Frankrijk 1968. De studenten komen op straat

In het tweede deel van het boek "Frankrijk 1968. Maand van revolutie. Lessen van de algemene staking" van Clare Doyle wordt geschetst hoe de jongeren in actie begonnen te komen. Dit waren de eerste aanzetten van wat Mei 68 zou worden. De studenten namen daarbij het voortouw.

Clare Doyle

2. De studenten komen de straat op

De manier waarop de gebeurtenissen zich in 1968 ontwikkelden leek op het eerste zicht een bevestiging van de aanspraak van de studenten overal in de wereld dat zij een revolutie kunnen "doen ontploffen". Het lijdt geen twijfel dat de regeringen in verschillende landen begonnen te beven voor dit vooruitzicht! Overal in de wereld zagen we een nooit geziene golf van stu­den­tenopstanden : in Polen, Italië, Spanje, Duitsland, Brit­tan­nië en Amerika. Sommige van deze bewegingen waren reeds breder uitgedeind dan die in Frankrijk.

In Spanje vochten de studenten tegen de dictator Franco. In de Verenigde Staten vochten de studenten in de eerste linies tegen de oorlog in Vietnam en voor de ‘Black consciousness’ en burgerrechten beweging in het Zuiden. In Noord-Ierland waren de studenten betrokken in de heropleving van de strijd tegen de anti-katholieke discriminatie. In Tsjecho-Slowakije werden intellectuelen, studenten en delen van de arbeiders betrokken in een diepgaande politieke beweging, beter gekend als de ‘Praagse Lente’.

In alle belangrijke universiteitssteden van Duitsland braken brede gevechten uit. Er werd zelfs een aanslag gepleegd op het leven van de studentenleider Rudi Dutschke. In Brittannië betoogden net zoals elders tienduizenden studenten tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam. Maar alhoewel de strijd van de studenten de uitdrukking was van een dieper liggend sociaal conflict, deed deze strijd in geen enkel ander land dan Frank­rijk een algemene staking van de arbeiders "ontploffen" laat staan dat ze een einde zouden gemaakt hebben aan de heerschappij van het kapitaal.

Wat is de verklaring hiervoor? Die ligt niet in het feit dat de Franse studenten een superieure methode zouden gebruikt hebben maar in de samenloop van alle politieke en sociale voorwaarden voor een revolutie of anders gezegd : van het ontvlambaar materiaal. Daarbovenop kwam het bonapartisme van de Gaulle als een bijkomende en versterkende "ontlader".

De Franse studenten waren reeds betrokken geweest in de brede bewegingen tegen de Algerijnse oorlog in het begin van de jaren 1960. Ze hadden even luidruchtig betoogd als in gelijk welke betoging ter ondersteuning van de onafhankelijkheids­strijd van de Vietnamezen. Vooral in Frankrijk was dit een belangrijk punt want het bracht de weinig glorieuze pogingen weer in herinnering van Frankrijk om haar voormalige kolonie onder de knoet te houden. Het was immers na de catastrofale nederlaag van Frankrijk in Dien Bien Phu dat het VS-imperia­lisme probeerde om de heerschappij over Zuid-Vietnam over te nemen.

In het begin van 1968 braken op de universiteitscampussen open gevechten uit als protest tegen het betuttelende onderwijssys­teem en de oubollige reglementen. Subtiel als ze waren vond de verschrikte bureaucratie er niets beter op dan de politie in te zetten. Die politie slaagde er in verschillende gevallen in om de problemen "te onderdrukken". Begin mei moesten sommige studenten van de universiteit van Nanterre, waaronder ook Daniel Cohn Bendit, voor een universitaire rechtbank terecht­staan voor ‘ondermijnend gedrag’. Er dreigde een strijd tussen de studenten en de fascisten. Op 2 mei besloot Roche, de rector, de universiteit van Nanterre te sluiten.

De volgende dag werden de studenten van Nanterre, die vreed­zaam vergaderden met die van de Sorbonne, op een smerige manier aangevallen door de gehate oproerpolitie – de CRS – en werden honderden studenten opgepakt. De lessen aan de Sorbonne en het Censier Annexe werden opgeschort. Het ongenoegen groei­de en de Lerarenvakbond van de universiteit (SneSUP) riep een staking uit. Die werd onmiddellijk onwettig verklaard door de Minister van Onderwijs, Alain Peyrefitte.

Op zondag 5 mei werden de studenten die op de betogingen van de vorige dagen gearresteerd werden zonder enige vorm van proces gevangengezet en beboet. Nu brak de hel pas los! Beto­gen was verboden en de universiteitsstakingen breidden uit naar de middelbare scholen. Iedere poging om met de ijzeren vuist te reageren leidde dit tot nog meer woede en vastbera­denheid van de kant van de studenten.

Op maandag 6 mei werd een opstandige betoging van 60.000 man in het Quartier Latin op zo’n brutale manier door de oproerpo­litie aangevallen dat er onder de Parijse bevolking een wijd­verspreide sympathie ontstond voor de studenten. Naarmate het nieuws van de brutaliteiten hen over de radio bereikte deed dit ook overal de verontwaardiging bij de arbeiders stijgen. Om zichzelf te beschermen begonnen de studenten barricades op te bouwen met alles wat ze maar vonden. Dit was de eerste keer sinds 1944 dat er in de straten van Parijs weer barricades verschenen. Dit was toen de arbeiders in opstand kwamen tegen het Duitse leger, nog voor de Geallieerde legers de hoofdstad bereikten.

Aan het einde van een nacht van bloedige gevechten waren reeds 739 gekwetsten in het ziekenhuis opgenomen. Vele honderden werden verzorgd in privé-woningen van de Parijzenaars. De middenklasse was verstomd en met afschuw vervuld. In de vol­gende dagen verschenen ontelbare ooggetuigenverslagen in de Franse dagbladen. Een dokter schreef ‘met alle bitterheid van mijn machteloosheid’ naar Le Monde over hetgeen hij vanuit zijn venster gezien had :

"Ik zag jonge vreemdelingen uit een café komen, doorgebogen ieder van hen gevolgd door vier of vijf politiemannen die hen waar mogelijk hardhandig in het gezicht sloegen en indien ze hen daar niet konden raken op de schedel. Eerst probeerden deze jongeren zich te beschermen met een boek, maar die waren vlug weg. Het regende slagen tot ze in een politiewa­gen gesme­ten werden die dertig meter verder stond. Maar hoe lang scheen deze korte afstand! De bewoners van deze burgerlijke buurt riepen van verontwaardiging.

Een zwarte jongere die nog normaal wandelde toen hij in de gevangenwagen geduwd werd, kwam er vijftien minuten later weer uit met zijn gezicht vol bloed. Hij wankelde en stortte in elkaar. Hij werd op een draagbaar gelegd en weggedragen. Ik veronderstel dat zijn huidskleur ervoor gezorgd had dat er in de camionet "voor hem gezorgd was".

Kort na de gevechten met de politie slaagden de studenten erin om hen met camionetten en alles terug te drijven. Van ver­schillende verdiepingen werden flessen naar de ordehandhavers gesmeten. De sympathie van de bevolking ging zichtbaar naar de studenten die het terrein bleven beheersen. Morgen zal de politie de schuld leggen op de ‘vreemdelingen’ en de echte betogers zullen de politie een rammeling gegeven hebben en ik zeg dit zonder voldoening … ik geef het toe!

Het gebeurde verschillende keren dat er vanop de balkons geapplaudisseerd werd wanneer de politie gedwongen was om zich terug te trekken. Er bleek geen enkele vijandigheid t.o.v. de betogers, integendeel er werd in radio’s, voedsel en schuil­plaatsen voorzien. Uit opiniepeilingen bleek dat 80% van de Parijse bevolking achter de studenten stond. De regering had de situatie totaal verkeerd ingeschat toen ze dacht dat hier een kleine geïsoleerde groep van agitatoren aan het werk was. Peyrefite sprak van "een handvol relschoppers". Schandalig genoeg beaamden de leiders van de ‘Communistische’ Partij deze woorden en lieten ze zelfs uitschijnen dat de studenten­bewe­ging het werk was van kleine groepjes of ‘groupuscules’ van Trotskisten, anarchisten en zelfs van OAS- en CIA-agenten.

Jonge arbeiders sluiten zich aan

De gebeurtenissen van de zesde mei gaven aanleiding tot beto­gingen, straatgevechten en het opzetten van barricaden. Naar­mate het aantal studenten groeide en ook jonge arbeiders hen op de barricaden gingen vervoegen konden ze eens goed lachten met de regering en de Communistische partij door hen toe te roepen : "wij zijn een groupuscule"! Op de steeds groter wordende betogingen werd het geroep steeds luider : ‘Arbeiders studenten, solidariteit!’, ‘Bevrijdt onze kamera­den!’, ‘Geen politie in het Quartier Latin!’ en ‘Heropen de universitei­ten!’ Na de revolutie van 1848 had de Prefect van de Politie, Haussmaan, de opdracht gegeven om Parijs te herte­kenen met brede lanen om er op die manier voor te zorgen dat Parijs nooit meer zou geblokkeerd worden door barricades. De kassei­stenen waarmee deze lanen aangelegd werden leverden het mate­riaal voor de barricaden van Mei 1968! De arbeiders stelden hun kennis en pneumatische drilmachines ter beschik­king om de ‘pavés’ (straatstenen) sneller los te maken en om de verdedi­ging met meer efficiëntie op te bouwen.

De 10e mei, die bekend werd als ‘Nacht van de Barricaden’, werden meer dan 60 van zo’n constructies opgezet. De politie deed alles behalve schieten. Ze gebruikten traangas, rookbom­men en zelfs CS-gas. Op vraag van de studenten goten de bewo­ners vanuit hun huizen water om op die manier de irritatie voor de ogen en de huid te verminderen. Het gas drong zelfs door tot de Metro en veroorzaakte problemen voor de passagiers die onder het Quartier Latin doorreden.

In een bepaald café werden dertig traangasbommen afgeschoten! Van bij de eerste aanvallen van de oproerpolitie hadden de studenten "CRS-SS" geroepen. In het geval van dit café was de CRS duidelijk uit op wraak en riep "Je zult wel zien of we de SS zijn". Een studente in het eerste jaar filosofie beschreef hoe ze verplicht was om verschillende keren naar het toilet in kelder van dit café te vluchten. Samen met haar waren daar verschillende andere vrouwen die schreeuwden en biddend op de grond lagen! Ze werd overmand door het gas en de hysterie. Ze was halfbewust en het was pas nadat ze uit het café gebracht was dat ze zich realiseerde dat ze aan beide ogen blind gewor­den was!

De gevolgen van de gevechten in de Rue Guy Lussac waren zo verschrikkelijk dat dokters openlijk eisten dat de politie zou vervolgd worden. Er werden verklaringen afgelegd over politie­voertuigen die in de betoging inreden. In een van de gevallen werd een voetganger 30 meter op de voorste bumper meegesleurd maar de chauffeur zij dat hij niets gezien had! In de nacht van de 10e mei, toen de CRS de barricaden bestormde, kreeg het Rode Kruis zelfs geen toelating om tussen te komen en de gewonden weg te voeren

De dag voordien had Peyrefitte de toelating geweigerd om Nanterre te openen. De veralgemeende woede over de brutale reactie van de regering op het protest van de studenten, bereikte het kookpunt. De leiders van de belangrijkste vakbon­den en de linkse partijen waren verplicht om op te roepen tot een algemene 24-urenstaking op maandag 13 mei. Eerste Minister Pompidou kondigde de heropening van de Sorbonne en de terug­trekking van de politie af. Maar dit was te weinig en te laat! De sluizen waren open en zouden pas een goed eind in juni weer gesloten geraken. Het gezegde van de Gaulle dat ‘de staat zich nooit terugtrekt’ versteende in zijn mond. Voor hem was dit het begin van het einde.

De gedeeltelijke terugtrekking van de regering bevredigde de studenten niet, maar he was voldoende om miljoenen arbeiders ertoe aan te zetten op het voorbeeld van de studenten te volgen, om te staken en te bezetten voor het inwilligen van hun eigen eisen. De arbeiders, vooral de jonge arbeiders, werden aangevuurd door het voorbeeld van Actie, de stoutmoedigheid en het élan dat door de studenten in de strijd getoond werd. De studenten waren eerst in beweging gekomen uit onge­noegen over het te gecentraliseerde onderwijssysteem maar ze begonnen nogal snel de ganse structuur van de maatschappij in vraag te stellen. Ze staken het vuur aan de beweging van de arbeiders. Spijtig genoeg deed dit bij de studenten echter de illusie ontstaan dat zij de bewegende kracht waren. De voorwaarden voor de arbeidersbeweging hadden zich ondertussen echter al ontwikkeld.

Delen: Printen: