Home / Belgische politiek / Nationaal / NEEN aan de 67! Argumenten tegen een verhoging van de pensioenleeftijd

NEEN aan de 67! Argumenten tegen een verhoging van de pensioenleeftijd

67zonderHet sloeg in als een bom. De regering is het nog niet eens wie welk postje zal krijgen, maar wel dat wij twee jaar langer moeten werken. De verhoging van de pensioenleeftijd stond niet eens in de neoliberale verkiezingsprogramma’s van de rechtse partijen. Het is een bijzonder gevoelig thema. En toch beslist de regering om in 2025 de leeftijd tot 66 jaar op te trekken in 2030 tot 67 jaar. De onderliggende boodschap is dubbel: enerzijds dat deze regering er hard invliegt en anderzijds ook dat het hierna niet gedaan is. Als het van de Zweedse partijen afhangt, zitten we decennialang met de gevolgen van hun beleid opgescheept.

We leven langer, dus is langer werken toch normaal?

Het meest voorkomende argument om een verhoging van de pensioenleeftijd te rechtvaardigen, is het feit dat de levensverwachting stijgt. Dat is inderdaad het geval. Maar beperken we het criterium voor pensioenleeftijd tot de levensverwachting? Kijken we met andere woorden niet naar hoe de arbeidsloopbaan er uit ziet, naar hoeveel jobs er beschikbaar zijn, naar de complexiteit van de bestaande jobs,…?

Wat in het pensioendebat steevast aan de kant wordt geschoven, is de toenemende productiviteit van de werkenden. Het klopt dat werkenden twintig jaar geleden na hun pensionering een kortere levensverwachting hadden dan werkenden die vandaag op pensioenleeftijd komen. Maar de werkenden vandaag hebben wel veel meer bijgedragen. In 1980 waren we voor elk gewerkt uur 111% productiever dan in 1965. Tussen 1980 en 1995 was er een toename met 36% en in 2009 waren we per gewerkt uur 15% productiever dan in 1995.

Deze scherpe toename van de productiviteit houdt in dat we meer produceren op dezelfde tijd. We dragen meer bij aan zowel de werkgevers als de gemeenschap. Deze productiviteitsstijging kan niet alleen aan technologische vernieuwingen toegeschreven worden, er is ook een stijgende werkdruk. De cijfers van de burn-outs en stress bevestigen dit. Waarom zouden we nadat we evenveel jaren harder gewerkt hebben niet enkele jaren extra van een pensioen mogen genieten? Of moeten we werken tot we erbij neervallen?

Maar de pensioenen worden door de vergrijzing toch onbetaalbaar?

Het spook van de vergrijzing is al enkele keren weerlegd. Enkele jaren geleden al wees pensioenspecialist Gilbert De Swert er in het boek ’50 grijze leugens’ op dat de verhouding tussen werkenden en niet-werkenden niet fundamenteel zou wijzigen tegen 2060. Voor alle 100 werkenden waren er bij het verschijnen van het boek in 2005 stonden er 139 niet-werkenden. Tegen 2060 zouden dat er 152 zijn of amper 8% meer. Om dat mogelijk te maken zou er ieder jaar 0,11% van het bbp extra nodig zijn.

Bovendien is het een vraag van prioriteiten. Kunnen middelen vrijgemaakt worden voor gepensioneerden of is alles al opgesoupeerd aan fiscale cadeaus, lastenverlagingen, geld voor de banken, intrestbetaling op de overheidsschulden,…? Van de waarde die we als werkende produceren, gaat een steeds groter deel naar uitbetaling van dividenden aan grote aandeelhouders. Met de door ons geproduceerde waarde gaan zij speculeren en gokken. Moesten we de speculanten nu eens geen miljarden meer toestoppen maar dit aan leefbare pensioenen besteden?

Om een cijfer te vermelden dat destijds door De Swert werd aangehaald. Hij haalt Franse cijfers aan: in 1980 waren dividenden goed voor 4,2% van de loonmassa, in 2008 was dat 12,9%. “Anders gezegd: Franse werknemers werkten toen 72 uren in een jaar voor de aandeelhouders, nu 189 uren”. De afgelopen jaren is de bijdrage aan de sociale zekerheid overigens niet gestegen, maar net afgenomen. In 1980 ging 20,7% van het bbp naar sociale zekerheid, in 2010 was dat 19,6%. Er wordt dus niet meer maar net minder uitgegeven.

Werken tot we erbij neervallen?

We hadden het hierboven al over de stijgende productiviteit die ook leidt tot meer burn-outs, stress en andere gezondheidsproblemen. De stijging van het aantal 50-plussers dat aan de slag is, momenteel gaat het om 52,3% van de 50-64-jarigen tegenover 40,9% tien jaar geleden, leidt nu reeds tot een toename van het aantal arbeidsongeschikten en zieken in die categorie. Deze zomer werd gesproken over een toename met 20%.

Eurostat merkt op dat we gemiddeld gezond blijven tot 63,3 jaar (mannen) en 63,5 jaar (vrouwen). Dat cijfer ligt dicht bij de actuele uitstapleeftijd uit de arbeidsmarkt. Maar die leeftijd wil de regering dus optrekken. De toename van de arbeidsongeschiktheid onder oudere werkenden is een logisch gevolg van de verhoging van de uitstapleeftijd gekoppeld aan een stelselmatige opvoering van de werkdruk en productiviteit met bijhorende fysieke en psychologische belasting.

In de buurlanden is de pensioenleeftijd toch ook opgetrokken?

Correctie: niet in alle buurlanden. In Duitsland heeft de regering eerder dit jaar beslist dat wie 45 jaar gewerkt heeft voortaan op 63 op pensioen kan in plaats van op 65. Net zoals bij de afschaffing van het inschrijvingsgeld aan de universiteiten, horen we de voorstanders van het Duitse model hier niets over zeggen. De vergelijkingen met de buurlanden gelden enkel om sociale verworvenheden en lonen naar beneden te trekken.

Maar dan nog klopt het niet dat ons land achteroploopt inzake uitstapleeftijd. De laatste cijfers van Eurostat hierover dateren van 2007, maar dan was de uitstapleeftijd in ons land 61,6 jaar tegenover een Europees gemiddelde van 61,2 jaar. Op zes jaar was er een stijging met bijna vijf jaar, een stijging die overigens sneller was dan in de buurlanden.

Het is toch niet omdat ouderen langer werken dat jongeren geen werk vinden?

Laten we de FOD Economie dit meteen weerleggen met een statistiek inzake werkgelegenheid.

Het aantal oudere werkenden neemt toe terwijl de werkgelegenheid onder jongeren afnam in 2011-2012. Er zijn niet meer jobs bijgekomen, de werkloosheid is gewoon anders verdeeld. In plaats van de beschikbare rijkdom te herverdelen, kiezen de neoliberalen ervoor om de tekorten te herverdelen. Als zo jongeren tegen ouderen en vice versa kunnen opgezet worden, is hun spelletje compleet. Dat zagen we ook al ten tijde van het Generatiepact.

Feit blijft ondertussen dat de jongerenwerkloosheid hoge toppen scheert, dat veel jongeren als ze werk vinden in tijdelijke en laag betaalde jobs terecht komen en dat terwijl oudere werkenden moeten werken tot ze erbij neervallen. Logisch is het alvast niet. Onze mening: geef jongeren een toekomst, gun ouderen wat rust.

Moet er dan niets gebeuren?

Jawel, er is heel wat werk aan de winkel, zowel inzake pensioenen als inzake werkgelegenheid.

Eerst en vooral moet er iets gedaan worden aan het schandalig lage pensioenbedrag in ons land. Armoede is een immens probleem onder gepensioneerden. Ongeveer 23% van de gepensioneerden leeft onder de armoedegrens. Volgens de Leuvense prof Jos Berghmans kan de ouderenarmoede weg gewerkt worden met een bedrag van 900 miljoen euro. Wij eisen alvast dat de pensioenen worden opgetrokken tot minimum 75% van het laatst verdiende loon met een minimum van 1.500 euro per maand.

Ten tweede moet er rekening gehouden worden met de stijgende productiviteit en alle gevolgen vandien. Dit betekent dat vervroegde uittreding mogelijk moet zijn, wat kan door het behoud van het brugpensioen. Niet alleen zware handenarbeid is moeilijk vol te houden, ook andere jobs worden steeds complexer en intensiever. Waarom zouden we ouderen langer aan het werk houden als er zoveel jongeren geen werk vinden? Behoud van brugpensioen en geen verhoging van de pensioenleeftijd! Geef jongeren een toekomst, gun ouderen rust.

Verder is er nood aan een arbeidsduurvermindering om bestaande jobs haalbaar te maken en om het beschikbare werk te verdelen. Het is niet logisch dat sommigen werken tot ze erbij neervallen, terwijl anderen wanhopig werk zoeken en niet vinden. Een herverdeling van het beschikbare werk door een algemene arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen (zodat het werkritme niet gewoon nog verder wordt opgedreven), kan daar een antwoord op bieden.

Zijn er hier wel middelen voor? We zijn zoals gezegd nog nooit zo productief geweest. Er is nog nooit zoveel rijkdom geweest. Middelen zijn er dus wel degelijk, maar dan moeten ze wel ingezet worden voor de sociale noden. Een herverdeling van de rijkdom zullen we niet bekomen door het vriendelijk te vragen en al helemaal niet met symbolische doorkijktaksen en andere aankondigingsmaatregelen die gemakkelijker omzeild zullen worden dan opgelegd. Wat we niet zelf met de gemeenschap controleren, kunnen we moeilijk herverdelen. De sleutelsectoren van de economie zullen in publieke handen moeten komen zodat we kunnen beslissen hoe de door ons geproduceerde rijkdom wordt aangewend.