Home / Sociaal / Kloof tussen arm en rijk groter dan algemeen aangenomen

Kloof tussen arm en rijk groter dan algemeen aangenomen

In aanloop naar de verkiezingen verscheen vandaag een interessante peiling in opdracht van Groen. Die partij liet onderzoeken hoe de verdeeldheid van vermogens wordt ingeschat door de bevolking en vergeleek dit met de echte verdeling. Centrale vaststelling: de kloof is een pak groter dan algemeen wordt aangenomen.

Wereldwijd zijn de 1% rijksten goed voor een kwart van alle rijkdom. Maar ook in ons land is de kloof reëel en groot. De 1% rijksten zijn goed voor 12,63% van alle rijkdom, wat evenveel is als de 53% armsten. De 5% rijksten hebben evenveel vermogen als de 75% armsten. Een kleine toplaag is dus veel rijker dan een grote groep die het met minder moet stellen. Alle cijfers over ‘gemiddelde rijkdom’ moeten dus met een serieuze korrel zout genomen worden.

De vele neoliberale propaganda die ons vertelt dat wie wil rijk kan worden, dat we niet moeten klagen omdat we eigenlijk al rijk zijn en dat we eigenlijk bijna allemaal tot de middenklasse behoren (behalve die ‘luie profiteurs’ die geen werk vinden natuurlijk), blijkt een zeker effect te hebben op het bewustzijn.

Dat blijkt uit de studie die vandaag verscheen en waarover de krant De Morgen bericht. De gepeilden dachten dat de armste 20% goed zijn voor 7,7% van de totale rijkdom en de 20% rijksten voor 40,6%. In realiteit gaat het om respectievelijk 0,17% en 61,2%. Het vermogen van de armsten wordt dus overschat en dat van de rijksten onderschat. Anders gesteld: de kloof tussen arm en rijk is groter dan gedacht.

Er wordt gepoogd om ons te laten geloven dat we zelf rijk zijn. Voor de crisis was de impact van die propaganda wellicht nog groter. Zo was er in de VS in 1999 een onderzoek waaruit bleek dat 19% van de Amerikanen dacht dat ze zelf tot de 1% rijksten behoorden en 20% dacht deze positie ooit te bereiken. De crisis heeft die cijfers wellicht naar beneden gehaald, maar een correcte inschatting van de verdeling van de rijkdom is er nog niet. Dat wordt bevestigd door het onderzoek waarover vandaag in De Morgen wordt bericht.

Een onderdeel van de propaganda omvat de bewuste onduidelijkheid over termen als ‘arbeidersklasse’ en ‘middenklasse’. De eerste term wordt amper gebruikt, de tweede des te meer. Er zijn volgens deze retoriek enkel armen, rijken en middenklasse. Al wie werkt wordt al snel bij ‘middenklasse’ ondergebracht. De overgrote meerderheid van de bevolking verkoopt nochtans zijn arbeidskracht in ruil voor een loon en behoort dus eigenlijk tot de arbeidersklasse. Er is geen opdeling van even grote groepen armen, rijken en daartussen een grote middenklasse. Er is een kleine groep superrijken naast een grote groep die tot de arbeidersklasse behoort, waaronder een groeiende groep die volledig uit de boot valt.

De propaganda doet ons ook aannemen dat de grote bedrijven meer aan de gemeenschap bijdragen dan ze in werkelijkheid doen. Het aandeel van belastinginkomsten op basis van arbeid bedraagt 58,8%, terwijl de gepeilden dachten dat het om 36,7% ging. Het gros van alle belastingen komt dus van onze arbeid, een vaststelling waar neoliberalen graag aan voorbij gaan (tenzij het is om zelf dat aandeel in te pikken zodat het niet naar de gemeenschap gaat maar in hun zakken verdwijnt). Inkomsten uit vennootschapsbelastingen en belastingen op vermogen worden op 18,1% en 17,4% geschat terwijl het in werkelijkheid om 6,9% en 9,4% gaat. We betalen dus zelf meer dan gedacht, terwijl de luidste schreeuwers eigenlijk minder dan gedacht betalen.

Het onderzoek bevestigt tenslotte dat er een brede steun is voor een herverdeling van wie het meeste bijdraagt, de gepeilden willen dat 30% van de belastinginkomsten uit vermogen zou komen, 28% van vennootschapswinsten en slechts 20% van onze arbeid.

Steun voor een herverdeling van de rijkdom is dus zeker aanwezig. Om dat te bekomen, zal vriendelijk vragen niet volstaan. We zullen de samenleving met de overgrote meerderheid van de bevolking zelf in handen moeten nemen om deze te richten op onze noden en behoeften, in plaats van de op de winsthonger van de kleine groep superrijken die het vandaag voor het zeggen heeft. Die groep superrijken wordt ook tijdens de crisis rijker en maakt zich nu op om na de verkiezingen in ons land opnieuw toe te slaan met een besparingsbeleid. De gevestigde partijen staan daar klaar voor, enkel over het ritme van dat besparingsbeleid zijn ze het niet eens.

Lees ook: Is ongelijkheid onvermijdelijk? Een socialistisch standpunt