Frankrijk 1968. Maand van revolutie. Lessen van de algemene staking.

We beginnen met de publicatie van het boek "Frankrijk 1968. Maand van revolutie. Lessen van de algemene staking" van Clare Doyle, een lid van onze internationale organisatie. Het boek werd geschreven in 1988 en behandelt de gebeurtenissen in Frankrijk in 1968. Het boek werd nu vertaald naar het Nederlands en de komende dagen publiceren we het per hoofdstuk. We bedanken alvast François Bliki voor het vertalen van dit boek!

Clare Doyle

1. Een revolutie in wording

Wat in mei 1968 in Frankrijk plaatsgreep was de grootste alge­me­ne staking uit de geschiedenis. Het was als een vulkaanexplosie waarvan de schokgolven uitdeinden naar iedere hoek van de wereld en waarvan de naweeën nooit echt zullen uitdo­ven. Op het hoogtepunt waren tien miljoen arbeiders in staking. Ze bezetten hun werkplaatsen, hezen de rode vlag en zetten comités op. Ze zongen De Internationale en voer­den verhit­te debatten over hoe ze hun leven zelf in handen moes­ten nemen. Alle maatschap­pelijke lagen werden meegesleurd in deze maal­stroom die ging in de richting van een nieuwe maat­schap­pijvorm : een totale breuk met het verleden en de opbloei van het menselijk kunnen. Weinigen zagen deze grootse beweging aanko­men, maar miljoenen voelden er de gevolgen van terwijl de heersende klasse overal in de wereld beefde voor de mogelijke consequenties.

Op het eerste zich kwam deze titanische botsing tussen de klassen als een donderslag bij helde­re hemel. Het wereldkapi­ta­lisme genoot van een nooit geziene naoorlogse economische groei en vele commentatoren geloof­den dat hij voor eeuwig zou verder duren. Zelfs sommigen die zich ‘mar­xist’ noemden, legden zich neer bij het feit dat het kapitalis­me een middel gevonden had om zijn crisissen te ‘verzachten’ (dus op te los­sen)!

De ongewone "vergulde" economische groei van Frankrijk was begonnen met het aan de macht komen van Generaal Charles de Gaulle in 1958. In 1968 kende men een gezonde economische groei van 5%, terwijl het marktaan­deel van de Franse goede­ren op de wereldmarkt verder groeide. "Alles was voor het beste in de beste der werelden" zoals Pangloss uit Voltaire graag geloofde.

Maar er werd geen enkele fundamentele tegenstelling of conflict van de kapitalistische maatschappij opge­lost. Integen­deel, deze tegenstellingen werden er alleen maar door ver­sterkt en verergerd en moesten onvermijdelijk tot nieuwe crisissen en uitbarstingen in de klassenstrijd leiden. Op dezelfde manier waarop de mar­xisten van The Militant, zo’n twintig jaar later, in 1987 de wereldwijde beurscrash en de schok­golven die erop volgden voor­spelden, waren ook zij de enigen die de processen van 1968 op een juiste manier konden in­schat­ten. Ze waren steeds op het stand­punt blijven staan dat er explosieve veran­deringen te verwach­ten waren en dat de socia­listische revolu­tie zich in Europa op een nog nooit geziene schaal zou ontwik­kelen.

De ‘Communistische Partij’ van Frankrijk bleef in de mars lopen van de vooroorlogse partijlijn van Maurice Thores die stelde dat een revolutie in Frankrijk uitgesloten was zolang de levensstandaard in Rusland lager was dan die in West-Euro­pa! De verkeerde perspectieven van andere zogezegde marxisten werden samengevat in een artikel van de Franse ’theo­reticus’ André Gorz in het januari-1968 nummer van Socialist Register waar hij schrijft "dat zich binnen het Europese kapitalisme in de nabije toekomst geen crisis zal voordoen van een zodanige omvang dat ze de massa van de arbei­ders tot een revolutionaire algemene staking zou bewegen."

De JCR (Jeunes Communistes Revolutionaire) de jongerenafdeling van de PCI (Parti Communiste Internationale) bleven dit zeggen toen ze al zwaar betrokken waren in de Franse studentenbewe­ging. Ze zegden dan wel dat ze zich baseerden op de ideeën van Trotski maar in werkelijkheid waren ze er volledig van afge­stapt. Op een meeting in Londen, enkele weken voor het uit­breken van de algemene staking, beweerden ze dat zo’n ont­wikkeling voor de komende twintig jaar uitgesloten was! De arbeiders van de grootsteden in het Westen waren ‘verslagen’ en ‘op de terugtocht’ zegden ze.

Ze hadden de arbeidersklasse van Europa de rug toegekeerd en ze gingen elders op zoek naar hun ‘revolutie’. Ze gingen zich overal op de studenten richten en steunden zonder enige kri­tiek de leiders van de koloniale revoluties in Cuba, Algerije en Vietnam (die volgens hun hetzelfde waren als de Russische revolutie van 1917).

Het impact, de omvang, de draagwijdte van de revolutionaire beweging in Frankrijk sloeg zelfs diegenen met verstomming die voorbereid waren op een beweging van de arbeidersklasse in de ontwikkelde kapitalistische landen. We kregen hier een kort­stondige heropflakkering van het revolutionaire verleden van Frankrijk, maar ook een voorsmaakje van hetgeen te gebeuren staat, niet alleen in Frankrijk maar overal in Europa en de rest van de wereld.

Maar niet alleen The Militant herkende in mei en juni 1968 in Frankrijk het begin van een nieuwe revolutie. De Franse gene­raal Beaufre verklaarde : "De periode die we nu doormaken is er zonder twijfel één waarin een nieuwe revolutie geboren wordt waarvan het onmogelijk is om de ontwikkeling ervan te voorspellen."

Zoals altijd kwamen de meer ernstige kapitalistische strategen tot dezelfde besluiten, maar dan wel vanuit een tegengesteld klassenstandpunt. In de ‘Financial Times’ van 22 mei 1968 krijgen we een beeld van de angst waardoor de burgerij overal in de wereld gegrepen wanneer ze de mogelijke ontwikkelingen bekijkt

"Toen Louis Phillipe in 1848 na een paar dagen van bruuske rellen in Parijs van de troon gestoten werd en een onderkomen moest zoeken in Londen, waren er overal in Europa revoluties. Italië, West Duitsland, België en Spanje hebben nu al genoeg problemen zonder dat de ‘Moeder van de Revolutie’ nog maar eens het slechte voorbeeld geeft."

De Londense Evening Standard van 29 mei schreef "De situatie van vandaag kan in een paar woorden samengevat worden : het is zo ongeveer het schoolvoorbeeld van een revolutionaire situa­tie." The Economist (1 juni) kwam tot hetzelfde besluit on­danks het feit dat we in de editie van de week voordien konden lezen dat Frankrijk geen revolutionair land was!

Maar toen de revolutionaire storm weer ging liggen en de commentatoren hun evenwicht hervonden hadden, ging ook hun toon veranderen. De "Mei Gebeurtenissen" werden als "uitzon­derlijk", als een "afwijking" als "een episode, onvergetelijk maar niettemin een episode" afgedaan. Ze benadrukten dat de Franse maatschappelijke orde nooit echt bedreigd geweest was. Maar zo’n machtige beweging kan niet zomaar onder eens verkla­rin­gen begraven worden. Twintig (ondertussen bijna 40 n.v.d.r) jaar later moeten dezelfde vragen gesteld worden : Kan het opnieuw gebeuren? Kan het in gelijk welk ander land gebeuren? Kan het gebeuren in alle andere landen?

Het feit zich in een geïndustrialiseerde kapitalistische maat­schappij een algemene staking van zo’n omvang kan voordoen is een constante nachtmerrie, niet alleen voor de Franse heersen­de klasse, maar ook voor vele anderen. Naar­mate de wereldre­cessie steeds duidelijker vormen aanneemt, doemt het "spook van ’68" steeds duidelijker op.

1968 werd voorafgegaan door de aanhoudende economische bloei­periode van na de oorlog. Dit had aan de arbeiders een adem­pauze gegeven. De wonden van de geleden nederlagen werden erdoor geheeld. Hun organisaties groeiden in aantal en samen­hang. Het patronaat maakte enorme winsten en stond daardoor meer open voor toegevingen aan de eisen van de arbeiders. De klassenverhoudingen schenen op het eerste zicht hun scherpte te verliezen. In dit klimaat kregen de ideeën van het refor­misme steeds meer invloed. De illusie dat het kapitalisme in de behoeften van de arbeiders kon voorzien maakte dat de leiders van de arbeidersorganisaties beetje bij beetje gingen afstap­pen van de idee dat het socialisme noodzakelijk was.

De analyse van de zogezegde trotskistische theoretici was alleen maar de andere kant van dezelfde medaille. Samen met talloze academici ‘ontdekten’ ze een ander fenomeen dat de arbeiders volgens hen zou beletten om de richting van het socialisme in te slaan – het bestaan van de ‘sterke staat’. In Frankrijk vond deze staat zijn uitdrukking in de persoon van Charles de Gaulle. Die was in 1958 aan de macht gekomen door zich op te werpen als ‘de redder van de natie’ in periode van economische crisis en met een ‘zending’ om de Algerijnse bevrijdingsoorlog neer te slaan.

Een sterke staat ?

Engels, de medewerker van Marx, legde uit hoe de staat zich op bepaalde momenten in de klassenstrijd boven de maatschappij kan verheffen en zich meer dan gewoonlijk schijnt los te maken van de belangen van de elkaar bekampende krachten. Maar ondanks het feit dat de staat nu eens op de ene, dan weer op de andere klasse schijnt te steunen, blijft die staat in laatste instan­tie de belangen van de economisch heer­sende klasse verdedi­gen, in het geval van de Gaulle, die van de Franse kapitalis­ten.

De Gaulle zelf beweerde dat hij een ‘derde weg tussen het kapitalisme en het communisme’ vertegenwoordigde. Dit was echter klare nonsens : hij had Frankrijk voor het kapitalisme gered maar daarvoor was hij verplicht geweest om op andere klassen in de maatschappij te gaan steunen. Hij had zelfs maatregelen moeten nemen die in de ogen van een deel van de kapitaliste van Algerije. Hij had ook overheidsmaatregelen ingevoerd die een rem zette op de onbeperkte heerschappij van het kapitaal die vooral het grootkapitaal beoordeelde maar ten koste ging van de kleinburgerij en in het bijzonder de middenklasse. Hij voerde bovendien een uit­zonder­lijke censuur in voor de media waarbij vooral het recht van debat, discussie en kritiek, zelfs voor deze maatschappelijke groepen, be­perkt werd.

Er werd een speciale vorm van persoonlijke macht ingevoerd. Toen hij president werd verklaarde de Gaulle : "Ik hoor toe aan iedereen en iedereen hoort mij toe." Hij begon het parle­ment te negeren, en regeerde liever met volmachten waarbij hij zich alleen af en toe liet intomen door een volksraadpleging, een referendum van ‘het volk’.

Bij gebrek aan een stevige sociale basis is een bonapartis­tisch regime uiteindelijk verplicht om beroep te doen op ‘het zwaard’ – de gewapende macht. Wanneer we het bonapartisme van de Gaulle vergelijken met de naakte politiedictaturen die op verschillende plaatsen in de wereld bestonden dan was het er een van het meest beperkte, parlementaire type. Desondanks was het echter een brutaal regime wiens natuurlijke reactie er een was van "eerst slaan en achteraf de zaken bekijken". Dit systeem werkte niet tegen protesterende studenten. Het had nog minder kans om te werken tegen de machtige nieuwe generatie van Franse arbeiders wiens organisaties nog steeds ongeschon­den waren.

Om de orde te handhaven in het Frankrijk van de Gaulle waren in het staatsapparaat per hoofd van de bevolking meer mensen nodig dan in gelijk welk andere ontwikkeld land ter wereld. Maar zelfs deze machtige staatsmachine stuikte in elkaar bij de eerste echte test en bracht daarmee al de theorieën in de war van diegenen die de arbeidersklasse afgeschreven hadden.

Een revolutionaire situatie zoals die zich in Frankrijk in mei ’68 afspeelde kan 20 jaar doen lijken als één dag. Zoals Marx zei "er zullen dagen komen waarin 20 jaar geconcentreerd zit­ten". Een revolutionaire situatie kan door de natuur ervan zelf niet eeuwig duren, maar slechts voor dagen, weken of misschien maanden. In Rusland duurde ze misschien drie maan­den. In de ontwikkeling van de gebeurtenissen in de loop van de revolutie doen zich verschillende stadia voor. Maar in tegenstelling tot wat de ‘Communistische’ partijen nu nog altijd beweren, kan de strijd voor democratie nooit als een ‘ver­schillend stadium’ afgescheiden worden van de strijd voor het socialisme. De machtsovername van de Gaulle had de breek­baarheid van de democratie onder het kapitalisme aangetoond. Alleen wanneer de arbeiders de touwtjes van de economie in handen nemen kan zoiets als een socialistische democratie ingesteld worden.

De gebeurtenissen van 1968 hebben aangetoond dat deze idee verre van utopisch is. Alle lagen van de maat­schappij schenen er in actie van overtuigd dat de zaken op een meer praktische, rechtvaardige en menselijke manier konden georganiseerd worden dan diegene die door het kapitalisme opgelegd wordt. De gebeurtenissen toonden ook aan dat de taak van de socialistische revolutie door geen andere klasse kan uitgevoerd worden dan de arbeidersklasse zelf. Op basis van de enorme kracht van de arbeidersklasse en de steun van de mid­denklasse was het in het Frank­rijk van 1968 mogelijk geweest om de socialistische revolutie op een vreedzame manier door te voeren en dit was een kwestie van dagen geweest.

Delen: Printen: