De houding van socialisten tegenover de islam

Hieronder publiceren we een uitgebreide tekst geschreven door Hannah Sell van de Socialist Party in Engeland en Wales. Er wordt ingegaan op de houding die socialisten innemen tegenover de islam waarbij een kritiek gegeven wordt op organisaties die bijvoorbeeld een té eenzijdige positie innemen. De Britse Socialist Workers Party (SWP) lag aan de basis van de anti-oorlogspartij Respect (met het uitgesloten Labour-parlementslid George Galloway). Die partij stelt zich geregeld voor als "de partij van de moslims". Het gebrek aan een klassenbenadering is volgens ons compleet verkeerd. Anderzijds mogen we ook niet vervallen in de positie van islamofobie (een angst of zelfs haat tegenover moslims). De ervaring van de Bolsjewieken na de Russische Revolutie daarbij is overigens interessant om de discussie te verrijken. Terwijl onderstaande tekst vanuit een Brits perspectief geschreven is, kunnen er volgens ons ook lessen uit gehaald worden voor de situatie bij ons.

Dossier door Hannah Sell dat eind 2004 verschenen is

De afgelopen jaren is de discriminatie van Britse moslims gevoelig toegenomen. De verschrikkelijke, onmenselijke veldslag in Beslan, die de wereldbevolking met verstomming heeft geslagen, en niet in het minst de overweldigende meerderheid van moslims, versterkte ongetwijfeld de vooroordelen tegen moslims. Hannah Sell legt uit hoe socialisten Islamofobie (haat tegen islamgelovigen) aanpakken, en beschrijft de ervaringen van de Bolsjewistische Partij na de Russische Revolutie in verband met deze kwestie.

Vandaag leven er ongeveer anderhalf tot twee miljoen moslims in Groot-Brittannië. In Londen alleen al komen zij van 50 verschillende etnische achtergronden. Eén op zeven economisch actieve moslims is werkloos, vergeleken met één op twintig onder de hele bevolking. De twee grootste moslimgemeenschappen in Groot-Brittannië op dit moment, de Pakistaanse en de Bengaalse gemeenschap, worden geconfronteerd met een stijgende armoedegraad. Bijvoorbeeld: in 1999 leefden 28% van de blanke gezinnen zonder de armoedegrens vergeleken met 41% van de Afro-Caraïbische gezinnen en 84% van de Bengaalse gezinnen.

De geschiedenis van de moslims in Groot-Brittannië wordt gekenmerkt door armoede en discriminatie. Maar uit historisch perspectief daarentegen is de discriminatie tegen moslims slechts één van de vele facetten van racisme onder het kapitalistisch systeem. Belichaamd in vele vormen maakt racisme integraal deel uit van het kapitalisme sinds haar ontstaan. Gedurende het laatste decennium, en in toenemende mate sinds de verschrikkingen van 11 september, stellen we vast dat Islamofobie drastisch is toegenomen. Hoewel andere vormen van racisme blijven bestaan, zijn het de Moslims die vandaag de grootste vlaag van discriminatie moeten ondergaan. De Britse regering laat krokodillentranen over de toename van racisme tegen moslims en de mensen die men aanziet voor moslims. Toch is het juist het beleid van de regering die geleid heeft tot een toename met 41 pc in de ‘stop and search’ praktijken tegen Aziaten (het geselecteerd doen stoppen door de politie) door de Londense politie. Belangrijker nog, de oorlogsdeelname in Afghanistan en Irak, beide moslimslanden, ging gepaard met vernederende propaganda gericht tegen de bevolking van de twee landen. Dit werkte de toename van Islamofobie onvermijdelijk in de hand.

De minister van Binnenlandse zaken, David Blunkett, stelde onlangs dat etnische minderheden meer moeite aan de dag moeten leggen om zich te ‘integreren’ in de Britse maatschappij, waardoor hij logischerwijze de moslim- en andere gemeenschappen beschuldigt van de toename van racisme. In werkelijkheid is het tegengestelde het geval. Hoe meer de maatschappij zich vijandig keert tegen hen, des te meer de tendens om zich te identificeren met de eigen gemeenschap zal groeien. Bijvoorbeeld: het is waar dat de grip van godsdienst en cultuur gevoelig is aangegroeid. Volgens een recente opiniepeiling, stelt 74% van de Britse moslims dat hun godsdienst een zeer belangrijke rol in hun dagelijks leven speelt (ter vergelijking: 43% onder de Hindoes en 46% van de Sikhs). We kunnen daar veel redenen voor aanbrengen, maar het lijdt geen twijfel dat vele jongere moslims, onder druk van de vooroordelen tegen de islam, geneigd zijn de verdediging van hun godsdienst op te nemen door zich ermee te identificeren.

Daarentegen is het gewoon niet waar dat moslimjongeren in Groot-Brittannië zich uitsluitend of in hoofdzaak identificeren met hun land van afkomst, of dat van hun ouders of grootouders. Twee op drie moslims in Groot-Brittannië is onder de 25 jaar. Grootgebracht in Groot-Brittannië, bezitten ze een tweeledige identiteit: Brits, maar tegelijkertijd vervreemd van deze Britse identiteit. Deze jongeren zijn grootgebracht in een samenleving waar ze een permanente dreiging van arrestatie op basis van hun huidskleur of godsdienst voelen. Ze worden geconfronteerd met toenemende discriminatie in het onderwijs en op de werkplaats. Ze voelen ook een grote woede tegen het imperialistisch oorlogsgetrommel van de regering. Het is slechts een kleine minderheid die de verkeerde conclusie trekt dat het barbaarse massaterrorisme van reactionair-islamitische organisaties als al-Qaeda een weg vooruit bieden. In tegenstelling tot wat de populaire pers ons wil doen geloven, zijn 73 pc van de Britse moslims gekant tegen terroristische aanvallen. Tegelijkertijd werd het potentieel voor een eengemaakte beweging met moslims aangetoond in de anti-oorlogsbeweging waar honderdduizenden moslims aan deelnamen, zij aan zij met andere delen van de bevolking in de grootste betogingen ooit in het land.

Welke houding moeten marxisten dan hebben tegenover de moslimgemeenschappen in Groot-Brittannië? Ons vertrekpunt is ons resoluut verzet tegen anti-islamistische discriminatie, en het verdedigen van de rechten van alle moslims, zonder onderscheid van klasse of positie, om in een wereld vrij van discriminatie tegen moslims te leven. Concreet betekent dit vechten voor het recht op godsdienstbeleving van de moslims, ook wat betreft de klederdracht. Oprechte marxisten hebben niets gemeen met radicaal-links in Frankrijk die weigeren de strijd tegen het verbod op het dragen van de hoofddoek door jonge moslimmeisjes op te nemen. We moeten actief het recht van iedereen verdedigen op het beleven van hun godsdienst naar keuze, of om ze niet te praktiseren, los van elke vorm van discriminatie of vooroordelen.

Dat betekent niet dat we de hele moslimgemeenschap zien als een homogeen (waaronder niet te onderscheiden valt), progressief blok. Factoren als klasse, etnie en positie verdelen de moslimbevolking. Groot-Brittannië telt 5400 moslimmiljonairs, de meesten onder hen maken hun winsten op de kap van andere moslims. Er bestaan kleine moslimgemeenschappen die zeer rijk zijn, zoals de 88 Britse Koeweities, waarvan de meeste in het land zelf wonen, die 55 miljard pond in de Britse economie hebben geïnvesteerd. Hoewel we langs de ene kant het recht van deze miljonairs op godsdienstbeleving wars van repressie verdedigen, moeten we langs de andere kant de loontrekkende moslims trachten te overtuigen dat hun belangen lijnrecht tegenover die van deze 88 staan. We moeten hen ook uitleggen dat de weg naar bevrijding ligt in de strijd van de gehele arbeidersklasse wereldwijd, maar in de eerste plaats, gezien ze in Groot-Brittannië wonen, in de eengemaakte strijd van alle Britse arbeiders.

Het programma dat socialisten naar voor schuiven is gericht naar het bevorderen van de klasseneenheid, met als doel het verhogen van hun zelfvertrouwen en het begrip van de objectieve situatie. Dat is waarom onze zusterpartij in Noord-Ierland (Socialist Party) steevast de strijd voor eenheid onder Protestantse en Katholieke arbeiders heeft gevoerd. Ook in het Groot-Brittannië van vandaag, ten gevolge van het reactionaire beleid van Tony Blair en zijn New Labour partij, moeten we de verdeling van de arbeiders ook hier trachten te overstijgen.

De arbeidersstrijd in Groot-Brittannië wordt gekenmerkt voor sterke tradities van eenheid tussen moslimarbeiders en andere lagen van de arbeidersklasse. Dit vloeit voort uit de belangrijke rol die de beste voorhoede van de arbeidersbeweging heeft gespeeld in het bevechten van racisme. Het is hierdoor dat zwarte en Aziatische arbeiders, moslims inbegrepen, een sterke alliantie hebben gevormd met de arbeidersbeweging, zelf indien de meerderheid van de eersten niet afkomstig was uit de stedelijke gebieden in hun landen van herkomst. In de jaren ’70 bijvoorbeeld speelden zwarte en Aziatische arbeiders een belangrijke rol tijdens vele industriële conflicten. De strijd in Grunwick tegen de lage lonen in 1976 werd in hoofdzaak gedragen door Aziatische arbeidsters en is geworden tot een van de belangrijkste sociale conflicten uit dat decennium.

Het is uit deze positieve tradities dat tot voorkort, moslim-arbeiders in Groot-Brittannië traditioneel nauw aanleunden bij de Labour partij. In 1992 stelde een opiniepeiling dat "moslims loyaal staan tegenover de Labour Partij omdat ze geloven dat deze partij opkomst voor de arbeidersklasse en omdat de Labour Partij veel minder racistisch is in hun houding en in de praktijk vergeleken met de Conservatieve Partij in het bijzonder." Na de algemene verkiezingen van 1997, concludeerde een opiniepeiling dat 66% van de Aziatische stemmen en 82% van de zwarte stemmen naar Labour zijn gegaan, vergeleken met het nationaal gemiddelde van 44%. Ter vergelijking: de Conservatieve Partij haalde onder de Aziatische stemmers 22%.

Maar New Labour van vandaag vertegenwoordigt op geen enkele manier de belangen van de arbeidersklasse. In tegendeel zelfs, de partij is nu een partij van de heersende klasse, en invloed van de vakbonden binnen de partij is volledig opgelost. Het is dan ook niet verwonderlijk dat niet enkel de moslims, maar met hen ook de meerderheid van de arbeidersklasse niet langer geloven dat de Labour Partij ‘hun’ partij nog is. Deze desillusie scheert voornamelijk onder de moslimarbeiders hoge toppen. De racistische maatregelen die de regering van New Labour doorvoert, hoewel ze iets vakkundiger zijn ingepakt dan bij de Conservatieven (de Tories), hebben vele moslims zwaar teleurgesteld. De grote breuk, echter, kwam er met de oorlog tegen Irak. Het was op dit moment dat vele moslims hun steun voor de Labour partij definitief hebben ingetrokken. Een opiniepeiling, gerealiseerd voor de Europese verkiezingen, meldde dat de steun voor Labour onder moslims gevallen is van 75% bij de vorige nationale verkiezingen tot 38% op het moment van de peiling.

Hoewel de anti-oorlogsbeweging het potentieel aantoonde van het winnen van moslimarbeiders, die teleurgesteld zijn in de Labour partij als een alternatief voor de arbeidersklasse, kan dat niet als een rechtlijnig proces worden bekeken. Een absolute voorwaarde is dat de arbeidersbeweging, ten gevolge van het verraad van New Labour, keer op keer bewijst dat ze in de praktijk bereid is te vechten tegen racisme en islamofobie. Maar de rol van socialisten ligt ook in het naar voor brengen van een socialistische klassenoriëntatie naar moslims. Het feit dat moslims zij aan zij met socialisten betoogden tegen de oorlog is een reële stap voorwaarts. Maar in discussies met moslims die tegen de oorlog zijn, kunnen we ons niet beperken tot het naar voor brengen van ons gemeenschappelijk verzet tegen de imperialistische bezetting van Irak. De discussie moet uitgebreid worden met thema’s die belangrijk zijn voor de arbeidersbeweging in Groot-Brittannië – inbegrepen een programma en een strategie tegen de privatiserings- en besparingsprogramma’s van New Labour. We moeten tevens de noodzaak van een politiek alternatief op New Labour naar voor brengen: een nieuwe massale partij die de anti-oorlogsactivisten samenbrengt met vakbondsmilitanten en miltanten tegen de besparingsprogramma’s. Zo’n partij zou alle lagen van de arbeidersklasse moeten vertegenwoordigen en organiseren.

Gedurende deze discussies zal het soms noodzakelijk zijn gespreksonderwerpen naar voor te brengen waarover meningsverschillen bestaan tussen socialisten en sommige moslims. Bijvoorbeeld over de eis van een apart onderwijssysteem voor moslims, een eis die door meer en meer moslims wordt gedragen en een eis die te begrijpen valt als we het toenemend racisme in acht nemen. Langs de ene kant moeten we vechten tegen racisme en discriminatie op school, en opkomen voor het recht op voorzieningen voor alle studenten om hun geloof te beoefenen. Maar dit betekent niet dat we de eis voor een gescheiden islamonderwijs ondersteunen, net zoals we de eis voor andere religieuze onderwijsnetten niet steunen. We moeten daarentegen geduldig uitleggen dat deze eis enkel zal leiden tot meer segregatie en isolement van de moslimgemeenschappen, wat enkel kan leiden tot meer racisme tegen hen.

Volgens dezelfde gedachtegang voeren we campagne voor het recht van jonge moslimvrouwen om de hoofddoek te dragen, net zoals we duidelijk moeten maken dat we ook hun recht op het niet dragen van de hoofddoek verdedigen, zelfs als dat leidt tot meningsverschillen met andere moslims.

Repect slaat de bal mis

Helaas is de Socialist Workers Party (SWP) zo’n houding niet toegedaan. Hun nieuw electoraal samenwerkingsverband met de parlementair George Galloway, Respect, heeft enkele electorale successen geboekt. Dit komt voornamelijk door hun oproep naar moslims. Voor de Europese verkiezingen produceerden ze een speciaal pamflet gericht naar moslims waarin Respect beschreven werd als "een partij voor moslims". Onder de hoofdtitel van het pamflet ("George Galloway – een vechter voor moslims"), schreven ze: "Gehuwd met een Palestijnse dokter, koestert hij diepgewortelde godsdienstige principes over de strijd tegen onrecht. Hij werd door Blair uit de partij gezet omdat hij weigerde zich te verontschuldigen voor zijn verzet tegen de oorlog. Onze moslimparlementairen zwegen of steunden de oorlog. Van wie van de twee wilt u dat ze uw stem zijn?"

Het is juist om Galloways verzet tegen de oorlog te adverteren en de moslim-parlementairen te bekritiseren voor hun weigering zich tegen de oorlog te verzetten. Maar de rest van het pamflet is niet meer dan een uitermate opportunistische poging om moslims aan te spreken op basis van hun geloof. De rol van socialisten moet juist bestaan uit een poging moslims te overtuigen van socialistische ideeën, en in het bijzonder de jonge werkende moslims, die het leeuwendeel uitmaken van de moslimbevolking in Groot-Brittannië.

Indien Respect van deze situatie gebruik zou maken om tussen te komen en Moslims te winnen voor oprecht socialistische ideeën, net zoals we dat moeten doen naar andere lagen van de arbeidersklasse, dan zou dit initiatief enkel lof verdienen. Respect maakt daarentegen een oproep naar moslims als één blok in de hoop dat ze op korte termijn electorale succes kunnen boeken. In werkelijkheid toont ervaring met de betrokkenheid van moslims in de politiek aan dat deze houding geen vruchten afwerpt. Het kan best zijn dat sommige moslim politici in New Labour zijn gestapt met het idee hun gemeenschap zo te kunnen helpen. Ervaring toont aan dat tenzij ze dat doen op basis van een socialistische oriëntatie, ze daarin schromelijk falen. Zo is het een blunder van formaat dat Galloway uitlegt dat hij zich niet kandidaat stelt tegen Mohammed Sawar, verkozen voor het parlement voor de regio Glasgow Govan, omdat deze laatste een moslim is. Sawar heeft systematisch met New Labour meegestemd. Alhoewel hij dat stramien doorbrak door tegen de oorlog te stemmen, stemde hij nadien, zelfs in aangelegenheden met betrekking tot Irak, elke keer weer mee met de regering. Het feit dat hij moslim is, betekent niet automatisch dat hij de belangen van gewone moslims verdedigt. Op lokaal vlak hebben moslim verkozenen steevast de tendens gehad afkomstig te zijn uit kleine elitaire moslimgroepen in plaats van de arbeidersklasse. Belangrijker nog, de meerderheid van hen heeft energiek het beleid van New Labour verdedigd.

Tegelijkertijd, door haar falen om een klassenbewustzijn op te wekken onder moslims, kan Respect, indien ze deze weg blijft bewandelen, gevaarlijke verdelingen in de arbeidersbeweging tussen moslims en andere gemeenschappen teweegbrengen. Indien Respects opkomst verzilverd zal worden op basis van haar imago als moslim-partij, die de noden van de andere lagen van de arbeidersklasse niet aanspreekt, kan dat andere lagen wegjagen en racistische en verdelende ideeën versterken.

Helaas lijkt dat de weg die Respect nu is ingeslagen. In recente lokale verkiezingen in Leicester-Zuid, kreeg Respect een aardig aantal stemmen. De kandidaat van de lijst, Yvonne Ridley, is de journalist die zich bekeerde tot de islam nadat ze was gevangen genomen door de Taliban in Afghanistan. Nogmaals deed Respect een beroep op de moslimgemeenschap op een puur religieuze basis. Het speciaal uitgebrachte pamflet was gericht naar de moslimgemeenschap en het citeerde een lokale moslimleider die stelde dat Ridley "… de enige MOSLIMkandidaat [hoofdletters aangebracht in het pamflet) was" en dat "moslims een spilrol te spelen hadden in de verkiezingen". Het pamflet gaf geen enkele andere reden om op Respect te stemmen.

Russische Revolutie als rechtvaardiging?

Teneinde haar politiek opportunisme in Groot-Brittannië te rechtvaardigen, heeft de SWP de geschiedenis uitgeplozen om een historisch voorbeeld te vinden die hun houding moet onderbouwen. Uit een recent artikel uit de Socialist Review door Dave Crouch is het duidelijk dat de SWP gelooft dat de houding van de Bolsjewieken onmiddellijk na de Russische Revolutie kan aangebracht worden om hun positie te ondersteunen.

Hoewel het artikel een interessant verslag geeft van de gebeurtenissen die plaatsvonden, blijft het artikel een eenzijdige kant belichten door de zo sterk de nadruk te leggen op bepaalde deelaspecten om de houding van de SWP tegenover Respect in een goed daglicht te stellen. Hierdoor geeft het de lezers een verdraaid beeld van de zaak. In een langer artikel over hetzelfde onderwerp, gepubliceerd in het theoretisch blad van de SWP, International Socialism, in 2002, toont Crouch aan dat hij wel degelijk in staat is een meer gebalanceerd beeld van de zaak te geven. Ironisch genoeg bekritiseert hij in dat artikel een andere schrijver die hetzelfde onderwerp heeft bestudeerd omdat de laatste "de binnenlandse politiek [van de Bolsjewieken] in een quasi hermetisch afgesloten isolatie van de pré-revolutionaire maatschappij, de [revolutie van] 1917, en de stalinistische contra-revolutie" bestudeert. Maar in Socialist Review begaat hij die vergissing zelf omdat hij niet in staat is de enorme verschillen tussen de situatie voor Britse marxisten vandaag en in Rusland onmiddellijk na de revolutie, uit te leggen. Hij beperkt zich dan ook tot het stellen dat "we kunnen leren van en geïnspireerd moeten worden door de verwezenlijkingen " van de Bolsjewieken.

Bijvoorbeeld, het is correct dat het Rode Leger deel heeft genomen aan een aantal militaire allianties met pan-islamitische krachten. Maar dit was in een periode van burgeroorlog. Meer dan één kapitalistisch leger had het land aangevallen en probeerde de eerste succesvolle arbeidersrevolutie te onderdrukken in alliantie met lokale heersende klassen, die gedomineerd werden door de grote landheren. De burgeroorlog was voornamelijk een strijd op leven en dood in de overwegend moslimregio’s van Centraal-Azië. Het is niet moeilijk te begrijpen dat de vergelijkingen met het Groot-Brittannië van vandaag zeer beperkt zijn in dat opzicht.

Dat betekent niet dat er waardevolle lessen te trekken vallen uit het pionierswerk dat de Bolsjewieken verrichtten. Maar Crouch vertelt enkel de helft van het verhaal. Het focust vrijwel enkel op de punten waar eenheid tussen moslimleiders en Bolsjewieken bestonden, maar legt de politieke meningsgeschillen, de conflicten en de moeilijkheden die bestonden niet uit, net zoals hij ook niet uitlegt hoe de Bolsjewieken trachtten de moslimmassa’s te winnen voor een marxistisch programma. Zonder het evenwel met zoveel woorden te zeggen, geeft het artikel een volledig vertekend beeld als zou de islam van binnenuit een progressievere godsdienst zijn dan anderen omdat de godsdienst beleefd werd door de onderdrukte en gekoloniseerde volkeren en als zouden de Bolsjewieken de moslims in een fundamenteel andere manier behandeld hebben dan andere geloven.

Terwijl Vladimir Lenin en Leon Trotski op correcte wijze de rechten van de godsdiensten van alle onderdrukte minderheden met een extreme gevoeligheid behandelden, was dit in feite slechts een onderdeel van hun houding tegenover het nationale vraagstuk. Deze houding bestond erin op elk niveau de verdeeldheid en de verschillen die er bestonden tussen verschillende lagen van de arbeidersklasse te overstijgen. Ze begrepen dat teneinde dit te kunnen bereiken, het noodzakelijk was keer op keer te demonstreren dat de Sovjet-macht de enige weg naar nationale bevrijding was voor alle onderdrukte lagen die het ex-tsaristisch rijk telde. Lenin bestempelde dit rijk als een "gevangenis der naties". Deze houding ging geenszins gepaard met het minder benadrukken van de noodzaak van de eenheid van de arbeidersklasse wereldwijd. Indien er toegevingen werden gedaan aan nationalistische krachten werd openlijk en op een eerlijke manier uitgelegd waarom die toegevingen noodzakelijk waren. Tezelfdertijd gingen de Bolsjewieken gewoon voort met het naar voren schuiven van een marxistisch programma onder de massa’s van de onderdrukte gebieden.

Dit alles moet in zijn context worden gezien. De Bolsjewieken verrichtten hun werk onder fenomenaal moeilijke omstandigheden. Ondanks het potentieel voor succesvolle revoluties in andere landen, kenden deze revoluties een nederlaag en alzo bleef de eerste arbeidersstaat ut de geschiedenis geïsoleerd in een economisch achtergebleven land dat in hoofdzaak nog steeds bestond uit een boerenproductie. Uiteindelijk waren het deze factoren die leidden tot de opkomst van het stalinisme en het vernietigen van de arbeidersdemocratie door een monsterachtige bureaucratie.

Deze extreem uitzonderlijke omstandigheden – waar het overleven van de revolutie letterlijk aan een zijden draadje hing – dwong de arbeidersstaat toegevingen op alle vlakken te doen. In 1921, wanneer het duidelijk werd dat een succesvolle revolutie in een ander land niet op korte termijn ter hulp zou schieten en op het moment dat er massale ontberingen waren in het land, werd Lenin gedwongen om de Nieuwe Economische Politiek voor te stellen die onder andere voorzag in toegevingen aan de markteconomie. Deze overweldigende materiële moeilijkheden hadden onvermijdelijk een effect op de mogelijkheden van de arbeidersstaat om haar politiek in een hele waaier van beleidsdomeinen door te voeren.

Desalniettemin was de houding van Lenin en Trotski in het bijzonder in verband met de rechten van nationale, religieuze en etnische minderheden een lichtend voorbeeld in de manier waarop met een principiële manier extreme gevoeligheid aan de dag moet worden gelegd wat betreft de nationale verzuchtingen van de nationale minderheden.

Het recht op zelfbeschikking der naties

De houding van de Bolsjewieken tegen de moslimbevolking kwam niet in eerste instantie voort uit de kwestie van religie op zich, maar veeleer uit de kwestie hoe godsdienst verweven was met het recht op zelfbeschikking der naties. De eenmaking van landen en een oplossing voor het nationale vraagstuk is een van de hoofddoelstellingen van de burgelijk-democratische revolutie, samen met de vernietiging van de feodale en semi-feodale verhoudingen in het land en samen met de invoering van een burgerlijk [-parlementaire, nvdr] democratie. In tsaristisch Rusland, die een semi-feodale absolutistische monarchie was, was deze taak nooit voleindigd geweest. De Bolsjewieken begrepen dat, gezien de onderontwikkeling van de burgerij als klasse is Rusland en haar panische angst voor revolutionaire bewegingen van de arbeidersklasse, de Russische burgerij totaal niet in staat was de taken van haar eigen revolutie tot een goed einde te brengen.

Het was Trotski die als eerste, met zijn theorie van de permanente revolutie, tot de conclusie kwam dat deze taak dan ook op de schouders van de arbeidersklasse viel. De arbeidersklasse zou op haar beurt de boeren enthousiasmeren en ze achter haar krijgen. Trotski legde uit dat, hoewel het belang van de boerenstand niet te verwaarlozen valt, de boeren, gezien hun heterogeniteit en hun fysische spreiding, niet in staat waren om onafhankelijk op te treden, maar dat ze altijd of achter de heersende klasse of achter de arbeidersklasse zou getrokken worden.

Trotski stelde verder dat de arbeidersklasse het niet bij de taken van de burgerlijk-democratische revolutie zou laten, maar dat ze onmiddellijk zou overgaan tot de taken van de socialistische revolutie en dat op een "ononderbroken" manier. Later trok Lenin dezelfde conclusies, uiteengezet in de Apriltheses van 1917. Tijdens de revolutie van 1917, ging de arbeidersklasse inderdaad onmiddellijk over van de taken van de burgerlijk-democratische revolutie tot het begin van de socialistische revolutie.

Deze taken waren immens veel groter in de gebieden van het ex-tsaristisch rijk dan in Rusland zelf. Hoewel de verschillende regio’s allen hun eigen karakteristieken hadden, waren deze regio’s in het algemeen economisch extreem onderontwikkeld en bestonden de bevolkingen in hoofdzaak uit arme boeren. De liberale burgerij, zwak en laf in Rusland, was virtueel onbestaande in de meeste van deze regio’s. De arbeidersklasse, waar ze bestond, bestond in hoofdzaak uit Russische uitwijkelingen, en het weinige aantal leden dat de Bolsjewieken daar hadden, kwamen dan ook voornamelijk uit deze lagen voort. Al deze factoren waren bijzonder pijnlijk in Centraal-Azië, die hoofdzakelijk bevolkt werd door moslims. Deze karakteristieken waren het resultaat van de feodale economische en sociale verhoudingen die bestonden, en de situatie was weinig anders in gelijkaardige onderontwikkelde regio’s die hoofdzakelijk bevolkt werden door Christenen.

Lenin en Trotski begrepen duidelijk de enorme moeilijkheden waarmee een nieuwe arbeidersstaat in het begin mee geconfronteerd zou worden in verband met het oplossen van het nationale vraagstuk in deze regio’s. De imperialistische overheersing door het Russische tsarisme had diepe wonden geslagen en sinds 1916 waren er even vastberaden als bloedige conflicten tegen de onderdrukking. Daarom was het van levensbelang om telkens weer te bewijzen aan de nationale minderheden, die onderdrukt werden door het tsarisme, dat de Sovjetmacht niet een nieuwe vorm van imperialisme was maar de enigste manier waarop nationale bevrijding kon worden teweeggebracht.

De Grondwet, die in juli 1918 werd aangenomen, maakte het duidelijk dat de regionale sovjets (raden), gebaseerd op "een bijzondere manier van leven en nationale samenstelling", samen dienden te komen om al dan niet te beslissen of ze bij de Russische Federatie van Socialistische Republieken, en op welke basis. Maar Grondwetten op zich waren niet onvoldoende. Het doorvoeren van de taken van de burgerlijk-democratische revolutie betekende het helpen in de ontwikkeling van een nationale cultuur die daarvoor nog nooit is kunnen ontwikkelen. Na decennia van ‘Russificatie’ bijvoorbeeld werd het gebruik van de lokale talen aangemoedigd, inbegrepen in verschillende gevallen de ontwikkeling van een geschreven versie, iets wat daarvoor nog nooit gebeurde.

Er was geen tegenstelling tussen deze houding en het internationalisme van de Bolsjewieken. Alleen door zich op te werpen als de beste vechters voor de nationale bevrijding van de onderdrukten, kon Sovjet Rusland aantonen dat de weg naar de bevrijding bij de internationale arbeidersklasse lag en in het bijzonder bij de arbeidersklasse van Rusland. Deze houding werd echter niet begrepen door alle Bolsjewieken, waarvan een deel tendeerde te stellen dat de steun aan het recht op zelfbeschikking der naties in tegenstelling was met hun internationalisme, een houding die juist in de kaart speelde van het Groot-Russische nationalisme. In tegenstelling daarmee hanteerde Lenin een extreem getalenteerde en gevoelige houding die betekende dat de Federatie vele nationaliteiten, onderdrukt onder het tsarisme, op een vrijwillige en vrije manier inlijfde.

De houding van de Bolsjewieken tegenover de islam.

Gezien de onderdrukking van de islamitische godsdienst door het tsarisme, maar net zozeer door het Britse en het Franse wereldwijde imperialisme- was het onvermijdelijk dat het recht op vrije godsdienstbeleving een van de centrale pijlers moest worden van het eisenprogramma van de moslimmassa’s. De Bolsjewieken erkenden dit recht en waren, terecht, extreem gevoelig tegenover deze eis, net zoals ze dat waren tegenover andere onderdrukte godsdiensten, zoals het Boeddhisme en het niet-orthodoxe Christendom.

Maar Dave Crouch gaat te ver wanneer hij stelt dat de "Bolsjewieken een zeer verschillende houding aannamen tegenover het Orthodoxe Christendom [in vergelijking met hun houding tegenover de Islam], de godsdienst van de brutale Russische kolonisten en missionarissen". Hij versterkt deze indruk door te stellen dat "1500 Russen uit de Turkestaanse Communistische Partij gegooid werden vanwege hun religieuze overtuigingen, geen enkele van hen van Turkestaans." Dit is een te simpele voorstelling van de feiten. De Russen werden uit de partij gezet omdat ze de koloniale onderdrukking van keizerlijk Rusland in de naam van de revolutie voortzetten, veeleer dan vanwege hun godsdienstige overtuigingen.

Natuurlijk begrepen de Bolsjewieken dat in de keizerlijke gebieden van het Tsaristische rijk het Orthodoxe Christendom in de grond een reactionaire rol speelde als één van de vele werktuigen van de Groot-Russische onderdrukking. Niettemin had deze godsdienst, voornamelijk in Rusland zelf, een tweeledig karakter: het was de onderdrukkende godsdienst van de tsaren, maar het was, in de woorden van Karl Marx, "de zucht van de onderdrukten": de Russische massa’s. Lenin verwees in zijn woorden ook naar de Russische massa’s wanneer hij zegt dat " we absoluut niet mogen vervallen in het aanstoot geven tegen godsdienstige overtuiging."

Het echte marxisme, dat van Lenin en de bolsjewieken, is op geen enkele manier te vergelijken met de latere misdaden van Stalin. Vetrekkende vanuit een materialistisch, en dus een atheïstisch, standpunt, verdedigden de Bolsjewieken terecht het recht voor eenieder om eender welke godsdienst te beleven, of het recht om juist geen godsdienst te beleven. Ze begrepen dat dit de complete scheiding tussen kerk en staat betekende. Staatsgodsdienst vormde één van de steunpilaren van de onderdrukking in de feodale maatschappij, net zoals het kapitalisme dat doet, zij het in een gewijzigde vorm. In semi-feodaal Rusland was het apparaat van het Orthodoxe Christendom, de staatsgodsdienst, één van de potentieel sterke krachten van de reactie. Maar op een andere manier is het ook waar dat de Islam die rol vervulde in de overwegend moslim-gedomineerde Republieken. Hoewel het Orthodoxe Christendom de godsdienst van de koloniale onderdrukking vormde, en de Islam de onderdrukte godsdienst was die de steun genoot van de overweldigende meerderheid van de arme massa’s, trachtten de inheemse elites desalniettemin de steun voor de islam te vertalen in een werktuig voor de contra-revolutie. Natuurlijk viseerde de scheiding tussen kerk en staat in Centraal-Azië niet enkel het Orthodoxe Christendom, maar ook de Islam. De Bolsjewieken hanteerden deze houding, zelfs indien dat conflicten inhield met een deel van de moslimgelovigen. Zo weigerden, als voorbeeld van de gevolgen van dit beleid, vele moslimouders hun kinderen naar school te sturen.

Maar terwijl ze ijverden voor de scheiding tussen godsdienst en staat, vermeden de Bolsjewieken voorzichtig de indruk te wekken dat ze een ‘Russische’ maatschappijvorm in Centraal-Azië wilden installeren. Zo begrepen ze dat, daar waar de bevolking positief tegen de sjaria-wetgeving [de islamitische godsdienst] stond, het gezien zou geweest zijn als Russisch imperialisme indien ze zich verzetten tegen hun bestaan. Dat betekent niet dat de Bolsjewieken de reactionaire feodale beleidsmaatregelen die de sjaria rechtbanken soms voorstonden, aanvaarden, net zomin ze de reactionaire feodale houdingen die bestonden in verschillende aspecten van de maatschappij doorheen het voormalige Russische keizerrijk, aanvaarden. Ze begrepen daarentegen dat reactionaire houdingen niet zomaar afgeschaft konden worden, maar dienden te veranderen op termijn. Dat is waarom ze een parallel Sovjet wetgevend systeem op poten stelden, in een poging te bewijzen dat de Sovjets gerechtigheid konden bieden. Om de rechten van vrouwen in het bijzonder veilig te stellen werd het oordeel van en sjaria rechtbank enkel aanvaard indien beide partijen ermee akkoord gingen. Indien één van de partijen niet akkoord ging met het oordeel, konden ze beroep aantekenen bij een hoger Sovjet gerecht.

De islam is verdeeld

Op dit en andere thema’s geeft Crouch ons een eenzijdige weergave van de feiten. Bij de lectuur van zijn artikel zou men kunnen denken dat virtueel de gehele moslimbevolking van Centraal-Azië progressief en geallieerd met de Bolsjewieken was. In een artikel van twee pagina’s, die meerdere voorbeelden bevatte over de positieve samenwerking tussen de moslimkrachten en de Bolsjewieken, worden door Crouch slechts twee korte verwijzingen gemaakt naar het feit dat dit niet in elke omstandigheid het geval was. Het eerste werd terloops vermeld, namelijk in de tweede paragraaf waar Crouch zegt dat "tezelfdertijd conservatieve moslimleiders vijandig waren tegen revolutionaire verandering", maar er wordt geen verdere uitleg gegeven over de rol van deze "conservatieve moslimleiders". De tweede verwijzing krijgen we wanneer hij schrijft over de "Basmachi beweging – een gewapende islamistische opstand- [die] uitbreekt". Maar de schuld voor deze contra-revolutionaire opstand wordt enkel en alleen op de schouders van het, ongetwijfeld, koloniale beleid van de Tasjkentse Sovjet in een periode van burgeroorlog gelegd.

Het klopt dat gedurende de burgeroorlog, gedurende dewelke grote delen van het Oosten werden afgescheiden van Rusland, sommige chauvinistische Russische uitwijkelingen de revolutie steunden omdat ze dat als de beste manier zagen om de voortzetting van de Russische dominantie te verzekeren. De politiek die zij uitvoerden in naam van de revolutie waren een verderzetting van de tsaristische onderdrukking van de moslims. In Tasjkent, waar 90 pc moslims woonden, hield de Sovjet -onder leiding van de mensjewieken en de Sociaal-Revolutionairen, al zijn zittingen in het Russisch en sloot inheemse leiders op een principeloze en chauvinistische manier uit. Deze reactionaire politiek speelde een grote rol in de beslissing van islamistische guerrilla-groepen om de Basmachi beweging op te zetten. Maar in oktober 1919 had de Bolsjewistische leiding het contact met Tasjkent hersteld en vanaf dan trachtten ze deze beleidsdaden van de Tasjkentse Sovjet te keren. In april 1918 al, waren 80 pc van de afgevaardigden voor de Tasjkentse Sovjet moslim.

Hoewel Groot-Russische vooroordelen onvermijdelijk bleven bestaan, gingen de Bolsjewieken ver in hun pogingen aan te tonen dat nationale en culturele vrijheid enkel door de macht van de Sovjets kon verwezenlijkt worden. Zoals Crouch schrijft, werden "heilige islamitische monumenten, boeken en voorwerpen die geroofd waren door de tsaren teruggebracht naar de moskeeën. Vrijdag, een islamistische feestdag, werd uitgeroepen tot wettelijke rustdag doorheen heel Centraal Azië." Maar geen enkele van deze maatregelen verhinderden de Turkse nationalist, Enver Pasha, om in de herfst van 1921 in Centraal-Azië aan te komen en zich onmiddellijk aan te sluiten bij de Basmachi opstand, en zo de rivaliteiten tussen verschillende stammen te doen omslaan in een gemeenschappelijk gevecht van de islamitische reactie. Dit was omdat veel van de moslims de kant van de reactie hadden gekozen, niet gewoonweg vanwege de misdaden van de sovjet van Tasjkent, maar met het doel land en grondgebied te veroveren, waar andere moslims konden uitgebuit worden. Met andere woorden, deze lui handelden in overeenstemming met hun klassenbelangen.

De Bolsjewieken hebben steeds begrepen dat het hun taak was om een maximum van eenheid te bewerkstelligen onder de arbeidersklasse en de boerenmassa’s achter zich te krijgen. Dit betekende de arme moslim-massa’s overtuigen dat hun zaak aan de kant van de revolutie en niet aan de kant van de reactionaire moslimleiders lag. In tegenstelling tot de SWP vandaag, trachtten de Bolsjewieken dit systematisch te bewerkstelligen.

De inheemse leiders

Dave Crouch verwijst naar de mate waarin de Bolsjewieken trachtten inheemse nationale leidingen te creëren in de Sovjets van de nieuw gevormde autonome landen. In hun maatregelen besloten ze onder andere tot het opzetten van een Moslim Commissariaat (Muskom), waarvan de leiding grotendeels in handen was van niet-Bolsjewistische moslims. Tegelijkertijd legde men veel energie aan de dag om inheemse volkeren te doen aansluiten bij de Communistische Partij (CP – de nieuwe naam voor de Bolsjewieken), wat leidde tot een gigantische stijging van het aantal nieuwe moslimleden.

Crouch schrijft verder: "Er was serieuze discussie tussen moslims over de al dan niet gelijklopendheid tussen islamitische waarden en socialistische principes. De slogans onder het volk in die tijd waren onder meer: ‘Lang leve de macht van de Sovjets, lang leve de Sjaria!’; ‘Godsdienst, vrijheid en nationale onafhankelijkheid’. De aanhangers van ‘Islamitisch Socialisme’ riepen moslims op tot het opzetten van Sovjets".

Nogmaals was de realiteit net iets complexer dan de beschrijving die onze schrijver er aan geeft: zo wordt er geen melding gemaakt van de houding van de Bolsjewieken tegenover het ‘Islamitisch socialisme’. Het is natuurlijk zo dat, gezien de CP marxistisch was en daardoor atheïstisch, religieus geloof geen obstakel was tot het toetreden tot de partij. Vele moslims werden dan ook gerecruteerd. Maar dit betekent daarentegen niet dat een partij tot de CP kon aansluiten enkel en alleen omdat deze partij Islamitisch was en omdat ze steun verleende aan de revolutie. Alhoewel militaire allianties op korte termijn werden gevormd met allerhande krachten, was er slechts één moslimorganisatie op Sovjet gebied die erkend was door de Bolsjewieken (op basis van het partijprogramma) als een oprecht socialistische organisatie -Azerbaijani Hummet, die later de kern werd van de CP van Azerbeidjan. Andere partijen, zoals de Kazachse liberaal-nationalistische partij Alash Orda, werden geweigerd ondanks hun pretentie de revolutie te steunen vanwege hun programma en hun klassenbasis.

Desalniettemin, vanwege het belang om inheemse leidingen te vormen van de CP, werden individuen die een tekenend verschillende houding hadden dan Lenin en Trotski, toegelaten tot de CP. Eén van hen was Mirsaid Sultangaliev, die voorzitter werd van het Centaal Moslim Commissariaat na zijn aansluiting bij de CP in november 1917. Hij stelde: "Alle onderdrukte moslim-volkeren zijn proletarische volkeren en gezien bijna alle klassen in de moslimmaatschappij onderdrukt werden door de kolonialistische politiek, hebben alle klassen het recht om als ‘proletarisch’ bestempeld te worden."

Op deze basis beargumenteerde hij dat er geen klassenstrijd kon zijn in de onderdrukte naties. In werkelijkheid waren zijn ideeën een masker die de belangen van de lokale heersende elite verborg. De leiding van de CP bekritiseerde keer op keer en op een openlijke manier zijn ideeën. Zo wordt er in ‘Theses over de Nationale en Koloniale vraagstukken’ (juni 1920) duidelijk geschreven dat "een strijd noodzakelijk is tegen Panislamisme, de Panaziatische beweging en gelijkaardige stromingen die de bevrijdingsstrijd tegen het Europese en Amerikaanse imperialisme linken met het versterken van het Turkse en Japanse imperialisme, de khans [de adel, nvdr], de grote landheren, de mollahs [de clerus, nvdr], etc."

En verder: "Een vastberaden strijd is nodig tegen de poging om een communistische tint te geven aan de revolutionaire bevrijdingsbewegingen die niet waarlijk communistisch zijn in de [economisch] achtergebleven landen. De Communistische Internationale heeft de plicht om de revolutionaire beweging in de kolonies te steunen met als enig doel het verzamelen van de componenten van toekomstige proletarische partijen – communistisch in daad en niet enkel in naam- in alle achtergebleven landen en hen op te leiden in het bewust worden van hun speciale taken, dwz. het gevecht tegen de burgerlijk-democratische tendensen in hun eigen landen."

Dit voorbeeld toont aan hoezeer de houding van de Bolsjewieken fundamenteel verschillend was vergeleken met de houding van de SWP vandaag. Het is waar dat het Manifest van het Congres van de Oosterse Volkeren opriep voor een heilige oorlog, zoals Crouch het aanhaalt, wat marxisten vandaag niet zouden doen gezien de implicaties van zo’n oproep. Maar wat met die oproep bedoeld werd, had een duidelijke klassenbenadering: "Jullie hebben dikwijls horen spreken van de oproep tot een heilige oorlog: vanwege jullie regeringen, jullie hebben gemarcheerd onder het groene vaandel van de Profeet, maar al die heilige oorlogen waren frauduleus, die enkel de belangen van jullie egoïstische heersers dienden, terwijl jullie, boeren en arbeiders, in slavernij en in nood bleven na deze oorlogen… Nu roepen we jullie op om de eerste heilige oorlog in het belang voor jullie zelf, voor jullie vrijheid, voor jullie eigen leven te voeren!"

En in de loop van het Congres werd er steevast benadrukt dat de strijd tegen "de reactionaire mollahs in ons eigen midden" gevoerd moest worden, en dat de belangen van de armen in het Oosten enkel behartigd konden worden door de arbeidersklasse in het Westen.

De revolutie van 1917 inspireerde miljoenen mensen op de aardbol. Grote bewegingen van de arme volkeren van de onderdrukte naties, waaronder vele moslims, groepeerden zich achter het vaandel van de eerste arbeidersstaat. De houding van Lenin en Trotski, die benadrukte dat de macht van de Sovjets nationale bevrijding en godsdienstvrijheid inhield, was correct. Deze houding was des te crucialer gezien de misselijkmakende geschiedenis van de sociaal-democratische Tweede Internationale die de koloniale overheersing ondersteunde. Maar doordat de Communistische Internationale dit deed, betekent nog niet dat ze hun socialistisch programma afzwakte. Het werd inderdaad benadrukt dat de weg naar de vrijheid niet lag in de eenheid met de nationale burgerij maar met de wereldwijde arbeidersklasse in de strijd tegen het imperialisme, evenals in de strijd tegen de feodale landeigenaars in eigen land en tegen de reactionaire mullahs.

Welke lessen voor vandaag?

In Centraal-Azië trachtten Lenin en Trotski een bevolking die overwegend uit moslimboeren bestond en die vochten voor nationale rechten, te winnen voor de wereldrevolutie, tegen een achtergrond van een gevecht op leven en dood voor het overleven van de eerste arbeidersstaat. Vandaag, in Groot-Brittannië, trachten we een onderdrukte minderheid van de arbeidersklasse, te winnen voor het socialisme.

In veel opzichten is onze strijd vandaag stukken gemakkelijker. De overweldigende meerderheid van Britse moslims maken deel uit van de arbeidersklasse, en velen van hen werken naast de autochtone arbeiders op hun respectievelijke werkplaatsen, voornamelijk in de openbare diensten. De massale anti-oorlogsbeweging gaf ons een idee van het bestaande potentieel voor een verenigde beweging van de arbeidersklasse, waarin de moslims een volwaardige rol spelen. De vorming van een nieuwe arbeiderspartij, die met een klassenbenadering campagne voert zowel op algemene thema’s als tegen racisme en Islamofobie, zou een enorme aantrekkingspool zijn naar moslimarbeiders en zou tezelfdertijd racisme en vooroordelen beginnen te overstijgen.

Maar de afwezigheid van zo’n partij op dit moment vat de moeilijkheden waar we vandaag mee geconfronteerd zijn samen. In de jaren negentig, gaf de val van de regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie het kruid om de idee van socialisme af te schieten als een mislukking (ze stelden verkeerdelijk socialisme op dezelfde lijn met deze stalinistische regimes). Dit stelde de heersende klassen in staat om een ideologische aanval in te zetten tegen socialistische ideeën. De rechtervleugel van de Labour Party, en van de sociaal-democratie over de hele wereld, maakte misbruik van deze gelegenheid om elke verwijzing naar socialisme in hun programma naar de prullenmand te zenden. Zo zijn ze geworden tot volwaardige kapitalistische partijen.

Tien jaar na de val van het Stalinisme, is een nieuwe generatie opgestaan die de conclusie aan te maken is dat het kapitalisme niet tegemoet kan komen aan de noden van de wereldbevolking, en een minderheid van hen komt tot de overtuiging dat socialisme noodwendig is. Maar het bewustzijn vandaag is nog niet op het niveau van de vereisten van de objectieve situatie en socialisme is nog geen massale kracht geworden.

Gezien de leegte die dat creëert, zoeken geradicaliseerde jongeren een politiek alternatief. Een kleine minderheid van moslimjongeren in Groot-Brittannië kijken uit naar rechtse politieke moslimorganisaties zoals Al-Muhajiroun. Dat deze organisaties geen alternatief vormen, wordt geïllustreerd door het feit dat ze zich verzetten tegen de anti-oorlogsbeweging, omdat dat betekende dat er moslims naast niet-moslims mee betoogden. Maar de meerderheid van de radicale moslimjongeren wezen Al-Muhajiroun en consoorten af en begrepen de noodzaak van een eengemaakte anti-oorlogsbeweging. Het potentieel om een sterke basis voor socialisten te bouwen onder de moslims bestaat ongetwijfeld – maar enkel en alleen als we campagne voeren voor en de noodzaak uitleggen van socialisme.

Op wereldvlak bestaan er grotere parallellen met de situatie waarmee de Bolsjewieken geconfronteerd waren, alhoewel er verschillen blijven. In Irak bijvoorbeeld worden socialisten geconfronteerd met de taak om onafhankelijke arbeidersorganisaties op te bouwen en de arbeiders en arme massa’s te mobiliseren voor de verdediging van hun rechten, inbegrepen het recht om zich onafhankelijk te organiseren van de islamitische organisaties, waarvan de programma’s geenszins een weg vooruit betekenen voor de Iraakse massa’s. De twintigste eeuw leert ons de gevaren die bestaan voor socialisten indien we ons onafhankelijk programma opgeven. In het bijzonder in het Midden-Oosten leidde de weigering van de Communistische Partijen, die over een massa-aanhang beschikten, om de macht te nemen tot het versterken van de rechtse politieke islam. Tijdens de Iraanse Revolutie van 1978-9, nam de arbeidersklasse het voortouw in de beweging die de afschuwelijke monarchie, gestut door het imperialisme, ten val bracht. De Communistische Tudeh partij was de belangrijkste kracht ter linkerzijde in Iran, maar volgde geen onafhankelijke klassenpolitiek. Dit verklaart waarom ze de Ayatollah Khomeini steunde, ondanks de pogingen van de clerus om de onafhankelijke arbeidersbeweging te wurgen. Het resultaat van deze politiek was het aan de macht komen van het Khomeini-regime die de Tudeh verpletterde en de meest klassenbewuste arbeiders vermoordde.

Aan de andere kant, ondanks de enorme moeilijkheden waarmee de Bolsjewieken geconfronteerd waren, lichtten hun ervaringen een tipje van de sluier dat de enige weg naar bevrijding – inbegrepen nationale en godsdienstvrijheid- lag bij de internationale arbeidersklasse verzameld rond een socialistisch programma.

Tachtig jaar later is de nationale onderdrukking voor diezelfde minderheden, die in de jaren na de revolutie even konden proeven van vrijheid, een nachtmerrie geworden. Het stalinisme en nu het kapitalisme betekenden voor hen de brutale onderdrukking van de nationale minderheden in die regio. Na de verschrikkingen in Beslan, staat zelfs het gevaar van een nieuwe oorlog in de Kaukasus terug op de agenda. De gebeurtenissen in Beslan jaagden een gevoel van afschuw door de hele wereld. Geen enkel motief kan zo’n onmenselijke acties rechtvaardigen. Maar we kunnen niet anders dan erkennen dat de wortels van de huidige situatie ginds geschoten werden door de systematische onderwerping van het Tjetjeense volk door de Russische regering, met als resultaat de dood van een kwart miljoen in de Tjetjeense oorlog en Grozny, de hoofdstad, die tot de grond gelijk werd herleid. Het is het totale failliet van het kapitalisme in de 21ste eeuw om het nationale vraagstuk op te lossen die ertoe zal leiden dat een nieuwe generatie de juiste erfenis van de Bolsjewieken zal herontdekken.

De Bolsjewieken en de moslimvrouwen

Zhenotdel, het departement voor werk onder arbeidersvrouwen en boerenvrouwen, voerde een campagne om de onderdrukte boerenvrouwen doorheen de Sovjet-Unie te bereiken. Dit ging in de meeste gevallen gepaard met gevaren voor de persoonlijke veiligheid. Zo organiseerden de activisten van Zhenotdel de ‘Rode Yertas’ (Yerta = tenten) waar lokale vrouwen onderricht werden in verschillende stielen, lezen, politieke vorming, etc.

Maar gezien het isolement van de revolutie, kon deze houding niet volledig tot ontwikkeling worden gebracht, noch in de moslimregios noch in de andere delen van de Sovjet-Unie. Dit was in essentie omdat de revolutie niet in staat was om de nodige economische en culturele middelen te voorzien die moesten leiden tot de emancipatie van de vrouw. Trotski beschrijft in De verraden revolutie hoe de nieuwe maatschappij trachtte te voorzien in vrije "moederschaphuizen, crèches, kindertuinen, scholen, sociale eetgelegenheden, sociale wasserettes, opvangcentra voor eerste hulp, ziekenhuizen, sanatoria, atletische organisaties, filmzalen" van hoge kwaliteit om "de vrouwen, en met haar het koppel, werkelijk te bevrijden van de duizend jaar oude dwingelandij".

Maar hij legt verder uit dat "het onmogelijk was om de oude familie met een storm door elkaar te schudden, niet omdat de wil afwezig was, maar omdat de familie een idee was die diepe wortels had geschoten in de harten van de mannen. In tegendeel, na een korte periode van wantrouwen in de regering en de crèches, kindertuinen en soortgelijke initiatieven die ze opzette, gingen de arbeidersvrouwen en daarna de meer bewustere boerenvrouwen de onmetelijke voordelen van de collectieve zorg voor kinderen meer en meer appreciëren net zoals de vermaatschappelijking van de hele economie die draait rond de familie. Maar helaas bleek de maatschappij te arm en te weinig cultureel ontwikkeld. De bestaande voorzieningen waarover de staat beschikte kwamen niet overeen met de plannen en de intenties van de Communistische Partij. Je kan de familie niet ‘afschaffen’, je moet haar vervangen. De huidige bevrijding van de vrouwen is niet realiseerbaar op basis van een ‘veralgemeende nood’. [Die] ervaring bewees dat deze formule die Marx tachtig jaar daarvoor had uitgedrukt waar was." [vrije vertaling uit het Engels, nvdr]

‘Veralgemeende noden’ waren in het bijzonder aanwezig in Centraal-Azië. In de praktijk betekende dit dat de vrouwen die uit repressieve familiesituaties hadden gebroken, geconfronteerd werden met verhongering gezien ze letterlijk op geen andere manier op steun konden bogen. Zelfs indien die economische middelen er wel waren geweest om de huishoudelijke last van vrouwen te tillen en hen zo in staat te stellen economisch onafhankelijk te zijn, zou het ongetwijfeld zo geweest zijn dat de nieuwe arbeidersstaat op verzet zou gestoten zijn, voornamelijk in de economisch achtergebleven regio’s waar de arbeidersklasse nog niet bestond. Maar, zoals Trotski uitlegt, zou op termijn, op basis van de middelen die voorzien zouden worden, de overweldigende meerderheid tot het besef komen van de voordelen van de emancipatie van de vrouw.


Verdere lectuur (in het Nederlands):

> Marxisme en de politieke islam, een bijdrage over de geschiedenis van de islam, Geert Cool, 2004

> Het ontwaken van Azië, Lenin, 1913

> De koloniale revolutie, Peter Vanderbiest, 2004

> Eenheid van de arbeidersklasse tegen onderdrukking, discriminatie en oorlog, een socialistisch standpunt over Resist en de AEL, Els Deschoemacker, 2003


Dit artikel verscheen eerder in het magazine ‘Socialism Today’ en werd uit het Engels vertaald door Emiel Nachtegael.

Delen: Printen: