Frankrijk 1968. Achtergrond voor de revolte

In het derde deel van het boek "Frankrijk 1968. Maand van revolutie. Lessen van de algemene staking" van Clare Doyle wordt ingegaan op de algemene achtergrond waartegen de gebeurtenissen van mei 68 in Frankrijk plaatsvonden. Voor veel arbeiders en hun gezinnen was er vooruitgang in de jaren 1960, maar dit was niet algemeen. Bovendien was er eind jaren 1960 een toename van de werkloosheid en staken tal van sociale problemen de kop op.

Clare Doyle

3. De hoge kost van de economische groei

De grote staking van mei ’68 ontwikkelde niet tegen de achter­grond van economische recessie en stagnatie maar in een periode waarin de reële inkomens met gemiddeld 5% per jaar stegen. Verschillende delen van de maatschappij, vooral dan de geschoolde arbeiders en vakmannen, verwachten steeds meer voordelen uit de naoorlogse economische groei. In 10 jaar was het aantal auto’s per hoofd van de bevolking verdubbeld even­als het aantal wasmachines per gezin. De verkoop van ijskasten verdrievoudigde. Een miljoen gezinnen konden zich een tweede huis kopen. Het aantal TV’s vervijfvoudigde.

Het was dit proletariaat, waarvan men zie dat het gecorrum­peerd en ‘verburgerlijkt’ was door de ‘consumptiemaatschappij’ dat de grootste algemene staking uit de geschiedenis doorvoer­de. Het was deze arbeidersklasse die uit alle macht een revo­lutie doorvoerde. Er schijnt dus een tegenstelling te bestaan tussen de stijgende levensstandaard van de arbeiders die volgens sommige oppervlakkige commentatoren aan het kapitalis­me (en dus ook aan de Gaulle) een zekere stabiliteit zou geven en het uitbreken van de revolutie. De omwentelingen van mei-juni 1968 bevestigen alleen maar de analyse van het marxisme, dat de voorwaarden voor revolutie niet automatisch voorbereid worden door een economische groei of door een recessie maar door de overgang van de ene periode naar de andere.

Een economische catastrofe zoals die van 1929-’33 in Amerika kan het proletariaat voor een periode verdoven en verlammen. Anderzijds kan een groei in de productie en de dalende werk­loosheid die eruit volgt, het zelfvertrouwen van de arbeiders herstellen en de basis leggen voor een nieuwe uitbarsting van de klassenstrijd.

De naoorlogse economische groei in Frankrijk en vooral die in de periode onder de Gaulle, had de wonden van de Franse arbei­dersklasse geheeld. De herinnering aan de mislukkingen en nederlagen uit de periode tussen de twee wereldoorlogen en de periode onmiddellijk na de WO II werd meer en meer naar de achtergrond verdreven naarmate een nieuwe en meer strijdbare generatie van arbeiders naar voor kwam. Maar was het de infla­tie en de werkloosheid die alles kwamen bedreigen wat door strijd afge­dwongen was. Deze factoren, samen met het bijzonder karakter van het bonapartistisch regime van de Gaulle, maakten dat zich in de Franse maatschappij het potentieel ontwikkelde voor een revolutionaire uitbarsting.

De Franse heersende klasse was zich heel bewust van de gevaren die de ontwikkeling van een sterke arbeidersklasse met de revolutionaire tradities zoals in Frank­rijk voor haar inhield. 150 jaar lang, tot het einde van de jaren 1950 had ze dan ook bewust de ontwikkeling van de industrie afgeremd. Frankrijk stond bekend als ‘de bankier van de wereld’ en beschikte nog steeds over een grote boerenbevolking die als politiek tegen­wicht voor de arbeiders in de steden kon dienen.

In 1968 leefde nog steeds meer dan de helft van de bevolking in gemeenten met minder dan 2000 inwoners. 28% van de arbei­ders werkte in de verwerkende industrie tegen 35% in Engeland en Duitsland. De productiviteit van Frankrijk lag onder de helft van het gemiddelde voor de rest van Europa. Daartegen­over stond dan wel dat de vermindering van het deel van de Franse bevolking dat direct in de landbouw tewerkgesteld was in 20 jaar tijd daalde van 35% in 1945 naar 17%. Dit was de sterkste daling van alle Westerse landen.

Toen hij in 1958, in de volle ontwikkeling van de nooit gezie­ne naoorlogse economische groei, aan de macht kwam, was de Gaulle verplicht om Frankrijk te moderniseren en zich in te schakelen in de wereldmarkt, m.a.w. te concurreren. Hij werd hierin geholpen door de devaluatie met 15% van de Franse Frank en de grootschalige investeringen door de Verenigde Staten. Het tekort op de handelsbalans veranderde in een overschot en er werden voor $5.25 miljard reserves in goud opgesta­peld. Maar onder de oppervlakte van deze schitterende economische groei begon er roest te komen. Om dit mirakel mogelijk te maken hadden miljoenen arbeiders een enorme prijs moeten betalen in termen van woon- en werkomstandigheden. De snelle economi­sche groei deed de prijzen in 10 jaar tijd met 45% stijgen. In 1968 kwam daar nog eens de invoering van de BTW bij en werd de controle op de stijging van de huurprijzen afge­schaft. De werkloosheid was sinds 1960 met 70% gestegen (offi­cieel tot over de 500.000, de vakbonden zegden 700.000). Eén vierde van de werklozen waren schoolverlaters, zowel met als zonder diploma. Naar schatting waren meer dan de helft van de werklo­zen jonger dan 25 jaar.

Er moest gesnoeid worden in de reeds ontoereikende sociale en ziekenhuisvoorzienin­gen. Vooral een decreet dat de ziekte-uitkeringen verder verminderde werd zwaar aangevochten. n vergelijking met de rest van Europa was de kindersterfte hoog. In Parijs leefden drie miljoen mensen in sloppenwijken en de helft van de woningen hadden geen WC in huis.

In de industrie werden lange uren geklopt, dikwijls aan lage lonen. Een vierde van de arbeiders kreeg minder dan 144 FF per week. 1.500.000 ongeschoolde arbeiders en landarbeiders kregen 400 FF of nog minder per maand. Zes miljoen mensen leefden onder de armoedegrens. De 40-urenweek werd in 1936 onder de Volksfrontregering ingevoerd en voor de oorlog algemeen toege­past. In 1968 was de gemiddelde werkweek er één van 45 uur.

Een beeld uit de hel

In de reusachtige autofabrieken die in de periode van economi­sche groei als paddestoelen uit de grond schoten, werden auto’s gemaakt in totaal verouderde omstandigheden. Net zoals in het Amerika van de jaren ’30 werden de productielijnen bewaakt door gewapende privé-milities. Immigranten werden bewust gebruikt om de arbeiders te verdelen. De arbeiders werden volgens hun nationaliteit aan de band ingezet op zo’n manier dat een arbeider zelden naast iemand stond die dezelfde taal sprak al hijzelf.

Drie miljoen gastarbeiders kwamen uit het door armoede getrof­fen Zuid-Europa, Noord-Afrika en de Caraïben naar de Franse fabrieken. Van de 40.000 arbeiders bij Citroën in Parijs waren één derde migranten. De grote machinefabrieken stelden dui­zenden migranten, vooral Spanjaarden en Portugezen tewerk wiens dromen over een beter leven de bodem ingeslagen werden toen ze zagen hoe ze moesten leven en werken in omstandigheden die te vergelijken waren met de verschrikkingen van de ‘Derde Wereld’. Indien ze zich begonnen te verzetten en een beetje te strijdbaar werden, riepen de bedrijven gewoon de politie om hun arbeidsvergunning in te trekken. Een groot deel van hen moest leven in overbevolkte gasthuizen met totaal ontoereikende sanitaire voorzieningen en waar een helse discipline heerste : geen bezoek, geen dagbladen tot zelfs het verbod te spreken aan tafel. Een correspondent van The Militant beschreef in mei ’68 de situatie in Simca :

De fabriek heeft een miniatuur politiestaat met een fabrieks­poli­tie die voor een groot deel clandestien werkt die klaar staat om op ieder moment iedere vakbondsmilitant te kunnen afdan­ken. Ze oefenen hun repressieve functie niet alleen uit in de fabrieken maar ook in de gasthuizen en ziekenhuizen van de fabriek zelf. 60% van de arbeiders zijn migranten. Geduren­de de staking werden 4000 van deze arbeiders gevangen gehouden in een gasthuis van de fabriek. Iedereen die probeerde buiten te gaan werd medegedeeld dat er geen werk was en dat hij dus onder verdenking stond.

Bij de Renault fabriek in Flins stonden van bij het begin een groot percentage migranten mee aan het piket. In de grote betoging van 13 mei in Parijs scandeerden de Portugese arbei­ders : "De Gaulle, Franco, Salazar : moordenaars". Een ‘Magre­baans Actie Comité’ bracht een pamflet uit waarin ze de Noord Afrikaanse arbeiders opriepen om de staking de steunen en waarin ze de dictaturen aan de kaak stelden in Tunesië, Alge­rije en Marokko waar de studenten, leraar en scholieren reeds in opstand waren.

The Economist beschreef de assemblagelijn en de gieterij in de reusachtige Renault fabriek in Billancourt als "een beeld uit de hel". De arbeiders die zich bij de staking aansloten revolteerden tegen <i<‘les cadences'</i> – het onmenselijke werkritme, de werkdruk en de stress, de slijtage van spieren, zenuwen en leden.

Het zijn deze werkvoorwaarden die verklaren waarom Frankrijk kon ontploffen als een kruitvat. Het was daarom dat de arbei­ders zich zo opgewekt en verrukt voelden toen zich einde­lijk een mogelijkheid voordeed om iets in hun dagelijks leven te veranderen. Ze verklaren ook de bitterheid en de roep om wraak die duidelijk werd uit sommige slogans en de afbeeldingen van het kapitalisme die aan de zelfgemaakte galgen aan de ingang van de fabrieken gehangen werden. Ze zijn een verklaring voor he feit dat de fabrieken bezet werden, waarom er gediscussieerd werd, waarom revolutionaire liederen gezongen werden en waarom er zo’n feestelijke atmosfeer heerste bij het neerleg­gen van het werk. Ze verklaren ook waarom zich incidenten voordeden waarbij directeurs in hun bureau opgesloten werden en hun voedsel kregen via een mand die door het dakvenster neergelaten werd.

In de jaren die aan mei’68 voorafgingen hadden zich reeds verschillende seismografische trillingen voorgedaan die waar­schuwden voor een komende aardbeving. Maar geen enkele trilling kon de fantastische sterkte ervan voorspellen nadat het deksel van de Gaullistische maatschappij gevlogen was.

De snelle industrialisatie van Frankrijk leidde exact tot hetgeen Marx en Engels in het Communistisch Manifest voorspeld hadden en waarvoor de Franse heersende klasse zo lang gevreesd had. Ze hadden de arbeiders in grote concentraties samenge­bracht. In de Renault fabriek van Billancourt alleen al werk­ten 30.000 arbeiders. Hiermee hadden ze hun eigen grafdelvers voortgebracht en vooral de jeugd zou deze rol spelen.

Schoolfabrieken

In mei ’68 was één derde van de Franse bevolking jonger dan 20 jaar. Aan de universiteiten zaten meer dan 500.000 studenten (in 1946 waren er amper 123.000 en in 1961 202.000). Aan de universiteit van Nan­terre, die door het Ministerie van Onder­wijs gezien werd als een blauwdruk voor de universiteiten van de toekomst, werden in 1964 2.300 studenten toegelaten. Tegen 1968 was dit aantal verzesvoudigd! De universiteitsgebouwen waren een opeenstapeling van staal- en glasblokken die snel gebouwd waren om de druk te verlichten op hetgeen door Seale en McConville in hun boek French Revolution, 1968 "de vrucht­bare mierennest van het Quartier Latin" genoemd werd. Neerge­smeten in een voorstad tussen de autostrades en de Noord Afrikaanse sloppenwijken werd Nanterre "de blauwdruk voor de revolutie". Hier werd de ‘Beweging van 22 maart’ van Daniel Cohn Bendit geboren. Dit was een nogal vormeloze maar toch moedige groepering anarchisten die op 22 maart de lokalen van Universiteit van Nanterre bezet hadden om te protesteren tegen de manier waarom een groep manifestanten behandeld werden die tegen de oorlog in Vietnam betoogd hadden.

90% van de Franse studenten kwamen nog altijd uit bur­gerlijke en kleinburgerlijke gezinnen. Ook kinderen van ministers en zelfs die van het hoofd van de politie waren bij de mei-gebeurtenissen betrokken. Het opeenstapelen van deze ‘edele jeugd’ in inefficiënte en smerige ‘onderwijsfabrieken’ waar het onderwijs en het sociale leven op de campus op een over­dreven strenge manier benaderd werd, dit alles moest onvermij­delijk tot een impasse in de relatie leerling-leraar leiden.

Bijna iedereen geloofde dat er op de campussen, met medeweten van de universi­taire overheden een breed net van politie-spi­onnen actief was. Bibliotheken en labo’s waren overbevolkt, de auditoria veel te klein en drie op de vier studenten haalden het einde van hun studies niet. Net als nu was de situatie toen al zo dat minstens de helft van de studenten alleen maar konden overleven door naast hun studies te werken waardoor nog eens een extra ondraaglijke druk op hun studiemogelijkheden gelegd werd.

Alain Peyrefitte, die het ongeluk had Minister van Onderwijs te zijn op het ogenblik van de meigebeurtenissen, had in 1967 opgemerkt dat "het erop leek alsof we een schipbreuk organi­seerden om er op die manier de beste zwemmers uit te halen". De uitgaven voor onderwijs waren in de voorbije 15 jaar ver­zesvoudigd maar dit was onvoldoende om te voorzien in voldoen­de gebouwen en personeel die nodig waren voor de enorme toe­vloed van studenten. Alain Touraine, een socioloog van de universiteit van Nanterre, noteerde dat

De nieuwe grote universiteitscampussen van de twintigste eeuw isoleren de studenten op dezelfde manier als de arbeiders die in Amerika in fabriekssteden geïsoleerd worden. Er ontstaat een studenten­massa die even dicht en naamloos is als het industrieproletariaat, met haar eigen grieven, haar eigen leiders en een groeiend gevoel van haar eigen macht.

De Franse universiteiten zijn wel eens vergeleken geweest met de fabrieken in Rusland waar gewerkt moest worden volgens de norm die centraal vastgelegd werd. Alle 23 universiteiten werden door de staat beheerd op basis van streng gestandaardi­seerde richtlijnen, net als een ministerie. Wanneer er onge­noegen ontstond werd die niet geneutraliseerd d.m.v. overleg en hervormingen maar onderdrukt hetgeen dan uitbarstte in explo­sies van algemene woede. In Nanterre waren opstanden uitgebro­ken omdat het aan de studenten verboden was om op de kamers van de tegengestelde sekse te komen!

Het ongenoegen over de manier waarop het onderwijs georgani­seerd was, maar ook over de doelstellingen van dit onderwijs in een kapitalistische maatschappij steeg meer en meer naar het kookpunt. Nieuwe voorstellen die het onderwijs moesten aanpassen aan de behoeften van het patronaat maakten de dingen alleen maar erger.

In dezelfde periode waren ook de studenten aan de middelbare scholen geradicaliseerd door de algemene agitatie maar ook door hun eigen verontwaardiging over de oorlog in Vietnam. Onder leiding van het actiecomité van de Lycées waren reeds 24-urenstakingen en betogingen georganiseerd. Bovendien werden voorstellen gelanceerd om een einde te maken aan de opendeurpolitiek van de universiteiten waardoor de woede die reeds bestond over het ‘Baccalaureaat’ examen aan de middel­bare scholen nog groter werd. Ze stonden dan ook meer dan klaar om de straat op te gaan toen ‘les enragés’ (zij die razend zijn) van de universiteiten in open botsing kwamen met het staatsapparaat.

Op het ogenblik van de meigebeurtenissen stonden de universi­teitsdocenten reeds grotendeels aan de kant van de studenten­eisen voor hervormingen. Maar de leraars aan de lycea pro­beerden eerst de 13- en 14-jarigen binnen te houden door hen in het klaslokaal op te sluiten! Het duurde echter maar een paar dagen vooraleer ook de leraar mee betoogden en de bezet­ting van de lycées samen met de ouders organiseerden.

Leon Trotski, de grote Russische revolutionair, schreef ooit dat de wind van de revolutie altijd eerst in de top van de bomen blaast – de zonen en dochters van de heersende klasse, de schijnbaar verwende maatschappelijke groep van studenten. Hij wees er ook op dat studenten, voor de eerste en waar­schijnlijk enige periode in hun leven vrij zijn van een reeks be­lemmeringen van de burgerlijke maatschappij. De universiteit is een periode tussen de beperkingen van het leven in de burgerlijke en kleinburgerlijke familie en de reïntegratie in een comfortabele job en een positie in de burgerlijke maat­schappij. Bovendien worden ze aangemoedigd om te experimente­ren met ideeën, zelfs met socialistische en schijnbaar marxistische begrippen die normaal gezien totaal onbekend zijn voor de burgerij.

Een massabeweging van de arbeidersklasse kan een machtige ideologische invloed uitoefenen op de levensvisie van de studenten. Indien zich een sterke aantrekkingspool ontwikkelt kunnen de beste studenten gewonnen worden voor de ideeën van het socialisme en het marxisme. Ze kunnen echter alleen maar bewijzen dat ze op een oprechte manier aan de arbeidersbewe­ging willen deelnemen wanneer ze bereid zijn om ideologisch en in termen van hun levensstijl met hun kleinburgerlijke en burgerlijke ach­tergrond te breken.

De tragedie in Frankrijk was dat er geen organisatie aanwezig was die dit proces kon ondersteunen. Integendeel, gauchis­tische sekten die zichzelf Trotskist noemden, gingen de laat­dunkende vooroordelen die bij veel studenten bestonden, nog versterken door hen de rol van ‘leiders’ in deze strijd toe te bedelen. De revolutie zou zich onder leiding van de diri­geer­stok van de studenten verder ontwikkelen, zegden ze. Een van de sekten, de JCR, ging zelfs zover dat ze een pamflet uit­brachten met een uitspraak van Lenin over het feit dat de arbeidersklasse geen bewustzijn kan ontwikkelen dat verder gaat dan dat van de vakbond. Dit bracht met zich mee dat de positie van ‘revo­lutionaire generaals’ aan de studenten moest overgelaten worden terwijl de arbeiders­klasse maar voor het voetvolk moest zorgen! Dit standpunt bleven ze verdedigen op het ogenblik dat miljoenen Franse arbeiders een kolossaal vermogen aan improvisatie, initiatief en durf aan de dag begonnen te leggen. De arbeiders die dit pamflet onder ogen kregen hebben eens met de schouders geschud bij zoveel nonsens en hebben zich naar de serieuze zaken gekeerd.

The Economist (22 mei) gaf een minder wetenschappelijke ver­klaring voor de processen die zich in het begin van mei ’68 afspeelden :

Het is duidelijk dat vele van de huidige rebellen morgen volledig zullen opgeslorpt worden door hun streven om op te klimmen op de maatschappelijke ladder of om hun deel van de welvaart binnen te rijven. Maar ze zijn nog altijd jong genoeg om met sympathie te luisteren naar de slogans die oproepen tot een omverwerping van de gevestigde orde. De matrak van de politie deed de rest!

De ‘Force de Frappe’ zoals ditzelfde artikel de ‘slagkracht’ van de mobiele politie en de CRS noemde, was een enorme le­raar : "Frankrijk beschikt over de troepen die moeten ingezet worden in een burgeroorlog en de verschillende regimes hebben ze meermalen op een meedogenloze manier gebruikt".

Repressie van de staat

De Compagnies Républicaines de Sécurité (CRS) zijn een gewa­pende veiligheidspolitie die op het einde van WO II opgericht werd. Ze kregen hun vuurdoop in 1947 toen ze door de Sociaal Democratische Minister van Binnenlandse zaken, Jules Moch ingezet werden tegen de stakende mijnwerkers. Sindsdien werden ze verschillende keren opgeroepen om stakingen neer te slaan en allerhande betogingen uit elkaar te knuppelen. In het verleden werden ze echter nooit zo uitgebreid tegen de studen­ten ingezet.

Ook de politie van Parijs werd geteisterd door reactionaire anticommunisten. Ze zat vol elementen die vol haat waren voor diegenen die volgens hen verantwoordelijk waren voor de ‘uitver­koop’ van Frankrijk en haar kolonies: de intellectuelen de ‘progressieven’, de communisten en de vakbondsmilitanten. Ze hadden al blijk gegeven van een heftig racisme tegen de Indo-Chinezen en later de Algerijnen. Dit had zijn hoogtepunt gekend in het bloedig uiteenslaan van Algerijnse betogers in Parijs en de ‘rattenjacht’ die ze in de straten en de sloppen­wijken aan de rand van de stad organiseerden. Maar hun houding t.o.v. de Fransen zelf die vochten voor de onafhankelijkheid van Algerije was even gewelddadig. De aanval op de anti-OAS betoging van 8 februari 1962 liet 8 doden achter in het metrostation Charonne.

In 1958, toen de Gaulle zijn staatsgreep doorvoerde, werden in de Parijse prefectuur geheime ‘comités voor de openbare vei­ligheid’ opgericht. Elementen van de SAC (Service d’Action Civile), een andere semi-onafhankelijke paramilitaire organi­satie die door de Gaulistische Partij opgezet was en waarbij ook Pasqua betrokken was (die later onder Chirac de gehate minister van Binnenlandse Zaken werd) kwamen tot stand in de loop van straatgevechten zelf. Ze vroegen helmen en stokken om de barricaden zij aan zij met de politie aan te vallen. Weer anderen organiseerden een deel van de politie in groepen die de ‘ongecontroleerden’ genoemd werden en die zich tot de actie bereid verklaarden, zelfs buiten de bevelen van hun eigen politieoversten. Toen de Comités voor de Verdediging van de Republiek na de speech van de Gaulle op 30 mei gemobi­liseerd werden deelde de SAC een pamflet uit onder de politie en de CRS waarin ze opgeroepen werden om bij de SAC aan te sluiten.

Deze groepen waren ongetwijfeld de voornaamste daders van de smerigste excessen van Mei ’68 in Parijs. Politie­prefect Grimaud waarschuwde alle politieagenten voor ‘diegenen onder u die naar alle waarschijnlijkheid weinig talrijk zijn maar die door hun roekeloze acties geloofwaardigheid verlenen aan dat weinig lovende beeld dat veel mensen over ons hebben!’ Elite-eenheden worden gewoonlijk geïsoleerd van de publieke opinie maar blijven desondanks een breekbaar wapen in het arsenaal van een bonapartistische staat. Flexibiliteit en dialoog behoren niet direct tot de ordewoorden van een militaire politiedictatuur, hoe sterk deze ook beperkt wordt door parlementaire vormen zoals dit meer en meer het geval werd met het regime van de Gaulle.

Een groot deel van de woede en verbittering die zich in de Franse maatschappij opgestapeld had vond zijn oorsprong in het repressieve optreden van het staatsapparaat tegenover zowat iedere laag van de maatschappij. De houding van de regering, de Gaullistische gewoonte om het bestaan van een crisis te ontkennen, zelfs het ruwe kazernetaaltje van de Gaulle had het ongenoegen tegen de jarenlange willekeurige ‘Persoonlijke Macht’ op de spits gedreven.

De Gaulle had zich op 7 mei in een privé-gesprek uitgelaten over de noodzakelijke modernisering van het onderwijs, maar ook over het feit dat het geweld in de straat onmogelijk kon getolereerd worden : ‘dit is nooit de methode van de dialoog geweest’ zei hij. Er zijn er maar weinig die geloven dat de Gaulle ooit een dialoog met het volk zou gevoerd hebben – zelfs wanneer hij overging tot de geliefkoosde bonapartisti­sche truc van het referendum.

De wetgevende macht stond tot op zekere hoogte zelf buiten de wet. De discussies in het parlement hadden weinig te maken met hetgeen door de staat, dikwijls bij volmacht, uitgevoerd werd. De strenge censuur op de pers, radio en televisie maakte dat weinig of geen openbaren kritiek kon verwoord worden. Op dagelijkse vergadering van een comité van de Staat Radio en Televisie (ORTF) moest de directeur aan vertegenwoordigers van de ministeries al het geplande nieuws en de toekomstige pro­gramma’s voorstellen. Hierop konden zij dan herzieningen, toevoegingen of weglatingen ‘suggereren’.

De controle van de regering op de radio was niet zo groot als die op de televisie. Geen enkele vertegenwoordiger van de studenten of leraars kreeg de toelating om hun standpunt voor de camera te brengen. Filmmateriaal over de bloedige straat­gevechten werd systematisch afgevoerd en alleen getoond nadat de vakbonden erop aandrongen hadden. In de loop van de gebeur­tenissen lapte de 24 uur op 24 uitzending van France-Inter deze beperking aan hun laars. De berichtgeving van deze zender over de gebeurtenissen in het Quartier Latin moest niet onder­doen voor de ‘Front-line’ verslaggeving van de twee commer­ciële zenders, Radio Luxembourg en Europe N° 1.

Voor een arbeidersklasse die haar Europese lotgenoten begon bij te benen en voor een middenklasse die mee wilde genieten van de vruchten van de snelle economische expansie werd de taal van de laars en de methoden van een dictator steeds onverdraaglijker.

Het satirische blad Le Canard Enchainé gaf commentaar op de verstikkende atmosfeer. Volgens dit blad leeft gans Frankrijk onder ‘un cours magistral’ (wettelijke procedure). Toen Pompi­dou op een bepaald ogenblik aankondigde dat hij de gearres­teerde studenten ‘vrijgelaten’ had, schilderde Le Canard hem af als iemand die studenten op een totaal willekeurige manier kon arresteren en vrijlaten.

Slecht uitgerust als het was om de orde te handhaven, bleek het regime nog minder in staat om deze crisis onder controle te krijgen. Het brute antwoord van de Gaulle op de eisen van de studenten (Hervormingen, OK maar wat rondscharrelen in bed, nee !) kwam op zijn eigen hoofd terecht toen in betogin­gen en op posters van de studenten de slogan verscheen "Het probleem in bed is hij !"

De Evening Standard schreef ‘De regering handelt in een leegte die ontstaan is uit jaren van overdreven zelfvertrouwen en isolement van de publieke opinie en het ongenoegen dat zich daar ontwikkelde. Ze is niet in staat om enige samenhangende actie door te voeren.’ De regering had in een wespennest ge­pookt en zou er uiteindelijk dodelijk door gewond worden !

Delen: Printen: