Home / Dossier / Herdenking 100 jaar Grote Oorlog. Wie herdenken we en hoe?

Herdenking 100 jaar Grote Oorlog. Wie herdenken we en hoe?

Een socialistische kijk op: oorlog

Zomerdossier door Simon (Luik)

oorlog1Deze zomer wordt de 100ste verjaardag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog herdacht. Er zullen tal van activiteiten in dit kader plaatsvinden. Sommigen wrijven al in de handen bij het idee dat horden toeristen uit de hele wereld zich langs de locaties van de toenmalige veldslagen zullen verzamelen. Zo biedt de herdenking voor Jan Durmez, de CD&V-burgemeester van Ieper (dat hard getroffen werd in de oorlog), een uitstekende gelegenheid om een grote operatie van citymarketing op het getouw te zetten. Het laat het stadsbestuur toe om de aandacht af te leiden van de dagelijkse problemen en om een beleid te voeren waarbij de stad in pure neoliberale stijl als koopwaar wordt aangeboden.

Dit beleid van Durnez maakt duidelijk hoe de herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog worden aangegrepen om het heersende discours te onderbouwen, het discours van het establishment en de politici in loondienst van dat establishment. Er zijn in ons land tal van evenementen gepland. Van Oostende tot in Neufchâteau zullen in naam van de herinnering aan de Grote Oorlog activiteiten plaatsvinden. Daarbij wordt op historici beroep gedaan om hen een veilige functie te laten vervullen, met name die van de bewakers van een lang vervlogen tijdperk. Meteen wordt iedere poging tot analyse van de gebeurtenissen uit het verleden aan de kant geschoven. Uit respect voor de doden en hun opofferingen moeten we daarover zwijgen. Wat zullen we dan eigenlijk herdenken? Bij ons wordt sterk de nadruk gelegd op het lijden van de soldaten en de gewone bevolking, elders wordt er een vleugje chauvinisme aan toegevoegd. Maar doorgaans blijft alles beperkt tot een vorm van humanisme waarbij de absurditeit van de oorlog wordt aangeklaagd en soms zelfs wordt overgegaan tot een lofzang voor de Europese instellingen die de vrede zouden garanderen. Dit eenheidsdenken mag vooral niet doorbroken worden door diegenen die wat verder kijken en al helemaal niet door diegenen die met een militante kijk terugblikken op de gebeurtenissen van 1914-18. De herdenkingen zijn voor het establishment uiteraard niet het moment om “over politiek te spreken”.

Voor marxisten is geschiedenis geen decorstuk. We gebruiken de geschiedenis om de voorwaarden te analyseren waaronder evenementen plaatsvonden. We willen ervaringen van sociale bewegingen verzamelen en bewaren om er lessen uit te trekken. Dat is waarom we in tegenstelling tot de officiële ceremoniële herdenkingen een analyse vanuit het standpunt van de arbeidersklasse maken waarbij we ook ingaan op wat de officiële geschiedschrijvers niet in het voetlicht plaatsen.

Zo moeten we erop wijzen dat deze oorlog die als absurd wordt omschreven en “door niemand gewild” was, eigenlijk het gevolg was van de ontwikkeling van het kapitalisme op wereldvlak. De oorlog was zorgvuldig in kaart gezet door de heersende klassen van die tijd. Het kapitalisme is een systeem dat eigenlijk verlengingen speelt. Om de crises die eigen zijn aan de tegenstellingen van het systeem te vermijden, proberen de kapitalisten van elk land om zich nieuwe markten toe te eigenen. Dat is de analyse die Lenin al in 1916 maakte in zijn boek “Imperialisme, hoogste stadium van het kapitalisme.”(1)  In 1914 vormden de kolonies deze nieuwe markten. Er waren pogingen om koloniale gebieden van andere landen te veroveren of alleszins om de eigen kolonies te behouden. Daartoe werd geweld gebruikt en werd nationalisme opgezweept. De nadruk werd gelegd op de culturele bijzonderheden of er werd denigrerend gedaan over tegenstanders. Bovenal werd teruggegrepen naar de mythe dat de inwoners van een land gemeenschappelijke belangen hadden.

Er was destijds een mogelijkheid om dat discours te beantwoorden en om te vermijden dat de werkenden en boeren elkaar wereldwijd uitmoordden om de belangen van hun uitbuiters te dienen. Die mogelijkheid ging door het leven als de Tweede Internationale. Het ging om machtige arbeiderspartijen die zich wereldwijd hadden georganiseerd. De werkenden hadden de mogelijkheid om het bloedbad te stoppen in naam van de belangen van de wereldwijde arbeidersklasse. Maar dat was niet de optie die werd gevolgd door de toenmalige socialistische leiders. De oorlog weigeren betekende immers ook breken met het systeem die hen privileges had opgeleverd. Trotski stelde nadien dat de crisis van de arbeidersbeweging kon herleid worden tot de crisis van haar leiding. Het verraad van de socialistische leiders die de kant van hun nationale burgerij kozen, liet de werkenden doorheen Europa aan hun lot over waardoor ze een tijdlang geen eigen klassenuitdrukking vonden. In alle landen bleven er wel een handvol socialistische militanten trouw aan het internationalisme. Ze kwamen in 1915 in het Zwitserse Zimmerwald bijeen en bouwden aan een nieuwe internationale arbeidersbeweging. Onder deze militanten bevonden zich leden van de Russische Bolsjewieken die de Oktoberrevolutie in 1917 zouden leiden.

Dat is overigens een element dat de organisatoren van de officiële herdenkingen doorgaans ook vergeten te vermelden. Het succes van de socialistische revolutie in Rusland vond een weerklank doorheen de hele wereld. Het leidde tot een heropleving van klassenstrijd en arbeidersopstanden in verschillende landen. Soldaten van arbeiders- of boerenafkomst vormden de overgrote meerderheid in het leger. Ze waren moe na vier lange oorlogsjaren. In de Russische revolutie zagen ze een middel om de vrede op te leggen. Het was zeker niet de wil van de heersende burgerij die een einde maakte aan de oorlog, het was niet dat het establishment plots tot betere inzichten was gekomen. Neen, het was de sociale onrust onder de werkende bevolking met vooraan de Duitse revolutie die werd geleid door Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. Er waren muiterijen tegen de officiers en soldaten van de elkaar bevechtende kampen verbroederden aan de frontlinies.

Ook in Brussel doken rode vlaggen op en het establishment zag zich gedwongen tot grote toegevingen zoals het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen. Nog was dat niet voldoende om de revolutionaire stemming af te wenden, in 1919 legden 160.000 mensen het werk neer en in 1920 zelfs 290.000. De achturendag werd ingevoerd en tegen eind 1920 was de koopkracht van voor de oorlog hersteld.

Voor marxisten is de 100ste verjaardag van de Grote Oorlog van 1914-18 een gelegenheid om diegenen te herdenken die weigerden om hun klassenbroeders te bevechten en die hun leven gaven aan het internationalisme. Hun erfenis moet geen museumobject worden, hun ervaring moet gebruikt worden om de klassenstrijd centraal te stellen, zeker op een ogenblik dat er opnieuw pogingen zijn (spijtig genoeg ook ter linkerzijde) om ons achter allerhande nationale vlaggen te laten scharen.

(1) Online beschikbaar: http://www.marxisme.be/n/?p=3276

One comment

  1. Pingback: Wapenstilstand. Een socialistische kijk op de grote oorlog | Linkse Socialistische Partij