Frankrijk 1968. De burgerij verliest haar greep

In mei 1968 verloor de burgerij tijdelijk haar volledige controle op de Franse samenleving. Er was het potentieel van een sterke tegenmacht vanuit de arbeidersbeweging. De studentenopstand was uitgebreid tot een arbeidersrevolte. De macht van de burgerij was onzeker geworden.

Clare Doyle

6. De macht ligt in de balans

De leiders van alle politieke partijen stonden allemaal, zonder uitzonde­ring totaal machteloos tegenover deze reusach­tige gebeurte­nissen. Maar ondanks het feit dat ze probeerden dit achter een paar radica­le gelui­den te verbergen gaven de leiders van de arbeiders­organisa­ties blijk van een zo moge­lijk nog grotere besluite­loosheid dan die van de burger­lijke partijen .

De Communistische en socialistische leiders zagen hun rol eerder als een klankbord voor het ongenoegen van de massa’s, maar ze hadden er nooit bij stilgestaan dat ze wel eens konden gevraagd worden om de hefbomen van de macht over te nemen en een nieuwe maatschappij in te stellen. Ze hadden er zich nooit aan verwacht dat ze ooit het roer van het schip in handen zouden moeten nemen. The Wall Street Journal merkt hierover op:

De speeches in het Parlement zijn buitengewoon naast de kwes­tie. François Mitterand, de leider van de oppositie en Wal­deck-Rocher, leider van de KP, hebben even weinig voeling met de realiteit als Eerste Minister Georges Pompidou. Ze behoren allemaal tot de gevestigde orde en worden nu geconfronteerd met een beweging van het volk die ze allemaal, en met reden te vrezen hebben.

Op 19 mei keerde de Gaulle als een spook in de nacht uit Roeme­nië terug. Twintig jaar later, in een interview met de Sunday Times sprak Grimaud, toenmalig Prefect van de Parijse politie over zijn herin­neringen aan die 19° mei.

Toen de President van de Repu­bliek uit Roemenië terugkwam riep hij Grimaud en Eerste Minister Pompidou bij zich en zei : ‘vannacht neem je het Odéon terug en morgenochtend de Sorbon­ne.’ Grimaud legde uit wat voor een blunder dit zou zijn. Een poging om deze gebouwen weer in te nemen ‘in deze situatie waar de passie van de beweging zo hoog opgelopen was’ zou ‘bloed doen vloeien’. In dat stadium kon hij de president nog overtuigen die zich vanaf dat ogenblik als een machtelo­ze gevangene in het Elysée terugtrok. Frankrijk was bijna totaal verlamd. Boerderijen en landbouwdepots waren bezet. De bank­bedien­den en belastingambtenaren sloten bij de staking aan. De filmmakers legden het filmfestival in Cannes stil­. De paardenrennen, de motorraces en zelfs het golfkampi­oenschap gingen niet door. De nieuwsbericht stonden voor een deel onder controle van de radio- en Tv-journalisten.

Actiecomités

De vele honderden actiecomités in de fabrieken, kantoren, universiteiten en wijken begonnen zich aaneen te sluiten. In de Loire, een Atlantische provincie, waar de arbeidersdemocratie zich in 1968 waar­schijnlijk het verst ontwikkel­de, werd over alles door de arbeiders, boeren en studenten samen be­slist.

In de provinciale hoofdstad, Nantes, nam het Centrale sta­kingscomité de controle over van het vervoer in en uit de stad. De wegen werden door de transportarbeiders geblokkeerd en bemand met de hulp van scholieren. Benzinebons en vervoer­bewijzen werden alleen aan chauffeurs gegeven die voor de stakers essentiële voorra­den uit de boerderijen in de omlig­gende gebieden aanvoerden. De beweging was zo overtuigend dat de lokale politie en de gemeenteambtenaren zich afzijdig hielden en de ogen sloten voor de nieuwe maatregelen.

Er werd een voetbalmatch georganiseerd ten voordele van de stakers. Bij het begin van de fabrieksbezetting eindigde een niet-geprovoceerde en mogelijk bloedige aanval door de poli­tie in de verbroedering van beide kampen! Arbeidersvrouwen namen de levering in handen van voedsel aan de plaatselijke winkels en organiseerden de levering aan de scholen. Arbeiders en studenten gingen de boeren helpen om de aardappelen te oog­sten.

Door het uitschakelen van de tussenpersonen konden de nieuwe revolutionaire autoriteiten de prijzen doen dalen : een liter melk daalde van 80 naar 50 centime. Een kilo aardappelen van 70 naar 12 centime en wortelen van 80 naar 50 centime. De grote kruidenierszaken moesten sluiten, de kleine winkels mochten openblijven maar iedere morgen werden de prijzen gecontroleerd door vertegenwoordigers van de vakbond.

De gezinnen van de armere stakers werden door de vakbond geholpen via de verdeling van voedselbonnen : één frank melk­bonnen per kind jonger dan drie jaar en per kind ouder dan drie 500 gram brood en één frank aan ander voedsel. Leraars zetten kindercrèches op voor kinderen van stakers. Arbeiders en boeren die het voordien zo dikwijls met elkaar aan de stok hadden, begonnen nu samen te werken. Elektriciteitsarbeiders zorgden ervoor dat de stroom voor de melkmachines niet uit­viel. De normale levering aan de boerderijen van veevoeder en benzine bleef verzekerd. De boeren kwamen naar Nantes om zij aan zij met de arbeiders en studenten te betogen.

32 jaar vroeger, in 1936 hadden 50.000 boeren, waarvan de meesten op grote landerijen werkten, in Nantes tegen de Volks­frontregering betoogd. Dit was zoals Chouan land – een scène uit de grote Royalistische boerenrevoltes (tegen het revolu­tionaire regime van de Jacobijnen) aan het einde van de acht­tiende eeuw. Maar de tijden waren veranderd. Het Koningsplein werd herdoopt tot Place du Peuple. (Revolution in France 1968).

Op die manier werd in actie, in de taal van echte verbeterin­gen voor de arbeidersklasse, een idee gegeven van wat zou mogelijk zijn in een socialistische maatschappij. Bijna 20 jaar later toonde de socialistische gemeenteraad van Liver­pool via haar programma van sociale woningbouw en het scheppen van werkgelegenheid juist hetzelfde aan en dit op een meer duide­lijke manier dan gelijk welke politieke speech.

Op de schaal van de geschiedenis zullen deze proletarische vernieuwingen veel zwaarder doorwegen dan de ‘avant-garde’ experimenten op de universiteiten. Desondanks werd tussen arbeiders die aangetrokken werden naar de universiteiten en de studenten die aangetrokken werden naar de fabrieken een productief samenwerkingsverband gesmeed. Aan het befaamde Natio­naal Instituut voor Schone Kunsten werden per dag 10.000 affiches gedrukt met in totaal 350 verschillende ontwerpen. Ontelbare pamfletten hielpen de arbeiders om hun positie in stand te houden.

In een pamflet van de bezetters van Air France stond te lezen ‘We weigeren de vernederende "modernisering" te aanvaarden die zou inhouden dat we voortdurend in de gaten gehouden worden en voorwaarden moeten aanvaarden die schadelijk zijn voor onze gezondheid en onze zenuwen en een belediging zijn voor onze menselijke waardigheid’. De arbeiders van Rhone-Poulenc ver­klaarden dat ‘de actie van de studenten ons geleerd heeft dat alleen actie vanuit de basis de overheden tot toegevingen kan dwingen.’ En dan het pamflet voor Renault Billancourt :

De regering vreest de uitbreiding van de beweging. Ze is bang voor de groeiende eenheid tussen arbeiders en studenten. Pompidou heeft aangekondigd dat ‘de regering de Republiek zal verdedigen’. Het leger en de politie worden in paraatheid gebracht. De Gaulle zal op 24 mei spreken. Zal hij de politie sturen om de piketten uit de stakende fabrieken te slaan? Wees op uw hoede! Op de werkplaatsen en aan de universiteiten moet in termen van zelfverdediging gedacht worden.

De arbeiders discussieerden met de studenten over de respons die op de pamfletten kwam. De durf en de revolutionaire ideeën van de studenten oefenden een aantrekkingskracht uit op de beste jonge arbeiders maar dit was de eerste contact name. De arbeiders waren niet zeker of de studenten, eenmaal dit expe­riment voorbij was, niet weer in het niets zouden verdwijnen. Maar er werden ook vragen gesteld over hetgeen de traditionele arbei­derspartij, de KP, deed naarmate de stakingsgolf zich steeds verder ontwikkelde.

De KP plande een festival waar de jeugd zich zou kunnen ont­spannen en dansen en waarna een meeting zou gehouden worden. Die dag staakten 40.000 arbeiders van de Citroën maar de KP-leiders lasten het festival af. Wat had kunnen uitgroeien tot een massameeting van de jonge revolutionaire stoottroepen mocht niet doorgaan, officieel ‘uit vrees voor infiltratie’ door de ‘enragés’ (de bezetenen!).

‘In iedere cel en in iedere fabriek vroeg men zich af op de Partij niet bezig was om de kans van haar leven te missen’ De correspondent van The Economist in Parijs schreef dat ‘de partij door haar voorzichtige, gematigde en weldoordachte politiek in mei onder grote druk kwam te staan. Het is als iemand die oud brood verkoopt als er gebak aangeboden wordt’ (onze klemtoon).

Waar een revolutie goed voor is

Er had zich een hoge graad van politisering ontwikkeld. Door­dat welbekende figuren van de radio en de TV zichzelf door te staken niet langer van hun eigen medium konden gebruik maken, trokken ze overal in Frankrijk rond als een reizend circus. Maar het publiek scheen minder geïnteresseerd in de grote sterren dan in de discussies die na hun optreden volgden. De vraag naar dialoog was groter dan die naar monoloog!

Nieuwe en onverwachte lagen van het proletariaat werden door de ‘epidemie’ besmet. In de grote staking van 1936 hadden arbeidsters in de grootwarenhuizen geweigerd om hun lippen en gezicht te schminken omdat ze ‘arbeiders en geen actrices’ waren. In 1968 eisten de ‘actrices’ van de Folies Bergères ook dat ze als arbeiders moesten beschouwd worden. Ze eisten een loonsverhoging van 50 pence per uur, betere mogelijkheden om zich te wassen en het recht op collectieve onderhandelingen. ‘We zijn niet stom omdat we ons uitkleden’ verklaarden ze. Ze speelden schaak, lazen boeken, zongen liederen en organiseer­den discussiegroepen.

Het befaamde grootwarenhuis Galeries Lafayette was net als in 1936 weer gesloten en bezet. Begrafenisondernemers en taxichauffeurs legden het werk neer. De trekking van de nationale loterij moest uitgesteld worden, net zoals de tennis cup. De voetballer gingen in staking, bezetten de hoofdkwartieren van de Voetbalfederatie en eisten ‘Voetbal voor de voetballer’. Ingenieurs bezetten de hoofdkwartieren van de Franse Werkge­versorganisatie. Staatsambtenaren, arbeiders in kerncentrales, weersvoorspellers, bibliothecarissen, iedereen ging in staking … de lijst is eindeloos. Er zijn ook een reeks anekdoten!

Een buitenlandse bezoeker ging van het ene gesloten hotel naar het andere op zoek naar een bed. Uit wanhoop belde hij de residentie van de Eerste Minister maar werd er niet gelukkiger op. Deze bezoeker was Hussein, koning van Jordanië! De revolu­tie heeft geen respect voor rang en stand!

Gedurende zijn staatsbezoek in Bukarest wou de Gaulle aan Ceaucescu een banket aanbieden in de Franse ambassade. Maar het vliegtuig met 205 kilo levensmiddelen – fijne wijnen, ganzenlever enz…- is nooit uit Parijs vertrokken, de arbei­ders van de luchthaven waren in staking. ‘Mon general’ moest op het plaatselijke verkeer beroep doen. Toen de Gaulle later de bevelhebber van de franse troepen in Duitsland wilde bellen kreeg hij te horen dat hij niet kon doorverbonden worden. De operator was in staking. ‘Maar het is voor Generaal de Gaulle!’ ‘En wat verschil maakt dat uit voor mij ? Ik ben in sta­king voor de hele wereld!’

De bedienden die het Plaza Hotel bezet hielden riepen de aandeelhouders samen. Ze stelden hen voor een ultimatum dat ze hun aandelen niet aan de Britse miljonair Charles Forte moch­ten verkopen. De matrozen van de handelsvloot gingen in sta­king. ‘Zelfs de officieren namen deel aan de bezettingen die door de bemanning begonnen waren’ schreef The Times van 23 mei.

Grote landerijen en landbouwdepots werden bezet. De Nationale Organisatie voor Jonge Boeren riep op tot een algemeen staking op de boerderijen en voor ‘echte economische en sociale democratie’! In Zuid-Frankrijk staan de markten onder controle van de vakbonden. Er wordt gemeld dat in het Zuiden weinig over partijprogramma’s en lonen gepraat wordt : er wordt uitgekeken naar een kwalitatieve eerder dan een kwantitatieve verandering in het leven.

In de grote fabrieken – de vestingen van de revolutie – begint een uitbundige vakantiesfeer te heersen. De vrees van de 10 laatste jaren moest wijken voor een atmosfeer van vrolijkheid. De arbeiders van de vrachtwagenfabriek ‘Berliet’ hadden de let­ters van die naam herschikt tot ‘Liberté’. Overal in de fabrieken verschenen nieuwe affiches : ‘Voorgoed in staking’ ‘Wij zijn de macht’.

Een jonge arbeider van SNECMA, een Vliegtuigmotoren fabriek, merkte op ‘We zijn volledig onszelf, we zijn bezit van onszelf … we voelen dat we het socialisme beleven!’ Een jonge Re­nault-arbeider zegt ‘Wat we willen is dat alles van onder naar boven verloopt en niet langer zoals nu, van boven naar onder’.

Een medewerker van Militant die Frankrijk bezocht, was getrof­fen door het feit dat iedereen overal aan het discussiëren was en probeerde om elkaar beter te leren kennen.

Iedereen discussieerde over politiek. De stemming onder de arbeiders kon afgelezen worden uit volgend incident : toen we buiten de grote Citroën-fabriek met hen aan het praten waren, kwam daar een bus met arbeidersvrouwen voorbij. De bus ver­traagde en de vrouwen begonnen vol brio de Internationale te zingen. Ze werden toegejuicht door de arbeiders.

We zagen scholieren die aan de poorten van Renault ernstige discussies aangingen met de stakers. Een journalist van The Observer beschreef hoe af en toe ganse sta­kersfamilies naar de fabriek kwamen waardoor die omgevormd werd tot een druk ‘kermisterrein. Voor de arbeiders was de situatie zoals ze zich op dat ogenblik ontwikkeld had eerder een heerlijke verlengde vrije dag’. En waarom ook niet?

In zijn Geschiedenis van de Russische Revolutie beschrijft Trotski de verontwaardiging van de vroegere grootindustrieel, V. Auerbach :

De revolutie werd door de lagere sociale lagen gezien als een soort Oosters Carnaval gezien. Huisbedienden verdwenen voor ganse dagen, wandelden rond met rode linten, reden rond in auto’s en kwamen in de vroege morgenuur­tjes juist lang genoeg naar huis om zich te wassen en er weer op uit te trek­ken op zoek naar nieuw amusement.

De middenklasse komt in actie

Wanneer de arbeidersklasse in haar miljoenen in beweging komt en laat zien waar de echte macht in de maatschappij ligt, kan dit de breedste lagen doen opstaan. Iedere groep op ieder niveau van de maatschappij begint bewust uit de drukken wat ze verwachten van het leven. Het zal dan wel zo geweest zijn dat de eigenaars van benzinestations die in mei ’68 in staking gingen niet verder konden denken dan wat hogere winsten, maar zelfs de Boy Scouts waagden het om meer inspraak in hun eigen beweging te eisen!

Een groep jonge katholieken trok met hun vlaggen de St Seve­rin kerk van de Universitaire parochie binnen onder het roepen van de slogan ‘We willen de kerk weer uitvinden!’. Jonge Joden vielen binnen in de Joodse Kerkraad en brachten een verklaring uit waarin ze de archaïsche en ondemocratische structuren van de instellingen van hun gemeenschap openlijk afkeurden. De aartsbisschop van Parijs bracht in de periode van de gevechten een bezoek aan het Quartier Latin en schreef achteraf in zijn Bisschoppelijke brief ‘God is voor gerechtigheid; hij is geen conservatief. Ook de Christenen moeten de maatschappij aankla­gen wanneer die de diepe verlangens van mens verwaarloost’. Hier horen we uit de mond van de hoogste kerkhiërarchie in een ontwikkeld kapitalistisch land wat jaren later zou bekend worden als de ‘Bevrijdingstheologie’ van de Derde Wereld.

Een journaliste van de Evening Standard die met haar fiets door het Noorden van Frankrijk trok, ontmoette in een klein café drie landbouwarbeiders. Ze waren zwaar aan het discus­siëren over de oorzaak van de staking en klaagden over de prijs van het leven, de benzineprijs, de belastingen enzo­voorts. Ze noteerde een paar flarden van het gesprek :

Wat is er van de winsten ? … Niet de arbeiders maar de bankiers, de kapitalisten, de middenklasse … Schone reisjes maken in het buitenland … Hij (de Gaulle) gaat naar Roemenië en spreekt daar met de studenten over vrijheid – maar wat met onze vrijheid? … We leven in een consumptiemaatschappij … Kopen, kopen en nog eens kopen ! … Hoe kan de boer iets kopen met mest?

De boerenvakbonden zijn verplicht om hun eisen te verdedigen en hun kampanje op te voeren. Er werden meer en meer depots en landgoederen overgenomen ! Het feit dat ieder jaar een exodus van 100.000 jongeren van het platteland naar de steden plaats­vindt zorgt voor een netwerk van verbindingen tussen stad en platteland.

In tegenstelling tot de beweging van de jaren 1930 vond de staking van 1968 haar oorsprong bij de studenten en verspreid­de zich vandaar naar arbeiders van alle slag. Dit feit, samen met de oneindig uitgebreide macht van het proletariaat in het Frankrijk van 1968 maakte dat iedere laag van de middenklasse niet alleen ‘beïnvloed’ maar actief betrokken was bij de beweging. Alleen al door het enorme gewicht van de arbeiders­klasse werden ze meegesleurd. Dit gaf hen immers het zelfver­trouwen om de gevestigde orde aan te pakken met een reëel perspectief om een nieuwe maatschappijvorm in te stellen. Iedere gevestigde waarde werd in vraag gesteld.

Magistraten gingen over tot stakingsacties maar ze stelden ook de vraag naar de rol (indien ze nog een rol te spelen hadden!) die ze in de toekomstige, waarschijnlijk socialistische maat­schappij zouden spelen. Dat deden ook de staatsambtenaren en de advocaten. De sterrenkundigen van de sterrenwacht in Meudon onderzochten de structuren van hun onderzoekcentra en vonden dat ze niet voldeden; 200 archivarissen van musea kwamen van overal in Frankrijk samen om zich te bezinnen over de rol van het museum in de maatschappij terwijl hun ondergeschikten ‘één met de grote vernieuwingsbeweging die op dit ogenblik over het land spoelt’ een onderzoek instelden naar de oubollige, ste­riele en overgecentraliseerde administratie van de musea!

Architecten, urbanisten en zelfs statistici begonnen in te zien dat hun wildste dromen wel eens bewaarheid konden worden en dat hun talenten konden aangewend worden in het belang van gans de maatschappij en niet langer voor een rijke minderheid. Ziekenhuizen die gerund werden door comités van dokters, patiënten, medische studenten, verpleegsters en hulppersoneel begonnen een zekere autonomie aan te nemen. Het beroep van dokter had de reputatie reactionair te zijn maar nu namen verhitte discussies plaats over hoe komaf kon gemaakt worden met de verouderde tradities en hiërarchie in de ziekenhuizen en het medisch onderwijs maar ook over hoe de toekomstige gezondheidszorg echt kon gerund worden in het belang van diegenen voor wie hij verondersteld werd bestemd te zijn. Tienduizend werknemers van het nucleaire onderzoekscentrum te Saclay staakten en stelden niet alleen vakbondseisen maar ook funda­mentele vragen over macht en controle.

Cultuur

Wanneer het regent in de woestijn kan dit de plotse opbloei van rare en wonderbaarlijke planten veroorzaken. Op dezelfde manier bracht het vooruitzicht van de revolutie sommige rare en wonderbaarlijke ideeën naar boven op het vlak van kunst, muziek en literatuur. Het begon duidelijk te worden hoe de cultuur kon opbloeien eenmaal de kluisters van het kapitalis­tische winst­sys­teem doorbroken waren.

Een literair ‘commando’ van schrijvers, gesteund door 50 andere schrijvers, namen het hoofdkwartier van de Maatschappij van Letterkundigen over. Een algemene vergadering van de nieuw opgezette schrijversvakbond besprak ‘Het statuut van een schrijver in een socialistische maatschappij’. Er kwam regel­matig een ‘Staten Generaal’ van de Franse Cinema samen – 1300 man – om een charter voor de omvorming van de filmindustrie uit te werken. Het was een utopie dat dit document een kans op leven zou maken : h

Op het hoogtepunt van de crisis kwamen de directeurs van de provinciale theaters en ‘Culturele Centra’ een ganse week samen. Artiesten probeerden ‘sociaal geëngageerde kunst’ uit en stuurden en hingen hun schilderijen op in de onmetelijke ‘galerijen’ van de auto- en vliegtuigfabrieken. Toneelspelers voerden hun stuk op in stakende fabrieken. Alle belangrijke Franse orkesten waren in staking, zowel de componisten de arrangementschrijvers als de muzikanten. Operazangers eisten meer inspraak in hetgeen ze moesten zingen. In een marathon debat dat duurde van midden mei tot een goed eind in juni werd een hervormingsprogramma voor het muziek- en kunstonderwijs opgesteld. Op die manier probeerden ze de afgesloten vakjes te doorbreken waarin de kunst voor zo lang opgesloten geweest was.

Het is onmogelijk een volledige lijst te geven van de talloze elementen die in het moleculaire proces van de revolutie meegesleurd werden. Aan de scholen en universiteiten waar alles begonnen was ontstond nog meer beroering. Op 10 mei stapte in de reusachtige betoging van Parijs een contingent van meer dan 6.000 scholieren op om daarna mee de barri­cades te bemannen. Waar de oproepen van de studenten tot eengemaakte actie een jaar lang zonder resultaat bleven zorgde de ervaring drie uur meebetogen voor het gewenste resultaat.

Voordien, in februari, had een vergadering van 600 scholieren gediscussieerd over de rol van hun beginnende organisatie maar er werd slechts in een paar scholen actie gevoerd en niet alle lagen waren erbij betrokken. Nu werden door scholierencomités na lange discussies met de ouders, leraars en met arbeiders die aan een bezetting deelnamen, ­niet minder dan 300 voorstel­len tot hervorming in het onderwijs uitgewerkt.

Zelfs aan de universiteiten moesten nog verborgen overblijfselen van conservatisme overwonnen worden : de medische facul­teit, de studentenhomes (waar duizenden buitenlandse studenten verbleven), het Instituut voor Politieke Studies – gekend voor zijn zelfvoldaanheid – en de theologische colleges. Sommigen werden overgewonnen via politieke discussie, sommigen gewoon door ‘infectie’ andere nadat ze slaag gekregen hadden van de CRS. Een van de carabins – een medisch student die bekend stond als ‘politiek eunuch’ – vertelde een verhaal over een collega carabin :

Hij was zijn auto gaan halen op de Boulevard St Michel toen hij door een groep van de CRS die hem in elkaar tuigden en een ‘smerige student’ noemden. Een dag of twee later, toen we over de radio hoorden dat de gevechten weer oplaaiden, sprong hij in zijn wagen om te gaan meedoen. Hij vergat ook geen schroevendraaier mee te nemen om er de pavés, de straatstenen mee los te wrikken. Ik zag hem de volgende ochtend terug, het was een actieve rebel geworden.

Vooral de theologiestudenten waren zeer opstandig. Ze be­schreven de kerk als ‘een vervreemdende, zichzelf bestendigen­de gemeenschap. Zoveel hebben we op de barricaden geleerd.’ De kapelaan van de universiteit organiseerde een mammoet gesprek. Een jonge seminarist die de regels van zijn orde naast zich neerlegde om er te kunnen naartoe gaan verklaarde ‘Ik vond het belangrijker om hier te komen getuigen dat om verder te gaan met de vergelijking van Genesis I met psalm 104 zoals ik de voorbije week gedaan heb’.

In het Quartier Latin liep een professor rond die het duide­lijk zeer lastig had met iets : ‘Ik weet niet wat er met mij ge­beurt maar plotseling schijnt mijn thesis aan de Sorbonne over ‘De Mondelinge Grap’ in de Middeleeuwen mij nogal bela­chelijk toe’.

Deze academici die in een kloosteratmosfeer leefden aan de universiteiten en de seminaries, waren er gewoon aan geraakt om be­langrijke vragen te bediscussiëren als ‘Hoeveel engelen kunnen op de punt van een naald dansen’. Maar nu vonden ze de reële zaken waar de rest van de mensheid mee te maken had plots veel interessanter.

De onstuimige en onrealistische atmosfeer die heerst aan de universi­teiten en de seminaries moest onvermijdelijk ook tot sommige ‘excessen’ leiden. Weinigen zullen akkoord gegaan zijn met de pogingen om het Parijse Beursgebouw plat te branden om ‘het hard uit het kapitalisme te slaan’. Weinigen zullen zo verrukt geweest zijn als Ernest Mandel van de PCI bij het zien van zijn auto die op een barricade uitbrandde verklaarde hoe mooi de revolutie toch was! Desondanks was het voor iedereen een onvergetelijke ervaring om mee te maken hoe de beperkingen die het kapitalisme aan het leven oplegt voor altijd schenen te verdwijnen. Ze hadden de geur van de revolutie in de neus­gaten en het rook goed.

De Franse revolutie beperkte zich ook niet tot de grenzen van Frankrijk. Overal werden de studenten aangestoken, niet in het minst in Engeland waar een ganse reeks protestacties op gang kwamen zoals aan de kunstacademie van Hornsey, aan de univer­siteiten van Oxford, Sussex an Canterburry. De studenten van Essex die met de boot van Frankrijk terugkwamen verklaarden dat ze het Kanaal bevrijd hadden en dat ‘Parijs in aan­tocht was!’

De studenten van de London School of Economics die reeds een ‘sleep-in’ aan het houden waren besloten een bezoek te brengen aan de dokwerkers van Londen om solidariteitsacties met de Franse arbeiders te organiseren. Ze werden in een nogal tradi­tioneel ‘cockney’ taaltje afgesnauwd! Maar op hetzelfde ogen­blik waren de vrouwen van die dokwerkers zelf in actie tegen een massale stijging van de huurprijzen van de sociale wonin­gen in Oost-Londen. Ze gingen protesteren en slogans roepen aan de districtsrechtbank in Waterloo. Toen ze daar een exem­plaar zagen van de Militant met als voorpaginatitel De Franse Revolutie is begonnen riepen ze vol vreugde : ‘Dat willen we hier ook!’

De beweging in Frankrijk sprak zonder twijfel tot de verbeel­ding van miljoenen arbeiders en studenten in de rest van Europa. De massale algemene staking in Italië werd door ieder­een erkend als een navolging van het voorbeeld van de Franse arbeiders. Op 14 november 1968 staakten in Italië 12.5 miljoen arbeiders en dit liep op tot 20 miljoen op 5 februari 1969. Argentinië kende zijn ‘Meidagen’ exact één jaar na de dag dat de gebeurtenissen in Frankrijk losbarsten. Uit de botsingen tussen protesterende studenten en het staatsapparaat welde ook daar een algemene sta­king, de Cordobazo op tegen de dictatuur. Maar hoe gingen de zaken zich in het Frankrijk van ’68 ontwik­kelen ? Want indien de algemene staking tot zijn konklusie doorgevoerd werd dan was niet alleen de Franse maar ook de Europese revolutie reeds goed op weg.

Revolutie of niet?

Alle grondwettelijke wapens die hij gesmeed had om zijn regime juist in zo’n crisis te beschermen bleken nu slechts vodjes papier te zijn, zelfs het wapen van het referendum bleek waardeloos … De stakingen hebben een uitsluitend politiek karakter aangenomen en hebben als doel de omverwerping van het regime … zelfs de meest gulle aanbiedingen zullen onder geen enkele voorwaarde aanvaard worden (Evening Standard van 29 mei 1968).

De regering overleefde op 22 mei met 11 stemmen op het nipper­tje een motie van wantrou­wen in het Parlement, maar twee Gaul­listische parlementairen namen ontslag. Net zoals onder de oorlog rond de radio’s stonden nu mensen samengepakt aan Tv-winkels en zaten thuis ganse families rond Tv-toestellen om de discussie in het parlement te kunnen volgen. De reactie op het resultaat was er een van zowel verontwaardiging als opluch­ting. De uitzending was alleen maar mogelijk geweest met de toestemming van het personeel van de ORTF.

Charles de Gaulle, het staatshoofd, scheen alle contact met de werkelijkheid verloren te hebben. Hij werd gehekeld en bespot. De wereldpers sprak over hem als over een ‘anachronisme’ (iets dat niet van deze tijd is). Hij had zich te lang afzijdig gehouden. Hij was uit Roemenië teruggekomen en had sindsdien niets meer gezegd. Toen hij op 24 mei eindelijk zijn 7 minuten durende ‘speech tot de natie’ uitsprak kon dit alleen maar via de radio uitgezonden worden want bij de TV was het algemene staking! Hij gaf toe dat het Franse volk misschien wel wat meer inspraak wilden in de manier waarop hun leven georgani­seerd werd. Maar het enige wat hij kon aanbieden was een referendum over hoe deze ‘deelname’ zou kunnen georganiseerd worden. Hij was ook nog bereid zijn eigen toekomst van het resultaat ervan te laten afhangen! Na deze toespraak heerste er een algemeen gevoel van anticlimax.

De Gaullisten zelf eisten het aftreden van de Gaulle. Het Grondwettelijk hof werd zelfs gevraagd om zich op de ontvangst ervan voor te berei­den! Zijn speech had niemand bevredigd. Mitterand roept op tot algemene verkiezingen. Dezelfde nacht (24 mei) vinden de arbeiders en studenten elkaar na de beto­ging weer terug op de barricaden.

De politiek van onderhandelen en toegevingen is er niet in geslaagd om het tij van de revolte te keren. De wil van de arbeidersklasse om vast te houden aan wat reeds bereikt is wordt er alleen maar door versterkt. Toen ze deze vastbera­denheid – een verharding van de situatie – voelden gingen verschillende elementen uit de regering over tot hun vroegere manier van doen. Genoeg was genoeg! Er werd bevolen om de barricaden te bestormen en de geschiedenis was weer een ‘Bloe­dige Vrijdag’ rijker. De nacht van 24 mei was voor een ganse reeks steden de meest gewelddadige tot nu toe.

In Parijs was de situatie ontploft naar aanleiding van een verklaring van de Minister van Binnenlandse Zaken om 3 uur in de morgen, die de stad opriep om ‘Le Pègre’ (het geboefte van de onderwereld) uit te spuwen ­vechten. ‘We zijn allemaal geboefte’ antwoord­den de arbeiders en studenten. Er braken hevige gevechten uit zowel binnen als buiten het Quartier Latin. Bij het einde van de nacht waren er 800 arrestanten en 1500 gewonden. Er vielen twee doen – een politieman in Lyon en een jongere in Parijs.

Het is tegen deze achtergrond dat in de Rue de Grenelle een beslis­sende vergadering plaatsvindt tussen de vakbondsleidin­gen en de regering. Dit schijnen de enigen te zijn die willen dat de beweging stopt. De vak­bonds­leiders proberen wanhopig tot een onderhandelde overeenkomst te komen – net zoals in 1936 toen in het Hotel de Matignon gelijksoortige tri-parti­te ge­sprekken plaatsvonden. De arbeidersleiders haasten zich om te onderhandelen met een regering die geen poot meer heeft om op te staan en met vertegenwoordigers van bazen die in hun bureaus opgesloten zitten!

Een journalist schreef dat ze "Helemaal niet gekomen waren om M. Pompidou af te zetten maar om met hem te onderhandelen’ – ook in het geheim! Miljoenen arbeiders bleven aan hun radio geplakt voor nieuw over de gesprekken in de Rue de Grenelle. Groepen journalisten sloegen hun tenten op aan het Ministerie van Sociale Zaken waar de gesprekken plaatsvonden. Bij de cameramannen was veel vraag naar Benoit Frachon, de 73-jarige voorzitter van de CGT die 32 jaar geleden het akkoord van Matignon mee ondertekend had.

Op een betoging van de CGT de avond voordien droegen jonge arbeiders spandoeken mee waarop stond ‘Niet toegeven Séguy!’, ‘Vaarwel de Gaulle!’, ‘De macht ligt in de straat’ en ‘Alle macht aan de arbeiders’.

Twee dagen en twee nachten lang zwoegden 49 ‘waardigheidsbe­kle­ders’ in de onderhandelingen en kwamen naar buiten met een lijst van ingrijpende veranderingen. De vakbondsleiders kwamen vermoeid maar glunderend buiten. Ze dachten de pluim op hun hoed te steken voor verworvenheden die weer eens niet de hunne waren … de grootste toegevingen die de arbeidersklasse in Frankrijk sinds de bevrijding had kunnen afdwingen.

Een journalist van de Sunday Times, die de krachtsverhoudingen buiten de onderhandelingskamer heel goed aanvoelde, stelde deze toegevingen in hun juist context : ‘gelijk welke amateur had in zo’n situatie zware toegevingen kunnen afdwingen!’. Een revolutionaire golf die al het ‘staatsporselein’ bedreigde kon van de kapitalistenklasse hervormingen afdwingen hetgeen met jaren onderhandelingen nooit mogelijk zou geweest zijn. Een klasse die geconfronteerd wordt met haar eigen ondergang is bereid om het laatste beetje reserves boven te halen om de vijand gunstig te stemmen. Ze zal tijd kopen en achteraf, wanneer het moment van crisis voorbij is en de vijand het slagveld verlaten heeft, een manier zoeken om terug te nemen wat ze moest weggeven.

Alle arbeiders zouden tenminste 7% loonsopslag krijgen, ge­volgd door nog eens 3% later in het jaar. Het officiële mini­mumloon zou met een derde verhogen, in de landbouw met 56% en sommige winkelhelpers zouden zelfs 72% krijgen. De stakers zouden de helft terugkrijgen van het normale loon gedurende de periode van de bezetting.

Georges Séguy ging vol trots naar het CGT-bastion in Re­nault Billancourt. Na een paar minuten werd hij uitgejouwd en overschreeuwd. Ooggetuigen vertelden hoe de grote werkloos letterlijk tot de nok gevuld was met arbeiders die boven op de schragen zaten. De arbeiders waren niet alleen volledig tegen de inhoud van de overeenkomst. Ze begonnen onmiddellijk te scanderen dat er een ‘regering van het volk’ moest komen. Voor hen kon dit maar één ding betekenen : een ‘arbeiders’-rege­ring. De Communistische vakbondsleider ondergingen in dezelfde Renaultfabriek hetzelfde lot als de Communistische pleitbe­zorgers van het akkoord van Matingnan in 1936. Net als toen volgde ook dezelfde reactie: in fabriek na fabriek werd het akkoord botweg verworpen en de arbeiders groeven zich in tot zich een beter alternatief zou voordoen.

De vakbondsleiders hadden reeds twee jaar geprobeerd om tot onderhandelingen met de regering te komen. Onder druk van de revolutie waren ze daar nu in gelukt en hadden toegevingen gekregen die verder gingen dan hun meest wilde dromen. Maar de arbeiders van Frankrijk waren niet voldaan. Ze wilden meer dan betere lonen, betere sociale zekerheid en discussies over vakbondsrechten! De omvorming van hun leven was in zicht. Ze wilden deze kans niet zomaar laten voorbijgaan want zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt en misschien zouden ze dit nooit meer meemaken.

De Franse maatschappij was nu volledig gepolariseerd. Op dit cruciale moment weigerden de arbeidersleiders op een misdadige manier om leiding te geven. Rechts begon zich te organiseren en bewapenden zich via de Comités voor de Bescherming van de Republiek. En nog altijd deden de arbeidersleiders niets. Op verschillende ogenblikken, zowel voor als na dit ogenblik had een vastberaden actie gans de situatie veranderd.

Delen: Printen: