Frankrijk 1968. De storm breekt los.

Wat betekende mei 1968 in Frankrijk? Uiteraard is het in de eerste plaats van belang omwille van de enorm grote algemene staking die plaatsvond. Meer dan 10 miljoen arbeiders staakten in die meidagen. Het volledige land lag plat. In dit deel van het boek "Frankrijk 1968. Maand van revolutie. Lessen van de algemene staking" wordt het verhaal gedaan van die opmerkelijke meidagen.

Clare Doyle

5. De storm breekt los

Op 14 mei, de ochtend na de 24-urenstaking, waren slechts 200 arbeiders in staking. Op 19 mei waren dat er twee miljoen en op 21 mei tien miljoen.

De jonge metaalarbeiders van de Sud Aviation-fabriek bleken achteraf de vonk geweest te zijn die deze historische algemene staking in gang zette. Voor 14 mei hadden ze reeds een periode iedere donderdag­morgen 15 minuten gestaakt als actie tegen hun eigen directie. Maar nu werden ze ‘besmet’ door het revolutio­naire contact met het studentenprotest en het gevoel van enorme macht dat ze gedurende de 24-urenstaking de dag voor­dien gevoeld hadden. In plaats van het werk op deze donderdag te hervatten besloten ze om hun actie te verlengen en uit te breiden naar alle vestigingen van de fabriek. Ze sloten 20 directieleden op in hun kantoor en begonnen via een luidspre­ker de Internationale te spelen opdat ze de woorden zouden eens zouden leren! Aan de deur werd een wacht opgetrokken, de bazen moesten zelfs een begeleiding vragen om naar het toilet te mogen gaan! De arbeiders zetten een actiecomité op dat de uitbreiden van de staking begon te organiseren.

Het geen toeval dat de staking daar begon waar reeds spora­disch uitbarstingen plaatsgevonden hadden tussen directie en arbei­ders. Onder de jonge arbeiders stonden sommigen onder invloed van ‘Marxistische’ ideeën. Maar de sociale situatie in Frankrijk had zich zodanig ontwikkeld dat, indien de start hier niet gegeven was dit zeker op een andere plaats zou gebeurd zijn. Reeds voor mei ’68 – en ook later opnieuw – regenden de revolutionaire ideeën als graankorrels op braak­liggende grond. Deze keer schoten ze wortel.

Met de studentenacties en de massabetogingen van de arbei­ders was het hek van de dam. Nu de beweging eenmaal begonnen was ontwikkelde zich met een onweerstaanbare kracht. Op 15 mei breidden de stakingen en de bezettingen zich uit naar de autofabrieken van Renault, de scheepswerven, de hospitalen en het Nationaal theater Odéon.

Op 16 mei legden alle 60.00 Renaultarbeiders het werk neer en hadden ze de 6 fabrieken bezet in een beweging die door de Sunday Times als volgt beschreven werd :

"In de reusachtige Renaultfabriek van Billancourt mopperden de jonge arbeiders, vooral de geschoolde arbeiders van de machineafdeling, dat indien de studenten toegevingen konden afdwingen van de regering de vakbonden ook maar in staat moesten zijn om dat te doen… Vanaf donderdag gingen de Renaultfabrieken van Cléon en Flins in staking. Op vrijdag­morgen stopte ook de productielijnen van Billancourt… Hier valt op te merken dat de staking begon in ‘Atelier 70’, de gereedschapafdeling. De staking was bovendien al begonnen vooraleer die vrijdagmorgen een groep studenten van het Quar­tier Latin arriveerde.

In de grote loods waar iedere dag stakingsvergaderingen van meer dan 4000 man plaatsvinden, heerst een elektrische atmosfeer. Het enige waarmee dit kan vergeleken worden is een carnaval in de ochtend. Een spandoek zegt : ‘Meer plaatsen voor arbeiderskinderen aan de universiteit!’ … Speeches worden onderbroken door het scanderen van de eis dat de Gaulle moet aftreden. Uit een luidspreker loeit de internationale, meegezongen door mannen van alle politieke overtuigingen – opeens wordt solidariteit iets tastbaars. Het is een ontroe­rende ervaring.

De versnellingsbakafdeling van de Renaultfabriek in Cléon, dichtbij Rouen, was relatief nieuw en stelde hoofdzakelijk jonge arbeiders tewerk die vers uit de plattelandsbevolking aangeworven waren. Deze arbeiders hadden niet massaal deelge­nomen aan de betogingen van 15 mei, maar toen ze zagen wat aan het gebeuren was waren ze vast besloten om zich zoals één van de arbeiders het stelde ‘bij de eerste gelegenheid te beteren. De directeur van de fabriek weigerde een delegatie te ontvan­gen dus werd hij maar in zijn bureel opgesloten. Bij Renault te Flins stonden regelmatig 3000 arbeiders piket. Van daaruit vertrokken groepen van jonge arbeiders naar al de kleine­re fabrieken in de omgeving om tot actie op te roepen.

Bij één van de Citroën-fabrieken, waar amper 200 van de 18.000 arbeiders gesyndicaliseerd waren, bestond enige twijfel. Le Canard Enchainé beschreef hoe de ‘huisagenten’ (de fabrieks­politie) de meeting bijwoonden waar de vakbondsafgevaardigden de arbeiders opriepen tot stakingsactie. De arbeiders twijfel­den. Toen vroeg een lid van de CGT aan één van de ‘huisagen­ten’ om het standpunt van de directie toe te lichten. ‘Hij deed dit zo slecht dat de arbeiders volledig overtuigd werden en onmiddellijk voor stakingsactie stemden!’ Voor de staking stond Citroën bekend als de ‘fabriek van de angst’.

Overal werden rode vlaggen op de fabrieken geplaatst. Bij de onderhoudsfabriek van de vlieghaven Orly-Noord werd "in ge­meenschappelijk front een stakingscomité opgericht" dat iedere ochtend tot 3.500 man bijeenbracht. Discipline was onbetwist­baar en de machines werden zelfs beter onderhouden dat onder normale omstandigheden! Op 16 mei werden de havens van Mar­seille en Le Havre gesloten en de Trans-Europe Express moest in Valence, in Zuid-Frankrijk, stoppen. Dagbladen kwamen nog uit maar de drukkers oefenden tot op zekere hoogte een controle uit op wat erin ver­scheen. De bestellingen vielen toch stil! Verschillende openbare diensten werkten nog maar dan alleen met de toestemming van de stakers.

Op een enkel ogenblik werd vanuit de Parijse hoofdkwartie­ren van de vakbondsfederaties een algemeen ordewoord tot algemene staking gelanceerd en toch overspoelde een kalme maar onweer­staanbare van arbeidersmacht overal in het land de commandoposten van de Franse economie. In duizenden fabrieken gingen de arbeiders niet alleen in staking, maar sloten ze zichzelf op met hun stilgelegde machines en vormden op die manier de fabrieken om tot versterkte vestingen. (De Franse Revolutie 1968)

De staking breidde uit naar iedere uithoek van Frankrijk. Van werktuigkundigen tot transportarbeiders, van grootwarenhuizen tot bakkerijen, van textielfabrieken tot begrafenisonderne­mers en de boten op de Seine. Zelfs de arbeidsbureaus werden bezet en van een rode vlag voorzien. De beweging nam iedere dag, ieder uur uitbreiding en omvatte de laagste tot de meest verheven lagen van de bevolking.

De manier waarop de beweging zich in mei 1968 ontwikkelde bood een eigenaardige gelijkenis met de manier waarop de grote bezettingsstakingen in 1936 de verkiezingsoverwinning van de Volksfrontregering toejuichten en zoals ze beschreven werd door Trotski in Wither France:

De beweging wordt als een epidemie. De besmetting verspreidt zich van fabriek naar fabriek, van beroep tot beroep, van district tot district. Alle lagen van de arbeidersklasse schijnen in echo antwoord te geven aan een appel. De metaalar­beiders beginnen, zij vormen de voorhoede. Maar de sterkte van de beweging ligt in het feit dat onmiddellijk achter de voor­hoede de zware reserves van de klasse komen met daarbij ook de meest achtergebleven lagen, de achterhoede-elementen, die gedurende de week volledig vergeten worden door de heren parlementairen en vakbondsleiders.

De leiders van de Communistische Partij en de CGT gaven er zich rekenschap van dat er rondom hen iets groots aan het gebeuren was. In de vroege ochtend van zaterdag 11 mei drukten ze 300.000 exemplaren van een extra-editie van hun blad L’Hu­manité. Op de massabetoging van 13 mei konden ze zelfs ‘Een grote wil tot verandering’ onderscheiden! Nu probeerden ze om hun eigen stakingscomités op te dringen aan de fabrie­ken. In hun poging om de beweging de pas af te snijden moesten ze, zoals alle verslaggevers eensgezind erkenden, de nieuwe geradicaliseerde en hoofdzakelijk jonge elementen opzij duwen die in de strijd een buitengewone fantasie en energie aan de dag legden.

Op 17 mei verklaarde L’Humanité zonder blozen ‘De CGT begroet die arbeiders die onze oproep tot bezetting gevolgd hebben’! Welke oproep? Er was geen enkele oproep uitgegaan van de vakbondsleiders! Daarna gingen ze over tot het ‘waarschuwen’ van de arbeiders om niet aan te sluiten bij de geplande beto­ging aan de gebouwen van de openbare radio en televisie en om afstand te nemen van de mars van de studenten naar de Re­nault-fabriek in Billancourt. Ze bleven hun politiek van verdeel en heers uitproberen en de arbeiders in te enten tegen de besmet­ting met revolutionaire ideeën. In een wanhopige poging om de stemming tegen de studenten te vergiftigen ver­telde ze aan de Renault-arbeiders dat ‘De studenten alleen maar willen binnen­dringen om de boel kapot te slaan.

Door het feit dat bij de Renault in Billancourt zoveel arbei­ders bij de CGT waren was het dan ook niet te verwonderen dat ze in het begin de toenaderingspogingen van de studenten afwezen! Het pamflet dat door de zogezegde Trotskisten van de JCR uitgebracht was had de zaak weinig vooruit geholpen en hielp de Communistische Partij in haar voortdurende pogingen om de arbeiders en studenten kunstmatig gescheiden te houden.

Le Canard Enchainé schetste een beeld van de studenten die twee nachten niet geslapen en twee dagen niet gegeten hadden en die bijna in tranen uitbarsten toen ze door de arbeiders uit de fabriek gehouden werden. ‘We zijn gekomen om uw strijd te steunen!’ ‘Bravo … Dank U!’ ‘Gebalde vuisten en de Interna­tionale overal maar de muren en het ijzeren hekken aan de ingang bleef stevig gesloten.’ De 1500 tot 2000 studen­ten gingen dan over tot de ‘Jericho-tactiek’ en begonnen rond de muren van de fabriek te marcheren. Maar ook dit lever­de geen resultaat op. ‘De studenten keerden terug om te praten met de arbeiders die op de muren zaten en achter de gesloten poort bleven. Maar deze keer werd er wat meer gediscussieerd. De arbeiders die op de muren zaten waren vooral jongeren. Toen hen gevraagd werd "Wat steken jullie uit jongens?" antwoordden ze "We dialogeren"! De term "monoloog" werd beschouwd als het wachtwoord van het bonapartistische de Gaulle-regime. De "dialoog" werd nu overal toegepast, ook onder arbeiders. Vooral de migranten die vertelden dat ze hun werkmakkers voor het eerst leerden kennen.

Op de spandoeken van Billancourt stond te lezen : ‘1000 frank, niet minder; 40 uur, niet meer’ en ‘Lang leve de arbeiders!’ Bij de fabriek van Cléon lazen we onder andere ‘Arbeidszeker­heid’ en ‘Voor een linkse regering’.

‘De grote stille kracht’

De politieke en syndicale leiders van de Franse arbeidersklas­se kwamen onder steeds grotere druk om een politieke oplossing aan te bieden. Ongeveer op dit moment vertelde Georges Séguy, de Algemene secretaris van de CGT aan de arbeiders van Renault : ‘Iedere slogan die oproept tot de opstand zou het karakter van uw staking veranderen’ – een uitspraak die inderdaad tot nadenken oproept! De worden van deze Communistische waardig­heidsbekleder waren bedoeld om de arbeiders af te schrikken. In de plaats daarvan gaven ze voedsel aan het intense verlan­gen naar een politieke, revolutionaire oplossing voor de crisis.

In dezelfde geest als de leiders van de Communistische Partij riep Eerste Minister Pompidou de studen­ten via de televisie op om zich niet te laten meeslepen door de agitatoren en dat de ‘burgers de anarchie moesten afwijzen’. Maar verre van anar­chie heerste in de fabrieken totale kalmte en orde.

Pompidou stond alleen. In Parijs deden grappen de ronde over de Gaulle die in Roemenië aan het hoofd stond van een ‘Rege­ring in Bal­lingschap’. Een woordvoerder voor de vakbond waar­bij de oproerpolitie aangesloten was legde uit dat het moei­lijk zou zijn om zijn manschappen van staking te weerhou­den. Net zoals zovele huidige vakbondsleider goot Georges Séguy koud water over de beweging. De CGT moet gezien worden als ‘De grote stille kracht’ zei hij. In het midden van een revolutio­naire omwenteling begonnen de arbeidersleiders wiegeliedjes te zingen, op een ogenblik dat de arbeiders probeerden ‘de hemel te bestormen’ zoals Karl Marx de heldhaftige actie van de Parijse Communards in 1871 op een onsterfelijke manier be­schreef.

De heren Democraten en ‘Communisten’

Marx en Engels hebben uitgebreid geschreven over de revolutio­naire omwentelingen in Frankrijk. Ze beschreven hoe de ‘Heren Democraten’ die zich aan het hoofd van de beweging bevonden in talloze gevallen de overwinning waar de massa’s zo hard voor gevochten hadden weer uit handen gaf. Op die manier werd iedere keer weer de weg geopend voor de reactie die de ene keer al bloediger toesloeg dan de andere. De roemrijke Parijse Commune eindigde met de slachting van minstens 45.000 Parijze­naars terwijl nog eens tienduizenden omkwamen in de gevangenis of in de verbanning.

De jaarlijkse herdenking van de Parijse martela­ren van 28 mei viel in 1968 op het hoogtepunt van een nieuwe revolutionaire situatie in Frankrijk. De leiders van de arbeidersbeweging waren zich weer eens aan het voorbereiden om de heldhaftige Franse massa’s van hun overwinning te beroven. Waarom handel­den ze op die manier? Het antwoord op die vraag moet gezocht worden in de geschiedenis van de Franse Communistische Partij.

Op het congres van de Franse Socialisten van 1920 in Tours splitste de partij tussen reformisten en revolutionairen. Vier vijfden van de afgevaardigden spraken zich uit voor aanslui­ting bij de Derde (Communistische) Internationale. Sindsdien werd de Communistische Partij die toen op­gericht werd de belangrijkste politieke organisaties van de franse arbeiders­klasse. Nadat het Stalinisme in Moskou aan de macht gekomen was voerde de Franse Communistische Partij trouw alle bevelen van het Kremlin uit. Deze hadden vooral tot doel om enerzijds de geprivilegieerde positie van de Sovjetbureaucratie in stand te houden en anderzijds iedere revolutionaire beweging die het kapitalisme in Frankrijk zou kunnen omverwerpen onder controle te houden. Zo’n omverwerping zou immers leiden tot een volle­dig democratisch regime waardoor de tegenstelling met de bureaucratische arbeidersstaat zo duidelijk zou worden dat de positie van de bureaucratie in de Sovjet-Unie zelf in gevaar zou gekomen zijn.

De KP ontwikkelde dus tot een tweede refor­mistische partij in Frankrijk die voor een deel de politiek van de stalinisten, voor een deel die van de burgerij uitvoer­de. Sinds haar op­richting kreeg ze onschatbare kansen om de macht te nemen en de maatschappij op socialistische basis te organiseren. Maar de leiders van de Communistische Partij bedankten iedere keer voor het aanbod.

In mei ’68 lagen de krachtsverhoudingen duizend keer meer in het voordeel van de arbeiders dan bij de Parijse Commune. Dit gevoel dat de overwinning eindelijk mogelijk was leefde zo sterk dat zelfs Emile Waldeck-Rochet, secretaris van de Communistische Partij, met de stemming meegesleept werd. Waar hij gewoon was om de politiek op een bureaucratische manier te benade­ren en zichzelf als leider van een partij in de opposi­tie te zien, werd hij opeens verplicht om de massale druk van onderuit te beantwoorden met ideeën die meer in overeenstem­ming waren met de revolutionaire inhoud van het stichtingspro­gramma van de partij. In tegenstelling tot zijn normale manier van doen, bracht hij een speciale verklaring uit waarin hij de krachtlijnen schetste voor de juist weg vooruit :

Om te beantwoorden aan de verzuchtingen van de arbeiders, de leraars, de studenten … stelt de Franse Communistische Partij … niet alleen de nationalisatie voor van de grote banken maar ook van de grote industriële monopolies die de sleutelsectoren van de economie domineren … Om uitbreiding van de rol van de fabriekscomités en de vrije activiteit van de vakbonden in de fabrieken mogelijk te maken … is het noodzakelijk om de macht van de monopolies en samen daarmee die van het Gaullisme te breken.

In dit en ander materiaal dat de Communistische Partij in mei ’68 uitbracht vinden we overal verspreid verwijzingen naar de noodzaak voor het ‘socialisme’ maar nergens wordt dit zo concreet gesteld als hier. Gewoonlijk werd het beschreven als een later ‘stadium’ dat na het instellen van de ‘democratie’ zou komen. Net als hun voorgangers in de jaren 1930 probeerden de leiders van de KP en de CGT voortdurend aan te tonen dat de situatie ‘niet revolutionair’ was en probeerden ze het poli­tieke karakter van de beweging te negeren.

Ze bleven volhouden dat deze strijd ‘puur’ voor hogere lonen en betere werkomstan­digheden gevoerd werd. Maar politiek is nu eenmaal geconcentreerde economie. Zo’n strijd kan voor een langere periode nooit volle­dig succesvol zijn zonder de socia­listische omvorming van de maatschappij. Door zijn winsthonger kan het kapitalisme zich letterlijk de luxe niet veroorloven om deze eisen in te willigen. Een echte revolutionaire partij zou daarom de stakende arbeiders gemobiliseerd hebben en hun directe eisen via een overgangsprogramma met de noodzaak tot de omvorming van de maatschappij verbonden hebben.

De spanningen in de Franse KP – misschien wel de meest starre stali­nistische partij in West-Europa – moesten onvermijdelijk tot een uitbarsting komen. Aan het eind van de eerste week van mei werd Jean-Pierre Vigier, die in de leiding zat van de Solidariteitskampanje met Vietnam, uitgesloten voor zijn ‘anti-partij-houding’. Twee weken later nam André Barjonet, top-economisch adviseur van de CGT, ontslag uit zijn functie en als lid van de KP. Hij was ervan overtuigd dat de revolutie mogelijk was en dat de KP niets deed om ze mogelijk te maken. Integendeel, ze hield ze tegen en probeerde zelfs om ze in haar ontwikkeling te saboteren. De voornaamste bezorgdheid van de reformistische KP-leiders was dezelfde als die van Maurice Thorez in de jaren 1930 : ‘Hoe deze staking doen stoppen’ Het probleem dat ze toen hadden werd uitgedrukt in zijn opmerking dat ‘wij deze staking niet uitriepen’. Tweeëndertig jaar later zegt Georges Séguy ‘We riepen niet op tot deze staking, dus kunnen we hen ook niet terugsturen!’.

Delen: Printen: