Japans protest tegen de nieuwe interpretatie van de Grondwet waardoor buitenlandse militaire interventies mogelijk worden.

Japans protest tegen de nieuwe interpretatie van de Grondwet waardoor buitenlandse militaire interventies mogelijk worden.

Maar liefst 53% van de Chinese ondervraagden en 29% van de Japanners denken dat hun landen in de komende jaren een oorlog zullen uitvechten. Deze cijfers komen uit een peiling van Genron/China Daily op de tweede verjaardag van het conflict rond de Diaoyu/Senkaku eilanden. ’s Werelds grootste economie (China) en de derde grootste economie (Japan) betwisten de controle over deze eilanden.

Analyse door Dikang, chinaworker.info

De beslissing van de vorige Japanse regering onder leiding van Yoshihiko Noda op 11 september 2012 om een deel van de betwiste eilandengroep in de Chinese Oostzee te ‘nationaliseren’ leidde tot een scherpe diplomatieke confrontatie waarbij de militaristische retoriek een opmars kende. Er waren tal van militaire manoeuvres door beide landen en dit in de betwiste gebieden. Japanse straaljagers stonden het voorbije jaar 415 keer oog in oog met Chinese vliegtuigen. Het jaar daarvoor gebeurde dat 306 keer.

Volgens de nieuwe peiling denkt 38% van de Japanners dat oorlog kan vermeden worden. Bij een gelijkaardige peiling een jaar geleden was dat nog 47%. De peiling stelde ook vast dat 93% van de Japanners een ‘negatieve houding’ hebben tegenover de Chinese bevolking, in de andere richting staat 87% van de Chinezen negatief tegenover de Japanners.

Versterkt door de machthebbers

Jeff Kingston, een Japan-expert uit de VS, stelde in de Financial Times dat de Japanse media de negatieve gevoelens tegenover China in de hand werken en dat de nationalistische regering van Shinzo Abe’s Liberaal Democratische Partij (LDP) de “angst versterkt” door te spreken over de dreiging die van China uitgaat. Abe haalde eerder dit jaar de internationale krantenkoppen toen hij de huidige verhoudingen tussen Japan en China vergeleek met die tussen Groot-Brittannië en Duitsland op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

Het nationalisme wordt door beide regeringen in de hand gewerkt om de steun voor hun neoliberale economische hervormingen in het belang van de kapitalisten uit eigen land en van daarbuiten te laten slikken. Momenteel is dit nationalisme vooral gericht op territoriale betwistingen van onbewoonde eilanden en zelfs gewoon rotsen. De Chinese president Xi Jingping zit vast in een complexe machtsstrijd binnen de eenpartijstaat. De machtsstrijd wordt deels gevoerd onder het mom van een campagne tegen corruptie. Xi Jingping wil de macht sterker centraliseren in Peking en wil de economie uit de bijzonder gevaarlijke schuldenafhankelijkheid halen door de neoliberale hervormingen te versnellen.

Hiertoe wil Xi zich ook opwerpen als ‘sterke man’ en wil hij de nieuwe Chinese militaire spieren laten rollen in de regio. Het nationalisme en vooral de droom van China als de grootste wereldmacht wordt gebruikt om het enorme ongenoegen tegenover de gevolgen van het regeringsbeleid en de dieper wordende economische malaise af te leiden. Het rollen van de militaire spierballen tegenover de VS en de regionale bondgenoten van de VS, met Japan op de eerste plaats, heeft ook als doel om meer opstandige regio’s in eigen land te intimideren. Dat is onder meer het geval met Xinjiang, Tibet, Hong Kong en ook Taiwan dat Peking uiteindelijk terug onder controle wil krijgen.

Toen Japan de eilanden ‘nationaliseerde’ – iets waar socialisten zich resoluut tegen verzetten, een oppositie die ook gericht is tegen de Chinese regering – waren er massale acties in China tegen Japanse bedrijven, auto’s en zelfs restaurants. Dit protest werd door de regerende CCP (Chinese ‘Communistische’ Partij) aangemoedigd als een manier om wat stoom af te laten zonder dat het de regering in de problemen bracht.

In mei van dit jaar was er een gelijkaardig fenomeen in Vietnam waar tienduizenden deelnamen aan anti-Chinese protesten en rellen. Aanvankelijk werd dit protest door de regering gesteund. Het protest ontstond nadat China overging tot het boren naar olie in een deel van de Zuid-Chinese Zee dat door beide regeringen wordt geclaimd. Het protest ontplofte in het gezicht van het Vietnamese regime toen 460 fabrieken werden aangevallen. Het ging niet alleen om Chinese en Taiwanese bedrijven maar ook om Koreaanse en Singaporese bedrijven. Bij het geweld liep de schade in de miljoenen dollar op en er vielen minstens vier doden. Taiwan is de grootste investeerder in de industriële zones van Vietnam en vooral de Taiwanese bedrijven zijn gehaat door de lokale bevolking.

De rechtse agenda van Abe

Abe is net als Xi een afstammeling uit een politieke dynastie. Hij hanteert een nationalistische retoriek waarbij de ‘Chinese dreiging’ wordt ingeroepen om zijn agenda van toenemende militarisering en het terugdringen van de Chinese economische invloed in Azië te bewerkstelligen. In december negeerde Abe de druk van de VS en bracht hij een bezoek aan het controversiële Yasukuni schrijn in Tokio, een schrijn dat sterk geassocieerd wordt met de oorlogsmisdaden van Japan. Sinds hij eind 2012 aan de macht kwam heeft Abe zich met extreme nationalisten en ‘revisionisten’ omringd. Die laatsten ontkennen de oorlogsmisdaden van Japan zoals het massaal en verplicht inzetten van vrouwen uit bezette landen als seksslavinnen (zogenaamde ‘comfortvrouwen’) voor Japanse bezettingstroepen. Een nieuw aangestelde minister in het kabinet van Abe en nog een prominent LDP-lid raakten eerder deze maand in opspraak omdat ze op foto’s stonden met een leider van een openlijke neonazipartij.

De regering van Abe stemde recent in met een ‘herinterpretatie’ van de Japanse grondwet, meer bepaald inzake vrede en defensie. Voor het eerst sinds 1945 kan het land troepen naar het buitenland sturen om daar te vechten. Dit heeft tot sterk verzet in Japan geleid. Tienduizenden betoogden in Tokio met slogans tegen ‘fascisme’. Een betoger stak zichzelf in brand aan het drukste treinstation van de Japanse hoofdstad. Het opgedreven nationalisme van de regering heeft niet enkel te maken met haar militaire agenda, het dient ook als afleiding voor de aanvallen op de arbeidersklasse, de publieke sector en voor de invoering van meer autoritaire controle op politieke activiteiten en het aan banden leggen van burgerlijke vrijheden.

Abe heeft een hyperactieve agenda van regionale diplomatie. Hij bezoekt zowat alle oost-Aziatische landen (maar hij trekt bewust niet naar China) om nieuwe financiële en handelsakkoorden te sluiten. In sommige gevallen worden de militaire banden aangehaald. Recent had Abe een ontmoeting met de nieuwe rechtse Indische leider Narendra Modi om een “bijzonder strategisch partnerschap” tussen de twee Aziatische reuzen aan te kondigen. Dit is uiteraard gericht tegen China dat volgens Modi een “expansionistisch koers” voert. De Japanse regering beloofde tijdens de onderhandelingen om 34 miljard dollar in India te investeren.

Vorige week bezocht Abe Bangladesh en trok hij nog naar Sri Lanka. Hij was de eerste Japanse premier sinds een kwarteeuw die Sri Lanka bezocht. Xi Jingping volgde enkele dagen later, wat nogmaals wijst op de diplomatieke manoeuvres in de regio. Sri Lanka is al het voorwerp van een portie armworstelen tussen de Indische en de Chinese regimes die beiden hun invloed willen vergroten. Het bezoek van Abe geeft aan dat ook het Japanse imperialisme een rol wil spelen. De regeringen van de Filipijnen en Vietnam hebben ook conflicten met China rond de eigendom van betwiste gebieden in de Zuid-Chinese Zee. Abe heeft deze regeringen Japanse steun voorgesteld. De VS deden dit overigens ook, het meest openlijk in het geval van de Filipijnen

Amerikaanse ‘scharnierpunt’ is een ramp

De regionale spanningen worden versterkt door het beleid van het Amerikaanse imperialisme. Na een reeks rampzalige militaire avonturen in de moslimlanden, willen de Verenigde Staten nu hun vroegere dominante positie in Oost-Azië herstellen. Deze dominante positie werd aan de kant geschoven door de groeiende economische macht van China. De poging om de positie van de VS te versterken, lag aan de basis van Obama’s ‘Aziatische scharnierpunt’ dat in 2011 werd gelanceerd. Het ‘scharnierpunt’ (tegenwoordig wordt eerder gesproken over een nieuw evenwicht) is een politieke, economische en militaire strategie gericht op het versterken van de Amerikaanse macht in Azië dat het centrale terrein voor de activiteiten van het wereldkapitalisme is geworden. Op militair vlak omvat deze strategie onder meer nieuwe basissen en hernieuwde akkoorden met oude en nieuwe bondgenoten, zo is er de terugkeer van een Amerikaanse militaire aanwezigheid op de Filipijnen en dit een kwarteeuw nadat de Amerikaanse troepen hun basissen daar moesten sluiten.

De VS zijn echter beperkt door de nooit geziene economische crisis en ze moeten daarom de militaire uitgaven onder controle houden. Een belangrijk onderdeel van de Aziatische strategie bestaat erin dat de regionale bondgenoten – vooral Australië, Zuid-Korea, India en zeker ook Japan – een groter deel van de militaire rekening opnemen. Dit leidt tot een wapenwedloop en, zeker bij de Amerikaanse steun voor de Japanse militarisering, zorgt het duidelijk voor een dreigende destabilisering van de regio.

Op economisch vlak proberen de VS een neoliberaal handels- en investeringsakkoord te vestigen, het Trans-Pacific Partnership (TTP). Dat zal er mogelijk niet doorkomen door de potentieel sterke oppositie van de bevolking in de onderhandelende landen. Het TTP is gedreven door de winsthonger van multinationals en het is ook een poging om het door de VS-geleide anti-Chinese politieke alliantie van ‘Aziatische democratiën’ (ironisch genoeg met Brunei, Singapore en Vietnam) te betonneren. Een aantal problemen die het TTP in de kiem kunnen smoren, zien we met de problemen die de regering-Abe heeft om de Amerikaanse eisen in sectoren als de landbouw en de automobielsector na te komen.

Het Chinese regime treedt actiever op in regionale conflicten naarmate ook de overzeese investeringen toenemen. China heeft belangrijke economische belangen in de mijnbouw, banken, diensten, transport en andere sectoren doorheen zuidoost-Azië. Peking volgt de theorie van de westerse en Amerikaanse ‘neergang’ en is steeds meer bereid om Amerikaanse stappen in de regio af te blokken terwijl het nog steeds een rechtstreekse confrontatie probeert te vermijden omwille van de enorme militaire macht van de VS (de militaire uitgaven van de VS zijn vier keer zo groot als die van China dat goed is voor de tweede hoogste militaire uitgaven ter wereld) en de rampzalige economische gevolgen van een militair conflict tussen de VS en China.

Socialisten verzetten zich tegen de Amerikaanse politiek in de regio. Deze politiek kan leiden tot rampzalige conflicten doorheen Azië. En dit na een decennium van Amerikaanse machtsspelletjes en militaire interventies in het Midden-Oosten (Irak, Libië, Somalië, Syrië,…) die daar langdurige vernielingen en chaos hebben aangericht. Tegelijk verzetten we ons tegen de nationalistische retoriek en de militaire plannen van Aziatische regeringen, waaronder de Chinese. De Chinese dictatuur is momenteel nog niet zo globaal actief, maar heeft wel grote machtsambities. Daarbij worden nationale spanningen aangewakkerd, wat meteen een nuttige ‘zondebok’ creëert voor de rechtse nationalistische politici zoals Abe in Japan en hun reactionaire politieke agenda.

Tegen nationalisme en kapitalisme

De opkomst van rechtse nationalistische regeringen doorheen Azië en hun toenemende militaire uitgaven vormen een ernstige bedreiging voor vrede en voor het leven van honderden miljoenen mensen op het continent. Azië geeft nu voor het eerst in de moderne geschiedenis meer uit aan wapens dan Europa. Tegelijk is Azië goed voor 60% van de sloppenwijken van deze wereld. In zuid-Azië alleen zijn er 27 miljoen kinderen die niet naar school gaan. In plaats van de uitgaven voor scholen en ziekenhuizen te vergroten, kiezen de kapitalistische regeringen ervoor om miljarden in het wapentuig en het leger te pompen en tegelijk een tsunami van privatiseringen en outsourcing door de strot van de arbeiders en armen te jagen.

Dit is de logica van het kapitalisme, een ziek en door crisis gekenmerkt systeem dat er enkel in slaagt om een kleine superrijke elite nog rijker te maken op de kap van de massa’s. Zelfs in Japan, het rijkste land van Azië en vroeger een van de minst ongelijke landen, leven 16,3% van de kinderen volgens regeringscijfers in “economisch moeilijke omstandigheden.” De neoliberale politiek, die Abe enkel nog meer wil opdrijven, leidt tot een spectaculaire toename van het aantal deeltijdse, tijdelijke en andere niet-reguliere jobs in Japan. Het gaat ondertussen al om 19,7 miljoen dergelijke jobs of 38% van de totale arbeidskrachten die hiertoe veroordeeld zijn.

Socialisten roepen de arbeidersbeweging op om zich te verzetten tegen het nationalistische gif en zich te richten op de strijd tegen de klassenvijand – de kapitalisten en hun regeringen. Overal waar nationalisme terrein wint, is er een zichtbare afwezigheid van een onafhankelijke arbeiderspolitiek. Van China tot Japan en de VS, overal is er een dringende nood aan arbeiderspartijen met een socialistisch programma en aan strijdbare vakbonden.

Arbeiders hebben niets te winnen met de militaire manoeuvres van Abe, Xi of Obama. Er is een dringende nood om ons te organiseren en de strijd tegen het asociale beleid van deze regeringen aan te gaan. Zoals Karl Marx opmerkte hebben de arbeiders geen vaderland, onze strijd is internationaal!

  • Tegen de regeringen die conflicten in de Zuid-Chinese Zee en de Chinese Oostzee gebruiken voor oorlogsretoriek!
  • Arbeidersstrijd internationaal verbinden om in te gaan tegen kapitalisme, outsourcing, afbraak van arbeidsvoorwaarden en privatiseringen!
  • We willen scholen, ziekenhuizen en betaalbare huisvesting, geen massavernietigingswapens!
  • Weg met het neoliberale TPP en andere kapitalistische handelsakkoorden!
  • Demilitarisering van de Zuid-Chinese Zee en de Chinese Oostzee!
  • Deel de grondstoffen van de oceanen tussen de bevolking van de regio met een democratisch geplande en beheerde internationale samenwerking als onderdeel van een democratisch socialistische confederatie van Aziatische landen!