te stuiken en zal de VS verplicht zijn de rentevoeten fors op te trekken waaardoor de consumptie zo goed als stil valt. Het zou weliswaar de VS-schuld in waarde doen dalen, maar de rest van de wereldeconomie, met inbegrip van Azië, in een neergaande spiraal meesleuren.

Economisten gaan ervan uit dat recessie gepaard gaat met een deflatoire trend (prijsdalingen) omdat bedrijven om hun afzet in stand te houden geneigd zijn de prijzen van hun goederen te laten zakken. In het begin van de jaren ’70 deed zich echter een tot dan toe ongekend fenomeen voor nl. economische recessie gecombineerd met hoge inflatie. Men gaf het fenomeen een nieuwe naam: stagflatie. We herkennen kenmerken ervan vandaag. Het volstaat te kijken naar de prijzen van duurzame consumptiegoederen als auto’s, huishoudapparaten ed. die al jaren stagneren of dalen door overproductie. De import van goedkope Chinese en andere Aziatische producten heeft eveneens een deflatoir effect. Daar staat het inflatoire effect (geldontwaarding met prijsstijgend effect) tegenover van de – door tekorten veroorzaakte – olieprijsstijgingen, het effect ervan op de prijzen van andere grondstoffen en de fenomenale winsten van de voorbije jaren die voor een overvloed aan kapitaal hebben gezorgd. Voorlopig wordt die overvloed aan kapitaal opgeslorpt door niet-productieve beleggingen in aandelen- en obligatiespeculatie en vooral door de immobiliën. Als die prijzen in elkaar stuiken komt die overvloed aan kapitaal vrij en zal het een enorm inflatioir effect veroorzaken. Als daarbij als gevolg van protectionisme de toevoer van goedkope Aziatische goederen wordt afgeremd belanden we weldra in een situatie van economische recessie gecombineerd met galopperende inflatie, kortom stagflatie.

Economische recessie, gecombineerd met een galopperende inflatie van 5 tot 8% en meer staat op de agenda, maar de juiste timing ervan is moeilijk in te schatten. Het kan ieder moment zijn, maar het kan even goed nog met een jaar uitgesteld worden. Hoe langer het uitstel, hoe harder de crisis zal toeslaan, net zoals het afkicken van een verslaving harder wordt met de duur ervan. Het effect ervan op de klassestrijd is moeilijk in te schatten. De vorige periode van stagflatie heeft een revolutionaire golf veroorzaakt die het systeem in zijn bestaan heeft bedreigd. Enkel de in de na-oorlogse periode opgebouwde reserves en de autoriteit van de sociaal-democratie en de communistische partijen waar ze over een massabasis beschikten, hebben de massabeweging uiteindelijk kunnen afremmen. Het volstaat echter de overblijfselen van mei ’68 – de democratiseringsbeweging in het onderwijs die nog steeds niet volledig ongedaan gemaakt is – of van de Portugese Anjerrevolutie of van de diverse coloniale revoluties in herinnering te brengen om het diepe impact ervan in te schatten.

België -Generatiepact

Het Generatiepact was in zekere zin een keerpunt in de Belgische situatie vergelijkbaaar met het effect van het verwerpen van de grondwet in Frankrijk en Nederland of de impact van Agenda 2010 en Hartz in Duitsland. Het illustreerde hoe relatief de greep van de vakbondsleidingen op hun basis is, bracht een nieuwe laag syndicalisten op de voorgrond en eindigde uiteindelijk in een soort wapenbestand. De regering en het patronaat kregen het pact erdoor, maar in zodanig afgezwakte vorm en met zoveel averij dat het meteen een pauze in hun offensief teweeg bracht. Het Generatiepact werd de bijna letterlijke bevestiging van wat we in de perspectieventekst van 2004 als besluit neerpenden. Geen enkele organisatie was erop voorbereid zoals de onze.

Dat was hoofdzakelijk te danken aan het feit dat we erop anticipieerden. De conferentie in 2003 rond de NAP en het congres van 2004 onder de titel “arbeidersstrijd centraal stellen” konden samen met de jongerenmars voor werk in het voorjaar 2005 niet beter getimed zijn. De staking op 7 oktober illustreerde het bestaan van een strijdbare laag jongeren in de bedrijven. Het was meteen een antwoord op de oudere laag intussen cynisch geworden syndicalisten voor wie geen strijd de moeite loont, tenzij hij start vanaf het hoogtepunt van de strijd die zij ooit meemaakten. De beste uitdrukking hiervan vonden we in een artikel in het krantje van de Beweging voor Vakbondsdemocratie (BVSD) onder de titel “een nederlaag zonder strijd”. Die laag heeft zich dusdanig opgesloten in haar “gelijk” dat ze niet meer in staat is nieuwe ontwikkelingen te herkennen, laat staan naar waarde te schatten. Ze loopt achter de feiten aan, hierin bijgestaan door de meest abscure sectes die denken hun moment de gloire te kennen.

Het belangrijkste effect van de strijd tegen het Generatiepact was ongetwijfeld de breuk tussen de basis van de vakbonden en de traditionele politieke partners, PS en SPa voor het ABVV en CD&V voor het ACV. Het kwam tot uiting in het protest aan het SPa congres in Hasselt, waar Vande Lanotte, de nieuwe voorzitter, meteen in navolging van Stevaert, uitpakte met zijn enige tot nog toe gevonden one-liner. Het was meteen een schot in de roos, een belediging aan iedere vakbondsactivist en een kanjer van een flater voor professor Vande Lanotte. Het vond ook zijn uitdrukking in een motie van de ABVV-delegatie bij Agfa-Gevaert die de vakbondstop opriep haar mandaat in het SPa-bureau op te geven.

Het Generatiepact heeft feitelijk een breuk veroorzaakt tussen SPa, PS en die minderheid van arbeiders, meestal syndicalisten die desondanks trouw gebleven waren in de illusie daarmee rechts te kunnen afremmen. De achterban van die syndicalisten in de bedrijven was trouwens meestal al eerder afgehaakt. Uiteraard is dat geen rechtlijnig procces, er bestaat nog veel twijfel en verwarring, maar de kloof is geslagen en hoewel de nood aan iets nieuw zich niet steeds even sterk laat aanvoelen, is het onwaarschijnlijk dat die kloof nog gedicht wordt.

De PS probeert zich nu op haar linkerflank kost wat kost af te dekken. Onder meer door het bezit van cannabis te gedogen tot 5 gram, door zich te profileren op enkele ethishe dossiers en door te pleiten voor het verlagen van de drempel voor syndicale vertegenwoordiging van 50 naar 20 werknemers, weliswaar mits afzwakking van de syndicale bescherming. Na haar ondersteuning van het Generatiepact en haar eigen neoliberaal herstelplan voor Wallonië gecombineerd met de talloze schandalen waarin de partij de jongste maanden was betrokken, lijkt het onwaarschijnlijk dat dit zal volstaan. Hoewel Di Rupo geen vragende partij is voor communaiutair opbod, ziet het er veel warschijnlijker uit dat de PS zich zal profileren als verdediger van de franstalige belangen tegen de Vlaamse agressie, onder meer voor alweer bijkomende bevoegdheden voor de gewesten.

Di Rupo kan er nog mee wegkomen, maar of het zal volstaan om een zwarte zondag te vermijden, dat is zeer twijfelachtig. Voor de SPa wordt het nog moeilijker. Die heeft zich jarenlang geprofileerd als auteur van het neoliberalisme. Het populisme waarmee Stevaert dat naar de achtergrond kon verdringen is Vande Lanotte en compagnie niet gegeven. Freya’s aankondiging dat ze de petroleumsector zou laten meebetalen voor de energiecheques en de manier waarop ze afging nadat bleek dat het eigenlijk om een geschenk aan de petroleumsector ging, leverde haar in Knack de veelzeggende titel op: “Freya, de excuses zijn op”, dan nog geplaatst tussen twee vrouwenbenen, een paradie op haar eigen eerste kiescampagne. Freya is intussen weggezakt uit de top 10 van populairste politici.

Vande Lanotte deed nog een schamelijke poging om zijn blazoen op te poetsen. Met zijn aankondiging het aantal militairen te willen halveren wou hij anti-militaristen en pacifisten paaien. Die herinnerden zich echter dat SPa de Europese grondwet steunde waarin net gepleit wordt voor meer militaire uitgaven. Bovendien verontrustte Vande Lanotte 40.000 militairen en hun gezinnen omdat hij hun beroofde van jobzekerheid zonder enig alternatief aan te bieden. De SPa-top staat zo veraf van arbeiders en hun gezinnen dat het totaal uitgesloten lijkt dat ze hiervan nog hersteld raken. De ontwerpteksten voor hun zogenaamde reeks van 3 ideologische congressen, de pro-congressen, laten het ergste veronderstellen, ze lezen zoals de burgermanifesten van Verhofstadt in het begin van de jaren ’90.

Tegenstelling arm/rijk

Staatssecretaris Bruno Tuybens, een voormalig ethish bankier, benoemd door Vande Lanotte, vertegenwoordgt het kleinburgerlijk type politici dat het vandaag in de SPa voor het zeggen heeft. Zonder overleg met de managers zelf vond hij niet beter dan in het kader van de bestuurlijke openheid de lonen van de topmanagers in de overheidsbedrijven publiek te maken. Hij ging zelfs nog een stap verder en vond dat het maar normaal was dat de belastingsbetaler, “in zekere zin de aandeelhouder”, inspraak kreeg in het variabel gedeelte van hun loon. Benieuwd wat de echte aandeelhouders hiervan vinden. ACOD-spoor liet alvast weten deze lonen bij de volgende onderhandelingen mee op tafel te gooien. Bruno’s collega Jannie gaat aangename besprekingen tegemoet.

Eerder al had de publicatie van een aantal lonen van topmanagers in de private sector eveneens een golf van verontwaardiging veroorzaakt. Het leidt geen twijfel dat de affaire Coene bij Picanol mee de grimmigheid in de strijd tegen het Generatiepact helpt verklaren. Die kloof tussen arm en rijk wordt in Galbraiths’ klassieker “The great crash” over de cisis van ’29-‘33 trouwens aangehaald als verklaring voor de diepgang ervan. Galbraith verwijst naar de beperkingen die later op de toplonen gezet werden en de verhoging van de werknemerslonen om een herhaling van ’29-’33 uit te sluiten. De kloof waarnaar Galbraith verwees is vandaag terug en wellicht nog veel dieper dan toen.

De managerslonen mogen dan al afsteken tegen de lonen van de andere loontrekkenden, ze zijn slechts een minieme fractie van wat de echt hele rijken, de grote aandeelhouders op zak steken. Bedrijven boeken recordwinst na recordwinst. De KBC bijvoorbeeld deed 39% beter in 2005 dan in 2004, goed voor een netto-winst van 2,25 miljard € of 90 miljard bfr, meer dan het dubbele van de winsten van alle bedrijven samen 25 jaar geleden! Wie 5% van de aandelen van Dexia bezit, steekt voor 2005 netto zo’n 35 miljoen € aan dividenden op zak, dat is 14,5% of 5 miljoen € beter dan in 2004.

Patronale guerilla in afwachting van Strategie 2010

Na het Generatiepact lanceerde het VBO haar Strategie 2010, een combinatie van de Lissabon-strategie en Agenda 2010 van Shröder. Dat neoliberaal receptenboek pleit onder meer voor verlenging van de arbeidstijd zonder aanpassing van de lonen, afschaffing van de index, een verdere daling van het indirecte loon, een beperking van het recht op een werkloosheidsuitkering tot 3 jaar, een forse inkrimping van ambtenaren etc… In het sociaal overleg mocht UNIZO, de organisatie van kleine ondernemers, een balonnetje oplaten om de index af te schaffen. Zowel het VBO, als de SPa, de VLD en de MR haastten zich echter om te stellen dat de index in dit stadium niet ter discussie stond, wellicht omdat ze ook wel begrijpen hoe gevoelig dat ligt. Het weerhield hen er echter niet van de samenstelling van de indexkorf aan te passen aan de realiteit en wel zodanig dat de spilindex pas in oktober in plaats van april overschreden wordt. Op die manier steken overheid en patroons alweer een flinke duit op zak.

De grote aanval verwachten we echter niet voor de gemeenteraadsverkiezingen in oktober, alhoewel dit mogelijks doorkruist wordt door de economische situatie. Intussen verwachten we eerder een soort guerilla-taktiek van het patronaat, waarbij hier en daar aanvallen plaats grijpen, maar niet volgens een veralgemeend plan. We denken daarbij aan de Gentse papierfabriek Stora waar na de staking van vorig jaar 2 vakbondsafgevaardigden van het ABVV onrechtmatig afgedankt werden. De lokale vakbondsleiding organiseerde wel een obligate fakkeltocht, maar verder kwam ze niet. Voorts is er de delocalisatie van de administratie bij Inbev-Jupille naar Tsjechië en Hongarije, de invoering van Georoute II bij De Post en de liberalisering bij de NMBS. Een lange lijst van dergelijke zaken is mogelijk.

Opvallend daarbij is de dreiging van sluiting bij Vorst. Nauwelijks een jaar na het corruptieschandaal bij VW-Duitsland klaagt de directie over miljoenen verliezen bij de Duitse afdeling. Dat de Volkswagengroep in zijn geheel 1,12 miljard euro winst boekte in 2005, een verdubbeling ten opzichte van het voorgaande jaar, is naar verluid onvoldoende. Resultaat: de arbeidstijd bij VW-Duitsland moet opgetrokken worden van 28,8u naar 35u (eerder was de arbeidstijd verkort met loonverlies). Daardoor zal 20 000 man minder zijn vereist bij ongewijzigde productie. 14 000 kunnen worden opgevangen via natuurlijke afvloeiingen, de overige 6000 komt ongeveer overeen met Vorst waar de Golf wordt geproduceerd, een model dat ook in Duitsland van de band loopt. Het ACV maakt zich ‘zorgen’, maar het ABVV houdt vast aan de belofte van de grote baas dat men niet aan sluiting denkt. Met dergelijke makke houding van de bonden in België, zou de keuze van de VW-patroons snel gemaakt zijn.

We hoeven maar terug te denken aan de sluiting van Renault Vilvoorde, Sabena en de sanering van 3.000 arbeidsplaatsen bij Ford Genk om de impact van een sluiting van Vorst in te schatten. Temeer daar een sluiting, als ze al op de agenda staat, wellicht eerder voor het najaar of voorjaar 2007 zal zijn, dus in hetzelfde tijdvak waarin het IPA wordt onderhandeld en wellicht een aanval op de index, vermoedelijk via all-in akkoorden, op de agenda staat. Als dat plaats grijpt kondigt zich een nog hardere strijd aan dan tijdens het Generatiepact. Het verraderlijke van een splitsing langs communautaire lijnen van de CMB, als die doorgaat zoals gepland voor april aanstaande, zou meteen aan het licht gebracht worden. Volkswagen is immers het bedrijf bij uitstek waar Vlamingen en Walen samen in ongeveer gelijke aantallen aan de band staan.

Hoe belangrijk een goede syndicale delegatie wel is, wordt aangetoond in de reactie van de vakbonden op het plan Vandenbroucke. Die wil immers de financiering van de hogescholen en de universiteiten bevriezen, afstemmen op de uitstroom en evolueren naar elite-onderwijs voor de happy-few, waarbij enkel de KUL zou winnen en alle andere instellingen fors zouden moeten besparen op hun werkingsmiddelen. Zonder de delegatie van de VUB zouden de vakbonden volledig buiten spel gezet zijn en de instellingen tegen elkaar uitgespeeld. De hoofddelegee begon echter een campagne onder zijn leden voor een betoging in Vanden Broucke’s kiesdistrict Halle. Hij slaagde erin, met de hulp van ALS zowel personeel als studenten op zijn hand te krijgen. In die mate dat de nationale vakbonden wel moesten bewegen. Blijkbaar zijn nu drie mobilisatiedata naar voor geschoven, in Brussel, Gent en Antwerpen. Uiteraard zijn dit belangrijke momenten voor al onze syndicalisten en studenten.

De echte, veralgemeende uitdaging zal echter wellicht moeten wachten tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober dit jaar. Die zullen een belangrijke test worden voor de federale regering. Eerder vermelden we al dat in Wallonië een zwarte zondag op het agenda staat, in Vlaanderen wijzen de opiniepeilingen eerder een status quo, d.w.z. een lichte achteruitgang voor VLD en SPa en een lichte vooruitgang voor CD&V, het Vlaams Belang zou stagneren in de peilingen, maar de praktijk heeft uitgewezen dat de partij doorgaans beter scoort in echte verkiezingen dan in peilingen. Groen staat steeds meer onder druk om “progressieve” kartels te vormen.

De burgerij had wellicht vervroegde federale verkiezingen gewenst om snel werk te maken van Strategie 2010. Aangezien een oplossing vereist is voor Brussel-Halle-Vilvoorde en de Vlaamse partijen wellicht iets in ruil wuillen voor het feit dat de splitsing niet zal doorgaan staan echter eerst nog zware communautaire onderhandelingen op de agenda. Hoe dat te rijmen valt met een patronaal offensief in het najaar is moeilijk in te schatten, maar als afleider om de regering te laten vallen en te vermijden dat ze valt over sociale thema’s zou dat niet slecht uitkomen.

Een nieuwe arbeiderspartij

Hoewel de discussie rond een breuk met SPa en PS sinds het einde van het Generatiepact iets meer naar de achtergrond verschoven is, blijft ze toch met de regelmaat van een klok opborrelen. Zo was er de vingerwijzing aan Vande Lanotte door Xavier Verboven die de relatie met de SPa naar aanleiding van diens pro-congressen ter discussie stelde omdat die zich teveel richt op de middengroepen. Zelfs de Morgen pleitte ervoor dat de SPa meer rekening moest houden met wat leeft in de vakbonden. Achteraf ontkende Verboven wel dat hij het zo bedoeld had en stelde het voor alsof het de normaalste zaak is dat het ABVV haar relatie met SPa op nationale congressen herbekijkt. Wie het ABVV kent, weet dat dit onzin is. Als het ABVV zich hierover buigt dan betekent dat dat er aan de basis forse druk wordt uitgeoefend. Dat zou overeen stemmen met wat wij merken op de talloze meetings met Jef Sleeckx overal ten lande. Verbovens’ slip of the tongue is alvast koren op de molen, al had hij dat wellicht liever vermeden.

Uiteraard heerst er nog veeel verwarring. De pers doet haar uiterste best om SPa-Rood te promoten, in de hoop dat de SPa op die manier haar greep op de vakbonden zou behouden. Spijtig dat SPa-Rood en vooral de Vonkisten zich hierbij laten instrumentaliseren. De koers van de SPa bijsturen, zoals SPa –Rood beweert na te streven is echter al lang onmogelijk geworden. De sociale basis, laat staan de democratische structuren, daarvoor bestaan eenvoudigweg niet meer. Het is hooguit een links schaamlapje voor vakbondsbureaucraten om hun militanten aan het lijntje te houden. De SPa verlinksen zal eerder van buitenaf gebeuren dan van binnenuit. Enkel een concurrentie op haar linkervleugel kan de partijtop doen inzien dat ze ook die flank moet indekken. Zelfs dan is het proces van verburgerlijking wellicht te ver gevorderd om van de SPa ooit nog een (burgerlijke) arbeiderspartij te maken.

Jef Sleeckx en ook Georges Debunne zijn tot diezelfde conclusie gekomen. Over zijn ondertekening van SPa-Rood zegt Jef dat hij dit getekend heeft omdat hij een initiatief om links te verenigen binnen SPa uiteraard genegen is, maar dat hij er zelf niet in gelooft en dat hij er zeker de woorvoerder niet wil van zijn. Maar dat betekent nog niet dat Jef niet zou twijfelen aan de levensvatbaarheid van een initiatief links buiten de SPa. Niet voor niets wil hij eerst het terrein aftasten. Uiteraard moeten wij doen wat in ons bereik ligt om hem daarbij te helpen en te stimuleren.

Eenzelfde, zij het minder ontwikkelde, trend merken we in de relatie ACV/CD&V. Niet voor niets verklaarden de bisschop van Luik en de hulpbisschop van Namen naar aanleiding van de delocalisatie van Inbev-Jupille: “Als de economische wetten geen rekening houden met de mens, moeten die wetten veranderen”. Eerder had de bisschop van Antwerpen kritiek geuit op de onmenselijkheid van het asielbeleid. Wat hier naar voor komt is christelijke naastenliefde. Datzelfde fenomeen dat verklaart waarom ondanks de collaboratie relatief weinig joden uit onze contreien tijdens WOII gedeporteerd werden in vergelijking met bijvoorbeeld Nederland en Frankrijk. Heel wat hulporganisaties aan mensen zonder papieren zijn van christelijke inslag. We weten dat naastenliefde systeembevestigend is en paternalistisch, dat socialisten integendeel voor solidariteit zijn en gezamenlijke strijd. Toch zien we dat zelfs de christelijke naastenliefde vandaag niet strookt met de brutale rechtse politiek waarvoor CD&V staat, vroeg of laat moet dat tot een scheiding leiden, ook en vooral met de ACW.

Er bestaat wel degelijk een potentieel voor een nieuwe formatie, of beter nog een federatie van stromingen die zich verzetten tegen het neoliberalisme. Figuren met een autoriteit in de arbeidersbeweging als Debunne en Sleeckx kunnen als kristallisator van dit proces een beslissende rol spelen en zorgen dat er op de cruciale momenten reeds een geraamte van organisatie aanwezig is. Het zullen echter vooral de concrete gebeurtenissen zijn waardoor de massa’s een alternatieve formatie zullen doen vollopen. Dat is mogelijk in de strijd tegen een nieuw competitiviteitspact in het kader van de IPA-onderhandelingen in het najaar en zeker indien rond een voorstel tot sluiting of afslanking van Vorst strijd wordt geleverd.

Volgens de voorziene timing zou een nieuwe formatie gelanceerd worden in september dit jaar. Wij oefenen druk uit om dan een grote conferentie bijeen te roepen van allen die ervoor willen gaan. Het enorme voordeel is dat Sleeckx zelf opteert voor een nationale formatie, niet racistisch, met zowel ACV’ers als ABVV’ers en hoewel hij stelt dat klein links die formatie niet mag domineren – waarmee we het eens zijn omdat dit niet zou stroken met het bewustzijn van brede lagen vandaag – voorziet hij ook voor klein links een belangrijke plaats binnen die formatie.

Gevaren en mogelijkheden

De creatie van een nieuwe formatie bevat uiteraard gevaren. Reformisme zal nooit veraf zijn en kan die formatie stuk doen lopen. Het bestaan van een brede, meer toegangkelijke formatie, met vooral veel minder vereisten aan de leden en een op het eerste gezicht minder grote uitdaging als een revolutionaire organisatie, kan een aanzuigeffect uitoefenen op onze leden. Onze leden kunnen de nieuwe formatie, vooral daar waar we die zelf moeten dragen, modelleren op onze revolutionaire organisatie en er daardoor in opgeslorpt geraken of zelfs de nieuwe formatie kelderen door te hoge vereisten. We moeten daar allemaal rekening mee houden.

Zonder deze gevaren te willen negeren en/of minimaliseren, denken we dat dit op dit moment niet de grootste gevaren zijn. Het grootste gevaar tot nog toe is dat die formatie helemaal niet van de grond komt. Dat zou betekenen dat we voor onvoorziene tijd aangewezen zijn op onze eigen krachten en dat rechts nog een tijdlang haar politiek monopolie in stand kan houden. De overgrote meerderheid van LSP werd politiek actief in de jaren ’90, in onze contreien jaren van milde reactie. Ze hebben nooit kunnen ervaren wat het betekent de stroom mee te hebben of alvast niet tegen. Ze zijn gewoon voor ieder blad, iedere euro strijdfonds, iedere contact te moeten knokken. Dat is goed, maar het kan leiden tot een conservartieve reflex, het niet zien of onderschatten van de mogelijkheden. Het opbouwen van een revolutionaire organisatie gebeurt nochtans in hoofdzaak op basis van het grijpen van de kansen als ze zich voordoen.

Hier ligt voor ons de kans om de arbeidersbeweging te helpen bij de creatie van een eigen politiek instrument. In tegenstelling tot het verleden kunen we daarbij van bij het begin een belangrijke rol spelen en niet de minste. Deze partij zal niet van bij het begin revolutionair zijn, maar een weerspiegeling van het brede palet aan schakeringen binnen de arbeidersbeweging. Het zal echter en instrument van strijd, ervaring en discussie zijn. Onze voorstellen zullen daar integraal deel van uitmaken Een flexibele maar principiële houding zal, ons de appreciatie van bredere lagen opleveren. Als we voldoende aandacht hebben voor de eigen structuren, zonder te vervallen in sectarisme, zullen we de fundamenten kunnen leggen voor een kleine revolutionaire massapartij, erkend en gewaardeerd binnen de arbeidersbeweging.

Delen: Printen: