Vrije meningsuiting? De traditionele media is niet "vrij". Er is nood aan onze eigen media.

De afgelopen dagen werd geschermd met termen als "vrije meningsuiting". Dat begrip werd abstract en algemeen naar voor gebracht. Maar hoe vrij is de meningsuiting in de media? In een uitgebreid dossier over de traditionele media wordt ingegaan tegen de leugen van de "objectieve" of "vrije" media. Dat gebeurt aan de hand van tal van voorbeelden en schokkende feiten. We brengen daartegenover de noodzaak naar voor van onze eigen media.

Dossier door Cédric Gérôme

De burgerlijke media (of waarom een arbeidersmedia noodzakelijk is)

“De burgerlijke media haalt heel wat profijt uit misdrijven en wantoestanden, waarbij wordt ingespeeld op ongezonde nieuwsgierigheid en op de laagste instincten van de mens.“

Leon Trotski.

Media: steeds onder de controle van de heersende klasse

Marx bevestigde dat de heersende ideologie de ideologie van de heersende klasse is. In feite kan de rol van de burgerlijke media in een kapitalistische samenleving niet los gezien worden van de rol die de burgerij zelf speelt. Wij willen niet vervallen in de karikatuur dat de media een soort van “vierde macht“ zou vormen, maar de heersende klassen hebben steeds geprobeerd om de verspreiding van informatie te controleren om zo hun standpunten en ideologie te verdedigen.

Er zijn heel veel historische voorbeelden onder het kapitalisme die aangeven hoe de pers en de media in het algemeen de politiek en de belangen van de burgerij hebben verdedigd. Zo bleek uit onderzoek dat de Britse media tussen 1921 en 1968 zowat geen aandacht had voor het bestaan van Noord-Ierland.

Maar er zijn natuurlijk ook recentere voorbeelden. Het wordt niet betwist dat zelfs voor het begin van de oorlog in Irak, de Amerikaanse media zich liet gebruiken om de leugens van het Witte Huis te publiceren. De media was een uitstekend propagandawapen voor de regering-Bush.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat tussen 1993 en 2000 de media-industrie zo’n 75 miljoen dollar heeft gestort op de rekeningen van de verkiezingscampagnes van de twee belangrijkste partijen in de VS. Tot januari 2005 werd het FCC (Federal Communications Commission), dat een media-reglementering in de VS moet opmaken, geleid door Michael Powell, de zoon van Colin Powell.

David Smith, de CEO van de groep Sinclair (de belangrijkste eigenaar van televisiestations in de VS) verklaarde openlijk: “Onze verkozenen hebben beslist dat de oorlog in ons belang was. Eens die beslissing was genomen, terecht of ten onrechte, hadden we volgens mij de plicht om onze troepen te ondersteunen en duidelijk te maken dat de Amerikanen de oorlog moesten voeren.“ In april 2004 verbood de mediagroep haar stations om de reportage “Zij die gevallen zijn“ (over de slachtoffers in Irak) te tonen. Tijdens die reportage las een journalist de namen voor van de omgekomen Amerikaanse soldaten in Irak.

We zien daarentegen dat informatie die gevoelig is of compromitterend kan zijn, op heel wat hindernissen stoot vooraleer het naar buiten komt. Het beste voorbeeld is natuurlijk het verbod dat aan de Amerikaanse media werd opgelegd om de lijkkisten van vermoorde soldaten uit Irak te filmen.

Europese grondwet: 71% van de Franse media-aandacht gaat naar voorstanders

De rol van de burgerlijke media werd ook erg goed geïllustreerd tijdens het debat rond de Europese grondwet. De boodschap in de media kwam er in grote lijnen op neer dat alles goed gaat, dat we veel te danken hebben aan Europa en dat wat misloopt komt door de afwezigheid van een grondwet. “Ik ben voor het ja-standpunt, ik zou het niet mogen zeggen, maar ik ben voor de grondwet. Maar ik ben objectief“, stelde een trotse interviewer van Europe 1 op 8 februari 2005.

Tussen 1 januari en 31 maart 2005, werd slechts 29% van de Franse zendtijd over de Europese Grondwet besteed aan tegenstanders (zowel in televisiejournaals als debatten etc), terwijl 71% voor de Grondwet was… De verhouding onder de volledige bevolking was opvallend anders, zo bleek althans bij het referendum dat later plaatsvond in Frankrijk.

Franse presidentsverkiezingen van 2002: alle media steunt Chirac

Bij de Franse presidentsverkiezingen van 2002 werd alles in het werk gesteld om in de strijd tussen Jacques Chirac en Jean-Marie Le Pen (FN) de kandidatuur van Chirac te ondersteunen. Het magazine Télérama kopte “Onthouding is een valkuil voor idioten“. In de Franse kranten verschenen 83 opiniestukken over de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. Slechts 2 daarvan stelden de stem voor Chirac slechts vaag in vraag.

Tijdens de Franse stakingsbeweging tegen de aanval op de pensioenen, werd de media ingezet om te wijzen op ieder mogelijke hindernis die wordt ondervonden door een staking. Op 10 juni 2003 was er een nationale actiedag. Die avond besteedde de zender TF1 in haar nieuws 3 minuten en 47 seconden aan de standpunten van de stakers en 14 minuten en 5 seconden werden gebruikt om tegenstanders aan het woord te laten. Hetzelfde beeld bij France 2: het nieuws van 14 mei besteedde 1,5 minuten aan de stakers en 8 minuten, 50 seconden aan de tegenstanders ervan!

Bij iedere staking neemt de media standpunten in tegen de arbeiders en proberen ze de stakers (die “overlast“ bezorgen) te plaatsen tegenover de “normale“ arbeiders (die uiteraard niet staken) die worden “gegijzeld“ door de stakers als ze proberen op hun werk te raken.

De rol van personaliteiten

De media is vaak een nuttige bondgenoot van de burgerij bij de verdediging van haar belangen en haar ideologie. De hoofdredacteur van Time bevestigde: “De gebeurtenissen worden niet gemaakt door historische krachten of regering of sociale klassen, maar door individuen.“ Dat is een erg duidelijke weergave van de burgerlijke visie over geschiedenis waarbij de ontwikkelingen worden uitgelegd aan de hand van grote personaliteiten.

De media probeert steeds om de oorzaken van gebeurtenissen terug te leiden tot de rol van personaliteiten, ministers, presidenten,… Zo werden de twee Golfoorlogen voorgesteld als een duel tussen George Bush (senior en junior) en Saddam Hoessein. Dat standpunt leidt tot het individualiseren van collectieve strijd. Een goed voorbeeld is dat van de bekende foto die werd genomen tijdens de gebeurtenissen op Tien-A-Men in China in 1989. De foto die overal werd verspreid was die van één student die een reeks tanks probeert tegen te houden. De duizenden betogers die ook op het plein aanwezig waren, stonden niet op de foto.

Vooroordelen in de media

Alle vooroordelen van de burgerlijke ideologie krijgen een echo in de media. De nationalistische en racistische vooroordelen zijn daar maar één voorbeeld van. Tijdens de ramp van de tsunami in Zuidoost-Azië, was het voor iedereen duidelijk dat alle aandacht ging naar de toeristen en niet naar de lokale slachtoffers, die nochtans veel talrijker waren.

Dat fenomeen blijkt ook erg duidelijk uit de Amerikaanse media. Voor 11 september 2001 ging slechts 2% van de artikels in de geschreven media over internationale thema’s. Op bepaalde dagen ging het televisienieuws niet in op internationale thema’s. Na 11 september dook het buitenland plots op in de Amerikaanse media. Er werd tussen september en december 2001 evenveel aandacht aan Afghanistan besteed als in de vier voorafgaande decennia!

Concentratie in de mediasector. Wie bezit de media?

De economische crisis van het kapitalisme raakt uiteraard ook de sector van de media. We zien er de afgelopen decennia een fenomeen van extreme concentratie, waardoor een groot aantal dagbladen is verdwenen. Een opvallend gegeven is overigens dat het jongste Franstalige dagblad Vers L’Avenir is, dat werd opgericht in 1918! Langs Nederlandstalige kant is dat Het Nieuwsblad, opgericht in 1932. Er is dus een groot aantal kranten dat verdwijnt, terwijl er geen nieuwe bijkomen op een ogenblik van harde concurrentie.

De media staat steeds meer onder controle van een kleine groep industriëlen en financiers. De geschreven pers was traditioneel eigendom van uitgevers (vaak familiale bedrijven). Sinds enkele jaren is er een groeiende controle op de media door magnaten en industriëlen. Een handvol multinationals controleert de informatie.

Clear Channel bezat in 2001 in de VS 1.202 radiozenders. De rijkste Belg, Albert Frère, is aandeelhouder van RTL-TVI. In Vlaanderen zijn Het Nieuwsblad, Het Volk, De Gentenaar en De Standaard in handen van één groep. Eind vorig jaar werd 37% van het kapitaal van het Franse dagblad Libération overgenomen door de bankier Edward de Rotschild.

De groep Socpresse (dat 70 titels bezit, waaronder Le Figaro, L’Express en tientallen regionale kranten) werd recent overgenomen door wapenfabrikant Serge Dassault. Die stelde tegenover de redacteurs: “Ik hoop dat de bladen in de mate van het mogelijk onze bedrijven meer naar waarde schatten.“ De groep Hachette is in handen van een andere industrieel uit de wapensector, Arnaud Lagardère. Van de 15 grootste fortuinen in Frankrijk, zijn er 5 met belangen in de media en die maken uiteraard gebruik van die positie om hun plaats te consolideren.

In Italië worden Il Corriere della Sera en La Stampa gecontroleerd door Fiat. Silvio Berlusconi heeft een heus televisie-imperium uitgebouwd en controleert 90% van de kijkers en 87% van publiciteitsinkomsten van de Italiaanse televisie. Hij heeft zonder scrupules de wetgeving aangepast om de staatszender RAI volledig te kunnen privatiseren vanaf januari 2006.

Dit proces van concentratie wordt nog versterkt door de technologische ontwikkelingen (zeker de informatisering) die steeds zwaardere investeringen vereist. Tegen die achtergrond is het logisch dat slechts enkele groepen in staat zijn om de media quasi volledig te controleren.

Sociaal slachtveld in de mediasector

De keerzijde van de medaille van de concentratie, is een sociaal slachtveld met het verdwijnen van jobs, het sluiten van agentschappen, het inzetten van minder journalisten, massale ontslagen, opdoeken van verkooppunten,…

In Frankrijk zijn er sinds 1990 4.500 krantenkiosken verdwenen. In de VS verdwenen er tussen 2000 en 2004 meer dan 2.000 jobs bij de geschreven pers. Het persagentschap Reuters kondigde begin vorig jaar aan dat het 4.500 jobs zou laten verdwijnen. De groep Sinclair (VS) heeft 229 werknemers afgedankt op één jaar tijd. Daarbij maakt de groep gebruik van het feit dat het 60 lokale stations heeft, om dezelfde programma’s in de verschillende regio’s uit te zenden. De patroon legt uit: “Het is niet dat we de monteurs of cameramensen niet tof vinden. Maar de technologie is dermate geëvolueerd dat we denken een nog beter resultaat te bereiken met een automatisering van bepaalde taken. Er kan een nieuwsstudio worden gevormd met één producent, enkele journalisten, twee cameramannen,… minder dan vandaag.“

Uitbuiting van journalisten

Het is ook belangrijk om in te gaan tegen de breed verspreide mythe dat alle journalisten goed hun brood verdienen. Naast de vedetten en de sterren van de showbusiness die steeds op televisie opduiken, zijn de meeste journalisten slecht betaald en werken ze in slechte omstandigheden. In de VS wordt door bepaalde verschillende media (krant, televisie, radio, internet,…) gezocht naar journalisten die in de verschillende soorten media aan verslaggeving doen.

Een professor journalistiek aan de Columbia University stelde hierover: “Deze journalisten werken soms tot 16 à 20 uur per dag en worden compleet gek van de verplichting om verschillende mediaberoepen tegelijk te moeten uitoefenen.“

Ook in België gaan de arbeidsvoorwaarden bij de media erop achteruit. Er zijn tal van interimarbeiders, zogenaamde stagairs die gratis werken,… Er is een enorme toename van contracten van bepaalde duur.

Volgens de vakbonden bij France 3, worden gemiddeld 8 van de 12 reportages in het nieuws van 19uur gemaakt door werknemers met een contract van bepaalde duur. Een jonge werknemer met een tijdelijk contract stelde: “Iemand met een onzekere positie, stelt minder vragen. Hij is meer beschikbaar en zal meer doen. Hij zal niet ingaan tegen de editoriale keuzes. Hij is niet te beroerd om te werken op feestdagen, om heel Frankrijk te doorkruisen op een nacht om op een ander radiostation te komen.“

Journalistenopleiding: gelieve niet kritisch te zijn

Op het vlak van vorming is de situatie niet veel beter. In de opleidingen journalistiek wordt de studenten aangeleerd om zo weinig mogelijk kritisch te zijn, om de hiërarchie te respecteren,… Met andere woorden: we moeten zwijgen en de marktlogica aanvaarden. Bij het CFJ (Centre de Formation des Journalistes, opleidingscentrum voor journalisten in Parijs), stelde de lesgever in de richting ’geschreven media’ aan de studenten: “In dit beroep zijn er een aantal journalisten die niet binnen de lijntjes lopen. Hier vragen we jullie om de lijn te volgen en binnen het gestelde kader te blijven.“ Bij een discussie over de actualiteit stelde een studente voor om in te gaan op een nieuwe film over de arbeiders bij Michelin, waarop werd gesteld dat dit geen actualiteit was. Een voetbalwedstrijd is veel actueler en kan de mensen meer boeien, zo wordt het aangeleerd op het CFJ.

Bij de opleiding van journalisten wordt vooral nagegaan hoe kan worden ingespeeld op de behoeften van de markt. Een leraar aan de school stelde zelf: “Jullie zijn naïef! De media is een industrie. Er wordt papier verkocht, zoals anderen peren verkopen. Het enige criterium is het resultaat: de kijkcijfers of de verkoopcijfers.“ In de voorstellingsbrochure voor de opleiding staat dat het CFJ zoekt naar oplossingen bij een ongelijke verhouding tussen vraag en aanbod en dat wordt gezocht naar marktevoluties om de studenten onmiddellijk operationeel te maken.

Verwrongen informatie

De wijze waarop informatie wordt geproduceerd is natuurlijk onderworpen aan de logica van de kapitalistische economie: productiviteit, zoveel mogelijk rendement,… Informatie is een koopwaar zoals alle andere waren: het belangrijkste doel is winst maken. Er moet zoveel mogelijk informatie worden gegeven op zo weinig mogelijk tijd en vooral informatie die goed verkoopt. Het eerste criterium is dus niet het idee van objectiviteit, controle van bronnen,… maar wel de marketing. De keuzes en waardering van informatie is hierdoor compleet ongebalanceerd in verhouding tot de realiteit. In feite wordt de informatie waarover we beschikken volledig vervormd.

In juli 2004 werden enkele Noord-Afrikanen beschuldigd van een antisemitische daad van agressie in de metro van Parijs. De volgende dag schreef de krant Libération: “Antisemitisme, antizionisme, antikapitalisme worden met elkaar vermengd zoals tijdens de donkerste dagen van de geschiedenis“. In feite vond de agressie niet plaats en bleek het een leugen te zijn die werd verzonnen door het zogenaamde slachtoffer.

Enkele cijfers zeggen soms meer dan een lange tekst: sinds de affaire Dutroux in 1996 is het aantal artikels en reportages over seksuele affaires fors toegenomen. De woorden ’pedofiel’ en ’pedofilie’ kwamen in 1989 4 keer voor in de krant Le Monde. In 1992 was dat 8 keer. In 1996 was het 122 keer, in 1997 al 199 keer om dan te dalen tot 191 keer in 2001 en 181 keer in 2002.

Tussen 5 mei en 5 juli 2004 stonden er in de 4 grootste Franse dagbladen 344 artikels over het proces te Outreau (een pedofilieschandaal in Frankrijk). In dezelfde periode verschenen er in dezelfde kranten slechts 3 artikels over een studie van de Wereldgezondheidsorganisatie waarin stond dat de vervuiling ieder jaar leidt tot het overlijden van meer dan 3 miljoen kinderen jonger dan 5 jaar. In 1998 hebben de belangrijkste televisiejournaals in de VS meer aandacht besteed aan de affaire Monica Lewinsky, dan aan alle dossiers samen over de economische en financiële crisis in Rusland, Azië en Latijns-Amerika, de situatie in het Midden-Oosten en Irak, de wapenwedloop op het Indische subcontinent.

Het is in deze context duidelijk dat journalisten niet zomaar kunnen zeggen wat ze willen, maar dat ze werken binnen het kader dat de belangen van de aandeelhouders en de eigenaars van de mediaconcerns verdedigt. De directeur van de International Herald Tribune (dat behoort tot de groep van de New York Times), stelde: “Vaak vragen diegenen die journalistieke beslissingen moeten nemen zich af of hun beslissing zal leiden tot een stijging of een daling van de beurswaarde van de aandelen van de bedrijven die de krant controleren. Dat soort overwegingen is schering en inslag geworden, heel wat directeurs van kranten krijgen steevast richtlijnen in die zin van de financiële eigenaars van de krant.“

Wiens brood men eet…

Bovendien geeft een perskaart niet overal toegang. Een journalist moet zich laten accrediteren door bepaalde instellingen (EU, ministeries,…). Journalisten die geen accreditering verkrijgen, hebben geen toegang tot bepaalde informatie. Ze respecteren immers niet de spelregels. En dan wordt nog niet ingegaan op de wijze waarop journalisten worden ’gekocht’ met recepties, etentjes, persreizen met een minister of zakenman, exotische bezoeken,…

Een voormalige journalist van de krant Guardian die verantwoordelijk was voor de rubriek ’energie’, deed een opmerkelijke getuigenis: “Het Britse gasbedrijf British Gas was erg geïnteresseerd in mijn werk. Iedere dag, was er wel een andere persattaché van het bedrijf die me benaderde met allerhande voordelen waaronder een nieuwe GSM of een schoonmaakbeurt voor de wagen. De eerste persattaché introduceerde me in het bedrijf en berekende wat mijn artikel betekende voor het bedrijf in termen van winsten of potentiële verliezen. De tweede liet me met een helikopter langs de baai van Morecambe vliegen om aan te geven waar British Gas een boorplatform wilde bouwen. De derde nodigde me uit voor een etentje met een dure fles wijn, waarbij tijdens het etentje de bedrijfsstrategie werd uitgelegd. De vierde begeleidde me bij een bezoek aan de voorzitter van het bedrijf. Na al deze elementen, was het enorm moeilijk om afstand te nemen van de hand waaruit ik at en die me alle informatie bezorgde. Het betekende ook afstand nemen van alle voordelen die het bedrijf me kon aanbieden.“

We komen hiermee snel bij wat “promotiejournalistiek“ kan worden genoemd. Dat werd goed omschreven door Patrick De Lay, patroon van TF1: “De taak van TF1 is om Coca-Cola te helpen bij de verkoop van haar product. Wat wij aan Coca-Cola verkopen is beschikbare tijd bij de mensen.“ In Italië of de VS is het zelfs niet raar als het nieuws wordt onderbroken voor reclamespots.

Zoals we al hebben gezien wordt de mediasector niet gespaard door privatiseringen en besparingen. Dat fenomeen zorgt ervoor dat de media steeds meer afhankelijk wordt van reclame-inkomsten. De media die een negatieve inschatting maakt van een product riskeert haar inkomsten uit reclame te verliezen. In België is de grootste investeerder in reclame de automobielsector. Dat legt uit waarom er tegenwoordig meer supplementen verschijnen over auto’s. Bij de opening van het vorige autosalon, besteedde de krant La Libre Belgique 5 pagina’s aan deze gebeurtenis…

In de zomer van 2005 liet Volkswagen in de media uitlekken dat het overwoog om haar vestiging in Vorst te sluiten. Dat zorgde voor een ander klimaat in het bedrijf waardoor het gemakkelijker werd om minder “radicale“ maatregelen op te leggen, ook al blijven die erg nadelig voor de arbeiders van het bedrijf.

In 2001 deed de multinational Danone hetzelfde met gerichte “lekken“ in de Franse media. Er was sprake van 1.700 ontslagen bij Danone. Dit leidde tot heel wat verzet, waarbij de directie uiteindelijk aankondigde dat er “slechts“ 500 ontslagen zouden komen. Dit leidde tot opluchting bij een groot deel van de werknemers en de beweging tegen de afdankingen stopte. De media werd door het patronaat gebruikt om een proefballonnetje op te laten om een project uit te testen. Daarna wordt gekeken naar de reacties. In veel gevallen zijn de zogenaamde “lekken“ in de pers erg bewuste en vrijwillige lekken.

Geloofwaardigheid van de mediaconcerns daalt

De afgelopen jaren is er een opmerkelijke daling van de verspreiding van kranten en tijdschriften. Op wereldvlak is er bij de kranten een gemiddelde daling van 2% per jaar. Het Amerikaanse dagblad International Herald Tribune verloor in 2003 4,16% van haar lezers, het Britse Financial Times verloor 6,6%. In Duitsland was er de afgelopen 5 jaar een daling van de verspreiding van kranten met 7,7%, in Denemarken met 9,5% en in Oostenrijk met 9,9%. In België was er een daling van 6,9%. Zelfs in Japan, het land waar het meeste kranten worden gekocht, was er een achteruitgang met 2,2%. In de EU was er de afgelopen 8 jaren een daling van het aantal verkochte kranten met 7 miljoen exemplaren. Er zijn externe redenen zoals de opkomst van internet, het verschijnen van gratis krantjes,… Een andere factor is ongetwijfeld de stijging van de prijs van kranten, terwijl er een daling van de koopkracht is voor de meerderheid van de bevolking.

Maar de belangrijkste reden is zonder twijfel het verlies van geloofwaardigheid van de geschreven pers en de media in het algemeen. Er is een afname van de kwaliteit van de kranten (het aantal leugens, manipulatie en andere misvormingen van informatie neemt toe), maar we zien ook dat de burgerlijke ideologie steeds meer in vraag wordt gesteld en dus ook het neoliberale discours dat in de media naar voor komt. Het vertrouwen in de burgerlijke instellingen en haar ideologische spreekbuizen, waaronder de media, neemt af. Dat maakt het des te belangrijker om zelf een arbeidersmedia naar voor te brengen: een media die de belangen van de arbeiders en de jongeren verdedigt.

Delen: Printen: