Home / Belgische politiek / Nationaal / Collaboratie, extreemrechts en de N-VA

Collaboratie, extreemrechts en de N-VA

Bob Maes (ex-VMO) met Ben Weyts en Theo Francken. Foto gepubliceerd door AFF

De afgelopen dagen leek de kritiek op de nieuwe regering opmerkelijk veel te gaan over het aangebrande karakter van een aantal N-VA excellenties. Het klopt dat er in de N-VA een aantal figuren zitten met een verleden van steun aan collaboratiekringen, meer nog de partij komt voort uit deze traditie. Maar dit was ook al het geval, en had meer gewicht, toen de PS nog met de Volksunie in een zelfde regering zat. Enkele verduidelijkingen over de collaboratie, extreemrechts en de N-VA.

Artikel door Geert Cool

De Vlaamse Beweging en de collaboratie

De collaboratie met de Duitse nazi-bezetting in 1940-44 was uiteraard geen puur Vlaamse aangelegenheid. Er waren regionale verschillen, ook in Vlaanderen zelf was dat het geval. Een studie van Huyse en Dhondt naar de afkomst van de collaborateurs stelde vast dat 62% Nederlandstalig was en 38% Franstalig, ongeveer eenzelfde verhouding als tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in het land.

De reden waarom de Vlaamse collaboratie bekender is, heeft alles te maken met het bestaan van sterk georganiseerde uitdrukkingen hiervan. Meer bepaald was er het VNV dat over ongeveer 100.000 leden beschikte. Ter vergelijking: geen enkele Belgische partij komt vandaag aan dat aantal. Het VNV ging volop mee in de collaboratie, leverde oorlogsburgemeesters en stapte ook mee in de retoriek van de nazi’s. VNV-leiders als Staf De Clerq schuwden de anti-Joodse uitspraken niet. Zo stelde hij in 1940: “Er is maar één oplossing. Zuivering van ons gehele volkslichaam. Totale en volledige uitschakeling van de jood uit het gezonde volkslichaam. (…) Wij zijn nationalisten, dat wil zeggen, wij staan op de leer van ons volk, cultuur en bloed. De jood behoort niet tot ons volk, nog veel minder tot ons bloed. En hij heeft de cultuur die erop gericht is de christelijke cultuur te vernietigen. Wie niet arbeidt is een parasiet. Wie zag de jood ooit arbeiden? De jood steelt, plundert, bedriegt, sjachert.”

Dit was de retoriek van de leiders van het VNV. Na de oorlog werden heel wat collaborateurs vervolgd. De heropgerichte Vlaams-nationalistische kringen baseerden zich voornamelijk op dergelijke collaborateurs, gezien het gewicht van het VNV was dat niet verwonderlijk. Vanuit deze Vlaamse beweging die zich eerst in katholieke kringen hergroepeerde, ontstond de Volksunie en nadien het Vlaams Blok. Historicus Bruno De Wever stelde enkele jaren terug (naar aanleiding van een vorige collaboratierel als gevolg van een opiniestuk van zijn broer Bart): “Na de oorlog heeft de brede Vlaamse beweging de collaboratie inderdaad in haar schoot opgenomen, via vergoelijking en verzwijging. Vlaanderen kende een blad als ’t Pallieterke, een historicus als Arthur De Bruyne, die sympathieke en vlotte boeken schreef over collaborateurs. Er waren de IJzerbedevaart, dichters als Anton Van Wilderode, of de krant De Standaard, een trait-d’union tussen de democratische, katholieke intellectueel en de Vlaamse collaborateur.”

Het feit dat een groot deel van de Vlaamse beweging voortkwam uit de collaboratie zorgde ervoor dat deze collaboratie steeds werd goed gepraat en dat amnestie voor de collaborateurs een belangrijke eis was. Ook Bob Maes (de Zaventemse N-VA’er die destijds verantwoordelijk was voor de Vlaamse Militanten Organisatie, die bij haar ontbinding werd opgevolgd door de Vlaamse Militanten Orde van Bert Eriksson) bevestigde dit nogmaals toen hij op televisie Staf De Clercq goed praatte. Alleszins waren organisaties van collaborateurs zoals het Sint-Maartensfonds integraal onderdeel van de Vlaamse Beweging en deden organisaties en politici die zich hierop beroepten niet moeilijk over het karakter van dat Sint-Maartensfonds. Toen het Sint-Maartensfonds eind jaren 1980 van de Europese lijst van extremistische organisaties werd gehaald, gebeurde dit met steun van zowat alle Belgische Europarlementsleden. In 2001 moest Johan Sauwens wel ontslag als minister nemen wegens zijn aanwezigheid op een feest van het Sint-Maartensfonds.

Vandaag blijft er niet veel over de collaboratiekringen die stilaan uitgestorven zijn. Het Sint-Maartensfonds bestaat niet meer. Ook de Vlaams-nationalistische partijen hebben hun retoriek aangepast, bij Vlaams Belang kan de kandidaat-voorzitter bijna ongestraft neerbuigend doen over de IJzerwake en wordt amper nog gepleit voor amnestie. Idem bij N-VA. Dit betekent niet dat het collaboratieverleden niet meer aanwezig is, alleen is het belang ervan afgenomen.

Als Jambon verklaart dat de collaborateurs wel “hun redenen” hadden, maar dat hij zelf niet in die tijd leeft en er niet over oordeelt, volgt hij het standpunt van De Wever toen die in 2010 onder vuur werd genomen. De Wever verwees toen naar een uitspraak van de Franse president Mitterand. “Of zoals François Mitterrand het zei toen men hem confronteerde met zijn verleden als ambtenaar in het collaborerende Vichy-regime: ‘On ne tourne pas le dos à ce qu’on était, on change, c’est tout.” Ook daar kan een rechtvaardiging van de collaboratie in gelezen worden. En ja, eens te meer kan De Wever naar de socialisten verwijzen om zijn standpunt goed te praten.

De ene VMO is de andere niet…

De aanwezigheid van Ben Weyts en Theo Francken op een verjaardagsfeest van Bob Maes werd aangegrepen om fors uit te halen. Er werd gesproken over een nazicollaborateur die bovendien verantwoordelijk was voor de VMO, een verboden privémilitie. Dat Bob Maes politiek gezien zo zwart als een stoof was, staat buiten kijf. De man was tijdens de oorlog als jongere lid van het VNV en de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen. Dat de Vlaamse Militanten Organisatie (de eerste begin jaren 1970 ontbonden VMO) niet dezelfde privémilitie als de Vlaamse Militanten Orde (de tweede VMO opgezet door de radicale neonazi’s rond Bert Eriksson), klopt eveneens. Maar het maakt van de eerste VMO geen lieverdjes, het is geen toeval dat de militanten van de tweede VMO zich op deze traditie baseerden.

De rol van Bob Maes en andere VU’ers hierin was al langer bekend en vormde ook voor de PS geen probleem om meermaals in een regering met de Volksunie te stappen. Dat gebeurde overigens ook op een ogenblik dat Maes nog als senator voor de VU in het parlement zat. Dat was meer bepaald het geval voor de regeringen Tindemans II en Vanden Boeynants II.

Zonder de VMO van Bob Maes was ook de tweede radicalere VMO van neonazi Bert Eriksson er niet gekomen. De tweede VMO is veroordeeld als privé-militie, maar ook bij de eerste VMO stelden zich heel wat juridische problemen door gevallen van geweld. Dit was geen onschuldig clubje, het was wel wat meer dan een ‘plakploeg’. Net zoals veel N-VA’ers vandaag dubbelzinnig blijven over de collaboratie, is dat ook over andere gewelddadige episodes uit het verleden van de Vlaamse Beweging het geval.

Extreemrechts?

Kunnen we hieruit besluiten dat N-VA extreemrechts is? Niet alleen worden de collaboratie en het geweld van de eerste VMO goedgepraat, er zijn ook de foto’s van Jambon die naar Le Pen gaat luisteren en eerder ook van De Wever samen met Le Pen. De vriendenclub van Theo Francken noemde zich naar het VNV. En er zijn de vele VB’ers die de overstap naar N-VA hebben gezet. Mogelijk wordt Jan Jambon als burgemeester van Brasschaat door zo’n overgelopen Vlaams Blokker van het eerste uur opgevolgd, met name Luc Sevenhans. Binnen de NSV (studentenclub van het VB) is er zowel sympathie voor hardere extreemrechtse stromingen zoals Gouden Dageraad als voor N-VA.

Die elementen zijn allemaal aanwezig, maar toch waarschuwen we om de omschrijving ‘extreemrechts’ niet te minimaliseren. In essentie is de N-VA een kleinburgerlijke formatie, een politieke uitdrukking van kleine ondernemers die weg geconcurreerd worden door grote bedrijven en die zich afzetten tegen het establishment waar ze zelf maar al te graag tot zouden behoren. Een extreemrechtse kracht die haar posities ook wil afdwingen met straatgeweld, wat bij het VB wel aanwezig was, is N-VA niet. Sommige N-VA’ers, zoals Francken, doen denken aan de rechtse populisten zoals Wilders of de Deense Volkspartij.

Met het populistische discours kan de N-VA een breder ongenoegen electoraal vertalen waardoor er ook figuren van diverse pluimage worden aangetrokken. Van voormalige Vlaams Blokkers tot liberale Porsche-liefhebbers. De aanwezigheid van extreemrechtse elementen volstaat niet om de partij volledig als extreemrechts te bestempelen.

De N-VA is nog steeds een kleinburgerlijke partij, die de mening vertegenwoordigt van de kleine bazen in Vlaanderen. O.a. het “gezonde verstand” dat zegt dat wanneer het in Vlaanderen minder goed gaat, “we” dan moeten stoppen de “socialistische politiek” in Wallonië te subsidiëren. De wil ook om af te raken van een aantal (of alle) beschermingsmechanismen op de arbeidsmarkt, zonder oog voor het behoud van het kapitalisme als systeem… De N-VA combineert die eisen van Voka – een zakelijk en cijfermatig Vlaams-nationalisme gebaseerd op economisch egoïsme – met een meer romantische vleugel van historische Vlaams-nationalisten.

Weg met deze regering!

De kritiek op Jambon en Francken is gebaseerd op correcte elementen. Maar door de aandacht quasi alleen hierop te vestigen dreigt de discussie over het asociale karakter van de rechtse regering al gauw naar het communautaire terrein verlegd te worden, iets wat de PS al enige tijd doet. Het ontslag van Jambon en Francken zou niet volstaan om een einde te maken aan de openlijke aanval op alle sociale verworvenheden die door deze rechtse regering is ingezet. Het probleem is niet dat er enkele rotte appels in de regering zitten, het probleem is dat het volledige beleid tegen onze belangen ingaat. De aanvallen treffen ons allemaal, zowel Vlamingen als Franstaligen, zowel werkenden als uitkeringstrekkers. Het zal er op aankomen om allen samen in verzet te gaan tegen deze regering van de rijken.

One comment

  1. Pingback: Is standpunt De Wever over collaboratie ‘gratuit’ en ‘laattijdig’? | Linkse Socialistische Partij