Frankrijk 1968. Een revolutie?

Was de algemene staking van mei 1968 in Frankrijk een revolutie? We onderzoeken dit aan de hand van de vier voorwaarden voor revolutie die traditioneel naar voor worden gebracht door marxisten.

Clare Doyle

7. De vier voorwaarden voor revolutie

In Frankrijk had zich zonder twijfel een ‘klassieke’ revoluti­onaire situatie ontwikkeld. The Economist gebruikte voor het bepalen hiervan slechts één criterium : was een voldoende groot deel van de bevolking ‘ervan overtuigd dat zijn levensom­standigheden ondraaglijk geworden waren’. Werkers leven jaren, zelfs decennia onder ondraaglijke voorwaarden, zonder dat ze het gevoel krijgen dat ze een revolutie kunnen maken. Maar zoals Lenin verschillende malen uitlegde doet een revolutie zich alleen voor wanneer vier hoofdvoorwaarden voldaan zijn.

Ten eerste is de heersende klasse t.g.v. de crisis niet langer in staat zijn om op de oude manier te regeren en beginnen er zich splitsingen te ontwikkelen in verschillende vleugels die hun eigen oplossing voor de crisis zoeken. Ten tweede doet zich bij de middenlagen een gisting voordoen. Ten derde zoekt de arbeidersklasse naar een uitweg, niet binnen de oude maatschappij maar binnen een nieuwe maatschappijorde. En ten vierde, en dit is de doorslaggevende voorwaarde, moet zich aan het hoofd van de massaorganisaties van de arbeiders een duidelijke marxistische leiding bevinden die de noodzakelijke strategie, tactiek en organisatie beheerst om de overwinning te verzekeren.

Iedere objectieve analyse van de situatie in Frankrijk in mei-juni 1968 toont onweerlegbaar aan dat drie van de vier voor­waarden van Lenin aanwezig waren. Meer nog, nooit in de geschiedenis van Frankrijk of van gelijk welk ander land hadden deze drie objectieve voorwaarden voor de revolutie zich zo duidelijk ontwikkeld. Alleen mensen wiens ooglenzen door een reformistische cataract vertroebeld werden konden hiernaast kijken.

Splitsing bij de heersende klasse

Het eerste element van de Franse revolutie van 1968 was de twijfel en de crisis in het zelfvertrouwen van de heersende klasse De paniek van de Franse burgerij werd aangetoond door de snelle stijging in de goudprijs en de nooit geziene kapitaalvlucht. Op de wegen naar Zwitserland deden zich files voor!

Marx legde uit dat een revolutie, in tegenstelling tot wat men op het eerste zich zou denken van bovenaf begint. Er ontwikkelen zich zwaktes en splitsingen aan de top die zelf een weerspie­geling zijn van de ondergrondse opstand van de massa’s. Maar op hun beurt gaan ze de revolutionaire krachten van onderuit nog aanmoedigen. De ene groep wil geweld gebruiken om de orde te handhaven, de andere is voor toegevingen. De Gaul­listische regering was duidelijk verdeeld in ‘haviken’ en ‘duiven’. ‘Linkse’ Gaullisten verklaarden dat ze ‘aan de kant van de studenten’ stonden en keurden het inzetten van de CRS af. De zigzags van een strategie van brutale repressie naar nooit geziene toegevingen en weer terug maakten duidelijke dat ze iedere controle over de situatie verloren hadden.

Ministers waren de wanhoop nabij. Zo verklaarde Christian Fouchet : ‘Indien dit uitbreiding neemt is het met ons ge­daan!’ en Georges Pompidou : ‘Dit is het einde van mijn poli­tieke carrière’. Zelfs de meest doorwinterde vertegenwoordi­gers van de burgerij – en Pompidou was daar zeker één van – denken in 1968, op het moment dat ze nogal ruw door de golven van de revolutie heen en weer gesmeten worden, eerst en vooral aan hun eigen politieke carrière. De Minister van Financiën, Michel Debré, die voor het uitbreken van de crisis iedere dag min­stens drie interviews en twee publiek verklaringen weggaf liet plots niets meer van zich horen. Maar dan ver­klaarde hij opeens, alsof hij zichzelf wilde geruststellen : ‘Zes miljoen stakers ? Dat is geen revolutie!’ Dit is een voorbeeld van ‘fluiten in het donker om de moed erin te hou­den’!

In de periode dat de Gaulle in Parijs was had Pompidou zich meer open getoond voor druk van onderuit – ‘ongehinderd’ zoals een van de commentatoren het zei ‘door de last om Frankrijk te belichamen’. Maar dan kwam de Gaulle terug en begon standpun­ten in te nemen die vanuit het standpunt van Pompidou als de ene blunder na de andere moet geleken hebben en waarbij de Gaulle voor de ogen van iedereen als een vermoeide en verloren politicus naar buiten kwam.

Maar de stemmen die de Gaulle nu veroordeelden omdat hij de ene blunder na de andere maakte waren dezelfden die hem in voorgaande perioden de hemel in prezen als ‘de miraculeuze werker’. Indien je hen mocht geloven dan had de Gaulle de basis gelegd voor de duizelingwekkende economische groei en in de loop van dat proces zou hij bovendien het machtige Franse proletariaat op de knieën gekregen hebben. Dit schreven ze allemaal toe aan zijn charisma en de machtige wapens die het bonapartisme tot zijn beschikking had.

Hegel, de dialectische filosoof, had 150 jaar eerder al uitge­legd hoe verstand kan omslaan in dwaasheid. (reason becomes unreason). De methodes die gisteren succes verzekerden keerden zich nu, in de veranderde Franse situatie, om in hun tegen­deel. De ‘sterke staat’ was machteloos, in de woorden van de Evening Standard van 29 mei : ‘Alle grondwettelijke wapens die hij zelf gesmeed had om zijn regime juist in zo’n crisis te beschermen zijn nu evenveel vodjes papier, zelfs het wapen van het referendum is waardeloos’ De Gaulle, de architect van de sterke staat, was politiek lamgeslagen en niet in staat om enig initiatief te nemen. Verre van de situatie te stabilise­ren, hadden zijn methoden juist een revolutie doen uitbarsten die met deze methoden zelf niet onder controle kon gehouden worden. Aan het einde van de maand vluchtte hij het land het. De memoires van zijn Eerste Minister laten ons weten dat ‘De generaal in feite een morele crisis doormaakte. Omdat hij dacht dat alles verloren was dacht hij aan aftreden. Toen hij in Baden-Baden aankwam had hij er zich op voorbereid om er voorgoed te blijven."

De middenklasse komt over

De tweede voorwaarde voor een succesvolle revolutie is een gisting bij de middenklasse. De middenklasse gaat dan uitkij­ken naar één van de twee grote klassen in de maatschappij – de arbeiders of de kapitalisten – voor een oplossing van hun problemen. In Frankrijk was er in 1968 inder­daad nogal wat gisting maar zeker geen twijfel. De grote meerderheid van de middenklasse zagen hun lot verbonden aan het succes van de arbeidersbeweging. Dat gold zowel voor de bedienden, de kaders en de technici. Het was het geval zowel voor de boeren op het platteland als voor de vrije beroepen en de studenten in de stad.

Het was ook geen passieve steun, maar een actieve, enthousias­te directe betrokkenheid. Ze voelden zich gesterkt en gerustgesteld door de enorme macht waarvan de arbeiders blijk gaven in hun staking. Naar de woorden van Gargantua (een figuur van Rabelais) ‘Komt de eetlust met het eten’. Het leek alsof niets hen nog kon tegenhouden. Samen zouden ze de wereld veranderen!

‘We zijn niet akkoord’ riepen de Communisten. De situatie wordt vertroebeld, zeggen ze, door een miljoenensterke manifestatie van kleinburgerlijke reactionairen. Maar dat was op 31 mei. Twee weken eerder was de oproep tegen de staking, die uitging van de reactionaire paramilitaire organisatie ‘Occi­dent’ tegen de staking door slechts 2000 man opgevolgd! Tegen het einde van de maand was aan de contrarevolutie echter voldoen­de tijd gelaten om het reactionaire bezinksel van de middenklasse te organiseren. Desondanks bewees The Economist dat ze een beter begrip hadden van de echte krachtsverhoudin­gen in de maatschappij wanneer ze de Gaullistische betoging met een van dezelfde omvang die de avond voordien door de communistische vakbond georganiseerd werd : ‘In electorale termen hadden die twee grote betogingen ongeveer hetzelfde gewicht, maar vanuit het standpunt van de sociale omwenteling was het die betoging die de economie kon stilleggen die het zwaarste doorwoog.’

Een beter bewijs dat de derde voorwaarde voor de revolutie – de bereidheid van de arbeidersklasse om tot het einde te gaan – kon niet gegeven worden. Toen Engels het had over vroegere perioden in de klassenstrijd in Frankrijk merkte hij op dat de prachtige arbeidersklasse van dat land zich altijd bereid getoond had op tot de finish te gaan.

Voor het begin van de staking waren iets meer dan 2,5 miljoen arbeiders lid van de vakbond. Desondanks hadden 10 miljoen arbeiders – tweederden van het totaal – het werk neergelegd, hun werkplaatsen bezet en waren ze een permanente discussie begonnen over hoe ze zaken in de toekomst gingen organiseren. Ook hun eetlust groeide terwijl ze aten. Hoe zou het zijn indien ze die bazen eens van hun rug konden zwieren? Het ging niet langer alleen maar om de vraag hoe van de Gaulle en zijn repressief staatssysteem af te geraken.

De miljoenen arbeiders voelden de macht die ze in de maat­schappij vertegenwoordigden. Alles lag stil. Geen wiel draaide en geen generator opereerde zonder hun toestemming. Ze voelden dat niets hun kon tegenhouden. Waarom zouden ze tevreden zijn met het brood als ze de bakkerij konden overnemen? Waarom al die inspanningen doen om die macht dan zomaar uit handen te laten gaan voor een paar economische hervormingen terwijl nu het moment was om een nieuwe maatschappij in te voeren?

De spontane mei’68 beweging was van onderuit opgeborreld. De massale 24-urenstaking die de partijen van links en de vakbondsfederaties uitriepen was er niet in geslaagd om stoom af te laten zoals de leiders gehoopt hadden. In de plaats daarvan werden deze ‘leiders’ nu schoppend en schreeuwend achter de beweging meegesleurd terwijl ze alles deden om ze af te rem­men. De heren Communisten probeerden zoals altijd weer hardst om ‘respectabel’ over te komen. The Observer wees op de tegen­stelling dat : ‘De Communistische vakbonden staan in feite aan dezelfde kant van de barricaden als de Gaullisti­sche regering die ze veronderstelt wordt te bestrijden’.

Maar ook de andere organisaties die over een massabasis beschikten gaven geen enkele leiding. De CFDT was dan wel dichter bij de strijd van de arbeiders en studenten betrokken maar kon zichzelf slechts vaag uitspreken voor ‘democratie’ en ‘zelfbeheer’ in de industrie.

De PSU, een centristische partij onder leiding van Michel Rocard (die zou eindigen in de meest rechtse vleugel van de later gevormde socialistische partij) liet wel revolutionaire geluiden horen. Zwevend tussen reformistische en revolutionai­re standpunten stonden hun bewoordingen het beste uitdrukking aan de instinctieve verlangens van al diegenen die bij de staking betrokken waren. Ze spraken over ‘arbeidersmacht’ en zegden dat de situatie ‘nooit zo gunstig geweest was voor het installeren van een socialistische maatschappij’. Het was dan ook normaal dat deze partij snel aan aanhang won, zowel bij de arbeiders als de studenten. Maar ook de PSU was niet in staat om het duidelijke ordewoord te lanceren dat nodig was om de revolutie vooruit te helpen.

Aan de top van de maatschappij heerste een enorm vacuüm. De regering had geen poot meer om op te staan. Al de sociale reserves waarop de heersende klasse zich kon beroepen waren weggelopen. Maar de vierde voorwaarde die Lenin aanwees voor een succesvolle revolutie was tragisch genoeg niet aanwezig : een massapartij met een marxistisch programma en met een vooruit­ziende en vermetele leiding die het vertrouwen gewonnen heeft van een belangrijke groep arbeiders en die bereid is om tot het einde door te gaan. Dat was het enige wat nog nodig was, maar ook het enige dat ontbrak.

Iedere arbeider was op zoek naar de weg om de socialistische maatschappij in te voeren, welke naam daaraan ook gegeven werd. De Communistische Partijleiders, de enigen die in een positie waren om de verschillende stukken van de puzzel in de vorm van een concreet programma samen te brengen, verzaakten volledig aan hun verantwoordelijkheden. Om daarna, naar aloude gewoonte, de arbeiders zelf de schuld te geven. René Andrieu, uitgever van L’Humanité, het blad van de Communistische Par­tij, zocht naar een excuus voor de politiek van de partij en verklaarde aan de Morning Star (blad van de KP in Groot-Brit­tannië) van 8 juni 1968 :

Het is niet genoeg dat de belangrijkste machten in de natie in beweging zijn – dit was trouwens het geval – ze moesten ook nog gewonnen worden voor de ideeën van de socialistische revolutie. Maar dit was niet het geval voor alle tien miljoen arbeiders die in staking waren en nog minder zo voor de mid­denlagen, vooral de boeren.

Hier hebben de volmaakte uitdrukking van die verwaande en bureaucratisch verachting die de leiders van de Communisti­sche Partij hebben voor de massa’s die weigeren om te doen wat deze leiders hun zeggen dat ze moeten doen. Lenin drukte reeds lang geleden zijn minachting uit voor deze scholastici die zich de revolutie voorstelden als een situatie waarin twee leger zouden tegenover elkaar staan, een dat zich ‘voor de revolutie’, een ander dat zich ’tegen de revolutie’ zou uit­spreken. De arbeiders van Rusland wilden brood, land en vrij­heid. Ze waren uit ervaring tot het besluit gekomen dat ze dit alleen maar konden krijgen via revolutie. Bovendien leerde hun ervaring met van Lenin en Trotski, die de eisen van de massa’s theoretisch inkaderden, hen dat alleen de Bolsjewieken de revolutie tot haar einde zouden doorvoeren.

De grote massa van de Franse arbeiders wilde betere levensom­standigheden, sterke loonsverhogingen, de verdwijning van de sloppenwijken, een degelijke opvoeding voor hun kinderen, een drastische verhoging in de gelden voor sociale voorzieningen enzovoorts. Ondertussen hadden ze instinctief begrepen dat welke toegevingen ze op korte termijn ook van de kapitalisten konden bekomen, deze toch weer zouden teruggeschroefd worden tenzij er een fundamentele verandering in de situatie doorge­voerd werd.

Maar op welke basis zegden de leiders van de Communistische Partij dan dat er een ‘gebrek’ aan revolutionaire wil was bij de arbeiders? In een gelijkaardige situatie in 1936 haalde Trotski zwaar uit naar de Communistische leiders voor hun lafheid gedurende die prachtige beweging van stakingen en bezettingen.

De geleerde dokters van de Communistische Internationale hebben een thermometer die ze onder de tong steken van die oude dame met de naam ‘Geschiedenis’ en op basis daarvan bepalen ze op een onfeilbare manier de revolutionaire tempera­tuur. Maar de thermometer wordt aan niemand getoond. Wij merken in alle bescheidenheid op dat de diagnose van de Komin­tern totaal fout is. De situatie is revolutionair, zo revolu­tionair als in de niet-revolutionaire politiek van de arbei­derspartijen mogelijk is. Meer exact, de situatie is prerevolutionair. Om de situa­tie tot haar volle ontwikkeling te laten komen moet er een onmiddellijke en aangehouden mobilisa­tie van de massa’s komen onder de slogan van de machtsovername in de naam van het socialisme. Dit is de enige manier waarop de prerevolutionaire situatie tot een revolutionaire situatie zal omgevormd worden. (Wither France)

Deze woorden zouden met nog meer kracht van toepassing zijn op de Communistische partijleiders van 1968. Waarom namen 10 miljoen arbeiders deel aan een maanden durende bezetting waarbij ze de controle van de bazen in de fabrieken uitscha­kelden ? Waarom beperkten ze zich niet tot betogingen, stakin­gen en optochten ? Het is duidelijk dat voor iedereen wiens visie niet aangetast is door een reformistische of stalinisti­sche benadering van de politiek, dat de massa van de Franse arbeidersklasse van oordeel was dat hun eisen alleen op basis van de meest extreme maatregelen konden ingewilligd worden.

De taak van een echte revolutionaire partij zou erin bestaan hebben om deze wil tot verandering in de verf te zetten. Maar in de plaats daarvan speelde de Communistische partijleiding de rol van een reusachtige rem. Hun houding was in niets beter dan de arrogante houding van de ‘groupuscules’ die ze zo graag veroordeelden. Deze houding komt neer op het volgende : ‘Wij weten wat nodig is maar de arbeiders begrijpen niet wat daar­voor nodig is’ Daarin wordt een diepgeworteld cynisme uitge­drukt ten overstaan van die klasse die als enige in staat is om het socialisme te doen overwinnen.

In een situatie waar stalinisten aan het hoofd van de beweging staan is deze houding ook het gevolg van vrees. Van zodra de beweging zich het socialisme als doel stelt zouden deze laf­aards in de stormloop opzij gezet worden. Zoals zovele keren in de loop van de geschiedenis stonden de arbeiders weer eens duizend keer meer links dan hun leiders en hadden ze ook dui­zend keer meer durf. ‘Stoutmoedigheid, altijd stoutmoedigheid en dan nog meer stoutmoedigheid’, dat was de slogan van Danton in de grote Franse Revolutie. Dit had de benadering van de leiders van de nieuwe Franse Revolutie moeten zijn. Maar in plaats daarvan krompen ze ineen en jammerden, ze kropen op de grond voor de vijand en schreeuwden ‘Durf daar niets van zeggen tegen de arbeidersklasse!’

De politie en het leger wankelen

Een nieuwe oktoberrevolutie in het geïndustrialiseerde Frank­rijk, op een veel hoger niveau was meer dan mogelijk. Maar het mocht niet zijn. ‘Onmogelijk!’ ‘Zelfs het overwegen niet waard!’ schreeuwde de onverschrokken Communisten op het moment zelf en ze zijn dat na de feiten nog veel luider blijven roepen. Hun excuus ? ‘De politie en het leger waren veel te sterk’.

Wat was de situatie ? De slogan op de voorpagina van de Eve­ning Standard van 23 mei was ‘Parijse Politie – Een staking?’ Een woordvoerder van de politievakbonden had gezegd dat ze ‘misschien wel zouden verplicht zijn om de bevelen in vraag te stellen wanneer ze voortdurend opgeroepen werden om op te treden tegen stakers die voor hun rechten vochten’. Ze ‘ver­stonden perfect’ de motieven van de stakers en drukten hun spijt uit dat de wet het hen niet toeliet om dezelfde acties te ondernemen

Er waren 60.000 man stads- en gemeentepolitie, 14.000 van de CRS en voor noodsituaties nog eens 16.000 mobiele gendarmes die onder de controle van het leger stonden. Reeds op 13 mei had een politievakbond die 80% van het personeel in uniform vertegenwoordigde, zich beklaagd bij de regering. Ze waren niet akkoord met de voorstelling van zaken waarbij de Eerste Minister wel wat laat erkende dat de studenten in hun recht waren om dan de acties te loochenen van de politie die door de regering zelf gestuurd was. ‘De dialoog met de studenten had moeten plaatsvinden voor deze spijtige confrontaties’ zegden ze.

Bij de politie circuleerde een petitie onder de titel ‘We willen niet langer voor clown spelen’ en die massa’s handte­keningen kreeg. De politieafdeling die informatie over de studenten moest inwinnen hield voor de regering bewust infor­matie achter. Zo’n misnoegde en gedemoraliseerde politiemacht kan moeilijk een betrouwbaar steunpunt voor de regering genoemd worden.

Het totaal aan gewapend personeel waarover de staat kon be­schikken was zo’n 300.000. Zelfs indien het moreel van die troepen hoog zou geweest zijn waren ze totaal niet in staat om 10 miljoen arbeiders met het geweer in de rug terug aan het werk te dwingen. Bovendien bestond het leger hoofdzakelijk uit dienstplichtigen (120.000 van de 168.000 soldaten). De meeste van hen hadden een staker in de familie en stonden zeer afke­rig tegenover de mogelijkheid dat ze als stakingsbreker zouden ingezet worden. Toen The Times aan een van de soldaten vroeg of hij op de studenten en de arbeiders zou schieten antwoordde hij : ‘Nooit! Misschien zin hun methoden een beetje brutaal, maar ik kom zelf uit een arbeidersgezin.’ Alleen in een later stadium, wanneer de beweging begon weg te ebben en uit elkaar begon te vallen zou het mogelijk zijn om de troepen in te zetten om de bedrijfsbezettingen ongedaan te maken.

Neil Ascherson van de Observer herinnerde ons aan deze mooie traditie van de dienstplichtigen in het Franse leger toen hij in maart 1988 schreef

Ik herinner mij hoe in de laatste dagen van de Franse over­heersing in Algerije, toen steeds meer doodseskaders de riolen van Al­giers met bloed deden vollopen, een organisatie ontstond, de OCC (Organisation Clandestine des Conscrits = dienstplichtige) opgericht wed. Dit was een samenzwering van verbitterde jonge dienstplichtigen die alleen gebaseerd was op gezond verstand : ‘Stop deze oorlog’ zegden ze ‘en verleen Algerije de onafhankelijkheid, anders zullen we onze wapens te­gen uw soort keren’.

Eind mei 1968 was het vrachtschip Clemenceau op weg naar de Franse nucleaire proefterreinen in de Stille Oceaan toen een muiterij uitbrak en het toestel naar Toulon teruggebracht werd. Aan drie families werd verteld dat hun zonen ‘op zee verloren gegaan waren’. In Action, het vakbondsblad van de studenten van 14 juni 1968 werd hiervan een volledig rapport afgedrukt, maar dit nummer werd door de regering aangeslagen en vernietigd! Het linkse blad Nouvel Obeservateur berichtte dat toen het 5de leger in paraatheid gebracht werd om stakin­gen te breken, soldaten comités opgezet werden tegen de offi­cieren moesten die het transport en de beweging van pantser­voertuigen moesten saboteren. Le Monde meldde dat ‘Het Minis­te­rie van Landsverdediging alle pogingen weerstond om het leger op zo’n manier in te zetten dat dit tot een directe confrontatie met de stakers zou leiden’.

Een comité van het 153ste RIMECA (Régiment Infanterie Méca­nisé) dat rond Straatsburg gelegerd was bracht een pamflet uit waarin eisen naar voor gebracht werden voor gelijke kansen m.b.t. militaire opleiding, een degelijk geïntegreerde seksuele opvoeding voor de soldaten en voor ‘dialoog en gemeenschapsbe­heer’ (in de opleiding) overeenkomstig dezelfde principes die geëist werden aan de universiteiten en scholen. Maar het ging nog verder :

Zoals alle dienstplichtigen, zijn we verplicht om in de kazer­ne te blijven. We worden klaargestoomd om als repressieve macht op te treden. De arbeiders en de jongeren moeten weten dat de soldaten van deze lichting nooit op de arbeiders zullen schieten. Het actiecomité zal zich koste wat het wil verzet­ten tegen het omsingelen door de soldaten van de fabrieken. Morgen of de dag nadien zal van ons gevraagd worden om een wapenfa­briek te omsingelen die de 300 arbeiders die er werken willen bezetten. We zullen met hen verbroederen. Soldaten van onze lichting, vorm uw comités!

De omvang van de ontwikkelingen binnen het leger zal misschien nooit duidelijk worden maar dit pamflet alleen al toont aan wat voor een respons hier zou gekomen zijn op een klassenoproep vanwege de organisaties van de stakers. Het kan niet voldoend benadrukt worden dat zich een uitzonderlijke situatie voordeed, een situatie waarin de socialistische omvorming van de maatschappij vreedzaam, of toch relatief vreedzaam had kunnen doorgevoerd worden.

‘Dat is niet waar!’ schreeuwde de uitgever van ‘L’Humanité‘ weer : ‘Zelfs indien de regering verlamd was, dan was er nog altijd het beroepsleger dat met zijn tanks en vliegtuigen klaarstond om het kleinste avontuur aan te grijpen om de beweging van de arbeiders in bloed te smoren en een politiedictatuur in te stellen’.

Iedere poging van de Gaulle om het beroepsleger in te zetten, zelfs dat van de andere kant van de Rijn, zou hetzelfde effect gehad hebben als de mars op Petrograd van de reactionaire generaal Kornilov in augustus 1917. De arbeiders zouden een stevige muur van verzet opgebouwd hebben. Het leger op zo’n moment inzetten zou de vernietiging ervan tot gevolg gehad hebben. Een revolutie is meer dan één of ander ‘avontuurtje’; de krachtsverhoudingen lagen overweldigend in het voordeel van de arbeiders.

In Kunnen de Bolsjewieken de staatsmacht behouden, een pamflet dat aan de vooravond van de Oktoberrevolutie geschreven werd als antwoord op de bangeriken in de Bolsjewistische Partij roept Lenin uit :

Bang zijn voor de reactie van de kapitalisten en zichzelf een revolutionair noemen – beschouwd willen worden als revolutio­nair – is dat niet schandalig? … Ze (de kapitalistenklasse) zou de Kornilov-coup herhalen … Neen mijne heren, je zult de arbeiders niet voor de gek houden. Dit wordt geen burger­oorlog maar de hopeloze revolte van een handvol Kornilovisten … Maar wanneer elke werker, elke werkloze, elke kok, elke geruï­neerde boer ziet, niet in de kranten maar met zijn (of haar) eigen ogen dat de arbeidersstaat niet kruipt voor de rijken maar de armen helpt … dat het land aan diegenen gegeven wordt die hem ook bewerken en dat de fabrieken en de banken onder de controle van de arbeiders en niet onder die van de kapitalisten geplaatst worden, dan zal geen enkele macht van het wereldwijde financiekapitaal de revolutie van het volk onder de knoet houden. Inte­gendeel, de socialistische revolutie zal over gans de wereld zegevieren.

Een moeiteloze over­winning was bijna zeker. Waar hadden de lafhartige stalinistische leiders een nog gunstiger situatie kunnen vinden? De krachtsverhoudingen lagen overweldigend in het voordeel van de arbeidersklasse. Op het hoogtepunt van de staking, toen de arbeiders nog steeds vooruitgang maakten, waren de kapitalisten totaal lamgeslagen. Het staatsapparaat, alhoewel nog niet vernietigd, had geen poot meer om op te staan. De hefbomen van de macht waren voor een ganse kritieke periode uitge­schakeld.

Het was natuurlijk verre van uitgesloten dat de kapitalisti­sche leiders bloedige militaire maatregelen tegen de arbei­ders zouden ondernemen. Gans de geschiedenis van Frankrijk toont een heersende klasse die haar rijkdom, macht en prestige op de meest meedogenloze manier verdedigt. Maar wanneer de situatie zich gunstige ontwikkelt voor het doorvoeren van een totale maatschappijhervorming, dan ligt het feit of dit zonder geweld plaatsvindt volledig in handen van de leiding van de arbeidersklasse.

De leiders van de Communistische partij bleven maar janken over het gevaar van de militaire reactie. Maar halve maatregelen, twijfel en passiviteit zijn een uitnodiging voor de kapitalisten om een bloedige reactie te ontketenen. Een krachtige leiding van de arbeidersklasse die steunt op het onver­valst marxisme en bewust is van zijn historische taken, zou de armen niet doodsbang in de lucht smijten voor de gevaren van de strijd maar zou de beslissende maatregelen nemen om de reactie te voor te zijn. Ze zouden de noodzakelijke strategie en tactiek ontwikkelen om de ‘strijdkrachten’ van de staat te neutraliseren en de overweldigende kracht van de arbeiders­klasse mobiliseren om iedere poging in de richting van de contrarevolutie te vernietigen.

Maar de leiders van de arbeidersbewe­ging lieten gedurende twee weken het initiatief uit handen van de arbeidersklasse glijden en lieten op die manier deze historische kans voorbijgaan. De totale verlamming van de Gaulle in de eerste drie weken van de crisis bewijzen hoe dicht de arbeiders bij de socialistische omvorming van de maatschappij stonden.

Arbeidersdemocratie?

Indien in de laatste week van mei ’68 een algemeen ordewoord gelanceerd was aan de arbeidersklasse om de macht in eigen handen te nemen dan had de doodsklok over het wereldkapitalis­me geluid. Steunend op het programma van Lenin zouden de Franse arbeiders er via hun comités in geslaagd zijn de meest ontwikkelde vorm van arbeidersdemocratie uit te bouwen die ooit in de wereld te zien geweest was. Daarvoor was alleen maar het eenvoudige programma van Lenin nodig dat zelf geba­seerd was op de onschatbare ervaring van de Parijse Commu­nards.

Alle afgevaardigden en aangestelden zouden op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau verkozen worden en op ieder ogenblik afzetbaar zijn. Geen van hen zou meer verdienen dan het gemiddeld loon van een geschoolde arbeider. Er zou geen apart, staand leger zijn dat zou kunnen ingezet worden tegen de arbeiders. De arbeiders zouden hun eigen veiligheid en verdediging zelf in gemeenschap organiseren. Een volledig open systeem van boekhouding en controle, gekoppeld aan een drasti­sche verkor­ting van de werkweek zou het voor iedereen mogelijk maken om echt aan het bestuur deel te nemen. ‘Iedere kok moet Eerste Minister kunnen worden’ zei Lenin … of iedere telefo­nist, iedere buschauffeur, iedere verpleegster …

De actiecomités van de arbeiders zouden zich verenigd hebben in een strijd om de industrie, de distributie, de financiën en het land in het bezit, onder de controle en het beheer van de ge­meenschap te stellen. Van bezettingscomités en strijdorganisaties zouden ze omgevormd zijn tot een echt parlement en het uitvoerend orgaan van de werkende mensen. Hierbij zouden de kleine boeren, kleine ondernemers en winkeliers betrokken zijn wanneer hun in de praktijk getoond werd dat hun schulden konden kwijtgescholden worden en dat ze nieuwe kredieten konden krijgen zonder de versmachtende intresten van vroeger. Ze zouden gediscussieerd hebben over de uitwerking van een plan voor de productie van wat de mensen nodig hebben en aan een prijs die bepaald wordt door hun eigen vertegenwoordigers. Huur, intrest, winst, verspilling en armoede zouden uitgeroeid worden. Een oproep aan de arbeiders van alle landen om dit voorbeeld te volgen zou een vernietigend effect gehad hebben op het verdere verloop van de wereldgeschiedenis.

Maar zij die zich opwierpen als revolutionaire leiding, de Communistische Partij, was tot alles in staat behalve tot het geven van een revolutionaire leiding in de situatie. Ze bleven volhouden dat dit een ‘zuivere loonstrijd’ was en dat ‘de arbeiders niet klaar waren voor de revolutie’. Maar de rol van de revolutionaire partij moet er juist in bestaan dat ze zelfs de onuitgesproken wensen van de arbeidersklasse opkomt en dat ze de arbeiders in hun miljoenen begeestert en aanmoedigt tot gedurfde actie op basis van een duidelijk socialistisch pro­gramma. Maar daartoe was de Communistische leiding gewoon niet in staat.

In de nacht van 27 mei werd dit vacuüm het sterkte aangevoeld. De akkoorden van de ‘Rue de Grenelle’ worden verworpen en de arbeiders wachten op een ordewoord. De enorm gestegen interes­se voor politiek wordt duidelijk uit de massale toeloop naar een meeting georganiseerd door de studentenvakbond. Alle plaatsen van het Char­ley-stadium worden bezet door een menigte die door sommigen op 50.000 geschat wordt. Maar de politiek inhoud is vaag, wazig, verward. Een oude figuur van links, Pierre Mendes-France (een ex-eerste minister) is aanwezig. Erop wijzend dat hij klaarstaat om te antwoorden aan een oproep van de ‘natie’ en dat hij achter de studenten staat, weigert hij zich vast te pinnen op een of ander programma. Daarom weigert hij te spreken! Er is niemand anders aanwezig die een duidelijk programma heeft om aan de beweging de weg vooruit te tonen.

Aan leden van de Communistische Partij was gezegd dat ze moesten wegblijven. Er waren een paar afdelingen van de CFDT met hun vlaggen aanwezig en alle studentengroeperingen waren vertegenwoordigd. Vigier en Barjonet, die de Communistische Partij verlaten hadden, werden hartelijk ontvangen. Maar er werd tien keer meer energie gestoken in het aanvallen an de Communistische Partij dan in het voorstellen van programma dat kon leiden tot de val van het Gaullistisch regime. Weer ging een gouden kans verloren.

De dag nadien, op 28 mei, roept de CFDT op voor een verscher­ping van de staking. François Mitterand doet zijn oproep tot het vormen van een ‘Voorlopige Regering’ en zet daarbij de enerzijds de constitutionalisten (trouw aan de grondwet) onder zijn aanhangers tegen zich terwijl de Communisten kwaad zijn omdat hij hun geen ministerspost belooft.

Het wordt warm onder de voeten van de Communistische Partij en de leiders van haar vakbond (CGT). Ze hebben al hun hoop gesteld op een Gemeenschappelijk Programma met de Linkse Federatie. In de vorige verkiezingen hadden ze samen 9.2 miljoen stemmen gehaald. De Communistische Partij probeerde wanhopig een Volksfrontregering in elkaar te flansen. De politieke vertegenwoordigers van de kleinburgerij, de pietlut­tige Radicale Partij, maakten nog steeds deel uit van de Linkse Federatie en konden nog steeds als dekmantel dienen voor het grootkapitaal. In gelijk welk gemeenschappelijk program­ma zouden alleen die maatregelen opgenomen worden die door iedereen aanvaardbaar waren. De PCF-leiders waren deson­danks verplicht om lippendienst te verlenen aan ‘het op de eerste plaats stellen’ van de eis tot nationalisatie van de grote monopolies. Ze voeren uit tegen ‘dat soort regeringen die geen enkel probleem oplossen’. Maar hun politiek is funda­menteel vals.

De CGT-leiders komen nu opeens vertellen dat ze op geen enkel ogenblik in de loop van de onderhandelingen met de regering hun handtekening onder iets gezet hebben! Op 28 mei lezen we in de Morning Star de volgende ongelooflijke verklaring : ‘Sommige verslagen in de Franse pers melden dat Mr Séguy uitgejouwd werd in de Renault-fabriek terwijl dit boegeroep feitelijk gericht was tegen de werkgeversorganisatie die hij in zijn speech vernoemde’! In een latere editie legt dit blad er nogmaals de nadruk op dat het gewoon uitgesloten is dat Mr Séguy de arbeider zou opgeroepen hebben om terug aan het werk te gaan; want u zult zich toch herinneren dat hij ze nooit opgeroepen had om het werk neer te leggen! ‘Er zijn valse verslagen over de CGT-leiders die zouden geprobeerd hebben de arbei­ders te overtuigen om weer aan het werk te gaan. In sommige gevallen hebben ze duidelijk gemaakt dat ze de voor­stellen van de regering onvoldoende vonden’! Maar tegen de wens van de arbeidersleiders greep de algemene staking steeds verder om zich heen, hoe hard ze ook protesteerden en vonden dat dit zonder hun toestemming niet kon. Steeds meer delen van de arbeidersklasse werden gegrepen door de atmosfeer van opstandigheid.

Delen: Printen: