Nieuwe fase van klassenstrijd in Europa

Vandaag zien we in Europa een nieuwe fase van de klassenstrijd die gekenmerkt wordt door de massale betogingen. Zeker in Zuid-Europa is dit het geval. Er was in Italië een golf van stakingen tegen de pensioenhervormingen van Berlusconi. Ook in Portugal en Spanje waren er grote acties. Maar het valt op dat meer en meer sociale onrust naar voor komt in sleutellanden in het noorden van Europa.

Verslag van een inleiding door Tony Saunois

De eerste fase van opgang van de klassenstrijd vindt plaats tegen de achtergrond van de oorlog in Irak en de politieke gevolgen ervan op politiek vlak. Wat vooral opvalt is hoe geen enkele regerende partij heeft kunnen profiteren van deze situatie, zo liggen zowel Schröder als Chirac in het binnenland onder vuur.

De kritiek is echter het grootst in Groot-Brittannië en Spanje omwille van hun openlijke steun aan de VS. Algemeen stellen we vast dat in heel Europa alle traditionele politieke partijen ondermijnd worden en aan steun verliezen. Dit creëert een politiek vacuüm. Dat vacuüm komt er vooral door het ontbreken van massale arbeiderspartijen.

De beweging van syndicale strijd die we overal zien ontwikkelen in Europa vindt plaats tegen de achtergrond van een ontwikkelende economische crisis in de EU. De spanningen rond de oorlog gecombineerd met economische stagnatie en recessie in een aantal EU-landen, zorgen ervoor dat de super-optimistische houding van de burgerij moest bijgesteld worden. Overal worden de economische perspectieven naar beneden herzien.

De groeiperspectieven voor 2003 worden op 0,4% geschat in de 12 landen van de Eurozone. In april was dat perspectief nog 1%. Zowel Duitsland, Frankrijk als Italië zitten technisch gesproken in een recessie. Bovendien is er het probleem van de groeiende werkloosheid, nu zijn er reeds 40 miljoen werklozen in de EU.

Door de gedaalde waarde van de dollar wordt de Europese export aangetast. De burgerlijke krant ‘Financial Times’ schreef reeds dat het misschien het moment is om komaf te maken aan het stabiliteitspact. Er zijn alleszins groeiende economische spanningen en conflicten tussen de verschillende Europese landen.

Duitsland en Frankrijk hebben het stabiliteitspact systematisch gebroken, waardoor de spanningen nog toegenomen zijn. Een onmiddellijk opbreken van de euro is niet waarschijnlijk, maar de spanningen wijzen erop dat dit in de toekomst wel kan gebeuren.

De uitbreiding van de EU kan niet op een slechter ogenblik komen voor de EU en zal zeker groeiende nationalistische spanningen met zich mee brengen. Zeker aangezien de uitbreiding samenvalt met de verdere economische neergang.

Polen werd reeds aangepakt door de EU omdat het niet snel genoeg hervormingsprogramma’s doorvoert en er werd zelfs gedreigd met het stopzetten van de subsidies aan Polen. De problemen met Polen zijn niet toevallig, het speelt zich af tegen een toename van de klassenstrijd in Polen zelf. Komen daar nog de problemen van landbouwhervormingen bovenop.

Ook de discussie over de Europese grondwet verloopt niet vlot, met kritiek van Spanje en een aantal Oost-Europese landen. In Duitsland zijn er enorme sociale problemen en groeit de ontevredenheid tegenover de Euro. In Zweden overwonnen de tegenstanders van de euro in een referendum, wat een slag is in het gezicht van het politieke establishment. Ook in de landen waar de sociaal-democratie aan de macht is, komt er verzet. In landen als Oostenrijk, Groot-Brittannië en ook Duitsland is er een verandering in het bewustzijn, waarbij brede lagen zich uitspreken tegen privatiseringen en de gevolgen ervan.

De ontwikkelingen in Duitsland vormen een echt keerpunt. Duitsland is het centrum van de macht van de burgerij in Europa, maar ook een bastion van de Europese arbeidersklasse. De Duitse maatschappij wordt door elkaar geschud: er is een nooit geziene golf van besparingen die een impact hebben op alle lagen en delen van de samenleving. Er is sprake van een beleid dat doet denken aan Thatcher, waarbij de regering-Schröder en de deelstaatregeringen de besparingen door de strot van de arbeidersklasse willen rammen. De financiële situatie van veel deelstaten is rampzalig, zo heeft Berlijn een schuld van 60 miljard dollar en is er al een werkloosheid van 17%. Bepaalde delen van de ambtenarij kregen een loonsverlaging van 10% op hun boterham. Dat alles leidt tot een daling van de steun voor Schröder.

Er is een verandering van bewustzijn met een groei van de bitterheid: tegenover de leugens van een aantal regeringen inzake de oorlog, maar ook als gevolg van de staat van de economie. In Duitsland staat de discussie over een algemene staking opnieuw op de agenda. Er waren al verschillende acties in tal van steden met werkonderbrekingen. Nu komt het erop aan het perspectief van de algemene staking naar voor te brengen. Dat zou een logische verdere stap zijn na de demonstratie van 1 november waarbij 100.000 manifestanten opstapten en waarna het zelfvertrouwen van de arbeiders enorm toenam om opnieuw in actie te komen.

De idee van een algemene staking stelt zich verschillend in de verschillende landen. In een land als België staat dit nog niet op de agenda omdat nog niet het niveau van klassenstrijd van andere landen behaald wordt, maar een uitbarsting van een bredere beweging kan plaatsvinden in de komende maanden.

In Spanje was er reeds een algemene staking, maar wordt dit louter gezien als een protestmiddel en niet als een mogelijkheid om het regime van Aznar omver te werpen. In Griekenland werd een algemene staking in de openbare diensten enkel gebruikt om stoom af te laten.

In het geval van Duitsland en Oostenrijk mogen we niet onderschatten wat de impact van een algemene staking zou zijn. Het is immers al lang geleden dat er in deze landen nog een algemene staking plaatsvond.

De Duitse CDU is blij dat Schröder de besparingsmaatregelen moet nemen, zij hopen dat ze kunnen afwachten en het vuile werk afschuiven op de sociaal-democraten. Moesten de christen-democraten het overnemen, zou hetzelfde beleid verder gezet worden. Of ze verder zouden kunnen gaan dan de SPD valt te betwijfelen.

Een belangrijk element vandaag is dat veel acties zich ontwikkelen langs de vakbondsleiding heen. Dat zien we bvb in Groot-Brittannië waar er een serie van stakingen waren bij de post, de leraars, de spoorwegen, de brandweermannen,… Dat waren voornamelijk niet-toegelaten acties en dat in een land met de meest restrictieve stakingswetgeving in Europa. Er wordt geprobeerd om de vakbonden te breken, maar we zien de ontwikkeling van een beweging van onderuit bij de postmannen, brandweermannen,… Dit maakt dat wij voorzichtig moeten zijn met onze tactieken en tussenkomsten.

Maar bewegingen kunnen ook ontstaan op basis van andere elementen. Denk maar aan de acties na de ramp met de olietanker Prestige twee jaar geleden in Spanje. Dat toont aan dat, terwijl de economie bepalend is, ook andere thema’s kunnen leiden tot massa-acties en dat omwille van het karakter van het kapitalisme vandaag. Het neo-liberalisme leidt tot een enorme vervreemding, met sociale achteruitgang op tal van vlakken: op vlak van huisvesting, gezondheidszorg,… en ook een crisis op vlak van sociale verhoudingen.

Het sleutelelement is echter de arbeidersbeweging en industriële strijd. De vakbondsbeweging is erg verschillend in Europa en er is niet één tactiek. Er is in veel gevallen een rotte vakbondsleiding, wat zeer verstrekkende gevolgen kan hebben op vlak van samenwerking met het patronaat. Maar het lijkt erop dat onder druk van de basis, de vakbondsleiding meer en meer verplicht is om verzet te organiseren. Dit wordt erg duidelijk in Groot-Brittannië waar de groep linkse vakbondsleiders die de afgelopen periode op de voorgrond gekomen zijn, vandaag getest worden.

De beperkingen van heel wat vakbondsleiders worden duidelijker naarmate strijd gevoerd wordt. We moeten telkens zien in welk stadium van strijd we ons bevinden. In Frankrijk was er een belangrijke evolutie met de splitsing in de CFDT waarbij zo’n 80.000 vakbondsleden uit de vakbond stapten en vooral naar de CGT en Sud overstapten. We zagen er een poging om het vakbondsapparaat te omzeilen.

Bij de strijd om de leiding in IG Metal in Duitsland, was er een conflict tussen verschillende delen van de syndicale bureaucratie. Er was geen echte linkse oppositie voorhanden, waardoor veel linkse militanten kozen voor die zijde van de bureaucratie die iets linkser was. Soms is het geven van dergelijke kritische steun een optie, maar ook in die gevallen moeten we onze onafhankelijkheid tegenover de leiding bewaren.

Er zijn op politiek vlak belangrijke processen aan de gang: de ondermijning van de politieke partijen en instellingen, wat tot uiting komt in een cynisme tegenover de politieke elite. In Ierland bvb denkt 50% van de bevolking dat politici corrupt zijn. Dat leidt o.a. tot een lage opkomst bij veel verkiezingen. Maar dit fenomeen manifesteert zich ook elders: splitsingen in de kerk, crisis van de monarchie,… Dat alles laat een vacuüm na.

Het is mogelijk dat de ontwikkeling van nieuwe arbeiderspartijen niet vlot verloopt. Er is wel een objectieve basis voor, maar het element van een subjectieve factor is eveneens belangrijk. Vandaag zien we immers nog niet dat bredere lagen van de arbeiders tot de conclusie komen dat ze een eigen onafhankelijk politiek instrument nodig hebben.

Er is de mogelijkheid van nieuwe formaties in een reeks sleutellanden in Europa, maar ook die ontwikkelingen vormen een moeizaam proces. Bovendien gingen reeds heel wat kansen verloren.

In Frankrijk gaf een peiling aan dat 22% van de bevolking die voordien nooit op radicaal-links stemde, zou overwegen om dit wel te doen (naast de 9% die nu reeds zegt voor radicaal-links te zullen stemmen). Dat illustreert een politieke radicalisering, een zoektocht naar een alternatief. Dat alternatief zal niet gevormd worden door de sociaal-democratische oppositie. De lijst LO-LCR biedt heel wat mogelijkheden, maar het kartel blijft beperkt tot een electorale tactiek. Wat zullen deze partijen doen met hun positie? Zullen ze in staat zijn om een stevige partij uit te bouwen en bewegingen vooruit te helpen?

In Groot-Brittannië waren er eerder al pogingen met de partij van Arthur Scargill, de Socialist Alliance en nu met de oproep van George Galloway. Die laatste wil opkomen met de verkiezingen in een blok tussen hemzelf en een andere linkse organisatie, de SWP (Socialist Workers’ Party). Ook hier beperkt de discussie zich tot louter electorale aangelegenheden, Galloway wil een zetel behalen en beperkt zich daartoe.

In Groot-Brittannië zijn er ter linkerzijde illusies in een initiatief als ‘reclaim the Labour party’ (het heroveren van de Labour partij). Dat een dergelijke oproep weinig resultaat oplevert, werd duidelijk op het congres van New Labour waar niet eens een debat gevoerd werd over de oorlog in Irak. Onze analyse over de sociaal-democratie is duidelijk, maar dat neemt niet weg dat we soms een tactische houding moeten innemen daar waar er onder linkse activisten bepaalde illusies bestaan.

Een element dat een vertragende rol speelt in de ontwikkeling van nieuwe arbeiderspartijen, is de houding van de Rifundazione Comunista in Italië. Die partij gaat meer en meer naar rechts. Bertinotti benadrukte de afgelopen periode de noodzaak aan een nieuwe olijfboomcoalitie met centrum-links. Dat kan leiden tot debatten in de partij. Het geeft vooral ook aan dat een nieuwe arbeiderspartij op zich niet volstaat, we moeten ook zien wat er gedaan wordt door die partijen, met welk programma gewerkt wordt en welke tactieken gehanteerd worden.

De crisis waarmee Blair vandaag geconfronteerd wordt, zal niet direct leiden tot een electorale afstraffing. Het is goed mogelijk dat hij bij de volgende verkiezingen een meerderheid behoudt. Er is de paradox dat in de landen waar de grootste oppositie aanwezig was tegen de oorlog, Spanje en Groot-Brittannië, de regeringspartijen niet afgestraft worden. In Spanje was er een algemene staking tegen de oorlog, maar de Partido Popular van premier Aznar stijgt opnieuw in de peilingen. Bij recente verkiezingen in Catalonië won de partij. De belangrijkste factor die dit mogelijk maakt is de afwezigheid van een echte georganiseerde oppositie.

Als in Italië een nieuwe olijfboomcoalitie aan de macht zou komen, is het mogelijk dat de beweging niet verder ontwikkelt. Waar de sociaal-democratie opnieuw vooruitgaat, zoals in België, wordt ook deze getest en ontmaskerd.

Het politieke vacuüm maakt dat extreem-rechts, in verschillende vormen en hoedanigheden, terrein kan winnen. In Zwitserland slaagde de rechtse SVP erin om te scoren. In Groot-Brittannië is de mogelijkheid reëel dat de BNP met de Europese verkiezingen een zetel behaalt. Bovendien zien we vandaag de dreiging van goedkope arbeidskrachten uit het Oosten, wat de nationalistische spanningen zal doen toenemen. Duitsland en Oostenrijk kondigden al aan de grenzen voor 7 jaar te zullen sluiten.

De burgerij wordt met een dilemma geconfronteerd: economisch hebben ze de migranten nodig omdat deze goedkope arbeidskrachten zijn, anderzijds creëert het politieke en sociale problemen voor de burgerij. Belangrijk zal zijn hoe de arbeidersbeweging erin zal slagen om de migranten die vanuit Oost-Europa zullen komen te organiseren. Het organiseren van migrante arbeiders zal erg belangrijk zijn om door racistische vooroordelen te kunnen prikken.

Op dit ogenblik bouwen we met het CWI aan onze krachten. In een land als Ierland zijn we nu reeds een politieke factor, maar we willen ook een sterke basis uitbouwen in landen als Duitsland of België. Dat zal onze internationale organisatie veranderen, en de mogelijkheid bieden aan het CWI om een belangrijke rol te spelen in de strijd tegen het kapitalisme in Europa.

Delen: Printen: