Ingestuurd stuk door David

Jo Libeer had vorige week overschot aan gelijk. De gedelegeerd bestuurder van VOKA oreerde over een hete lente vol tjilpende vogels en knallende kuiten. Over zaaien en oogsten. Over neuzen en zelfde richtingen. Niets nieuws onder de zon, zult u zeggen. Maar gelijk had hij wel: het wordt een hete lente. In het vuur van zijn lineair metaforisch proza verslikte hij zich echter in zijn eigen conclusies.

De hete lente waar Libeer op doelt is er een waarin sociale onrust, verontwaardiging en woede open barsten. Een voorjaar van strijd tussen arbeiders en het heersend kapitaal. Het aantal bedrijven waar werknemers en werkgevers recht tegenover elkaar staan, begint groot te worden, merkte hij op. En het lijstje wordt ook langer. Dus moeten de neuzen in dezelfde richting, zei hij. Zie je Jo, ik ben blij dat jij die – toch wel onverhoopte – stap wilt zetten. Je achterhoofd hadden we nu wel gezien.

Het zijn moeilijke tijden voor iedereen, zei je. Voor al die bedrijfsleiders te velde. Met hun veeleisende werknemers en hun buitensporige eisen. Voor de rijke elite die haar kapitaal minder snel zag groeien. Ja Jo, dat kan niet eenvoudig zijn.

HET CLUBJE

Ook je even vage als kinderlijk poëtische suggesties mochten er zijn. Het economisch en politiek scharniermoment biedt kansen om de problemen aan te pakken, zei je. En die kansen moeten we grijpen om onze samenleving en welvaartsstaat te vrijwaren.

Wie zijn die ‘we’ dan? Je clubje veelvraten met heilige schrik pour légalité? Al die vrienden-vrijemarktbonzen die ons jobs beloven, maar onder het mom van dalende winst(verwachtingen) de arbeidsomstandigheden ruïneren? Toegegeven: het blijft een ingenieus idee om het ‘winst’ te noemen, terwijl het gros van de bevolking dag na dag verliest.

We moeten de welvaartstaat vrijwaren, zei je. Ik hoor echter iets heel anders dan ik lees. Vakbonden schermen inderdaad met stakingen, schreeuwen om werk en (behoud van) verworven rechten. Wie echter halsstarrig en onwillig de andere kant uit kijkt, de welvaartstaat als synoniem ziet voor het behoud van ongelijkheid en onderdrukking van de werkende bevolking, én in eenzelfde adem de immense nood aan werk- en sociale zekerheden minimaliseert, is niet van deze wereld. Als een gelaat zonder de noodzakelijke neus, zeg maar.

Wie wil oogsten, moet eerst zaaien. Aan je spitse metaforen leek gisteren geen einde te komen. Het klopte ook wel: voor de werknemers van AVEVE. Probeer datzelfde maar eens te verkopen aan de miljoenen werknemers die dag in dag uit de gronden van hun oogsters bevruchten. Uiteraard zien zij de overvloedige opbrengst. Ergens. Onbereikbaar in de zonnige verte. Vakkundig opgeschrokt door hen, voor wie het altijd lente is. De arbeiders zijn armoezaaiers geworden.

WIE ZOEKT DIE WERKT?

Om de economische problemen fundamenteel op te lossen, moeten we kijken naar de grond waarin bedrijven gedijen. Die grond is ziek en hapt naar meer zuurstof en bemesting, zei je. Ik stel daarom voor om de meest voor de hand liggende meststof te gebruiken: de bestaande arbeidskracht. Een 4/7de portie lijkt me ideaal.

Niet omdat uw Vlaming niet meer werken wil. Nee. Ze hoeft eenvoudigweg niet zoveel te werken. Een 30-urenwerkweek met loonbehoud, gekoppeld aan een tewerkstelling van de hele werk(zoek)ende bevolking, levert immers een rist aan oplossingen: de werkloosheid wordt tot een verwaarloosbaar minimum herleid, de verminderde werkdruk draagt bij tot een verhoogde levenskwaliteit én een afname van de latente onverdraagzaamheid en de gepapegaaide illusie van noodzakelijke competitiviteit.

Zo stappen we eveneens af van uw onhoudbaar winstmantra: de gelijke verdeling van kapitaal en arbeid brengt ons ver weg van het verwerpelijke idee dat ongelijkheid competitiviteit voedt en een economie enkel levensvatbaar is wanneer ze groeit. Natuurlijk moet ze dat!, hoor ik u zeggen. Dat klopt, Jo. In jouw kapitalistisch systeem – dat slechts één specifiek historisch stadium in het ontwikkelingsproces van de maatschappij is – blijft de spreidstand en gevraagde flexibiliteit eeuwig uitdeinen.

De druk van de ingebeelde noodzaak om een sterk concurrentieel winstmodel uit te bouwen, zal voor u pas nefast lijken, wanneer de bloedende corpsen van uw uitgeperste zaaiers op het prille lentegras vol tjilpende roodborstjes ineenstuiken.

Pas dan Jo, misschien dan, zal je zien dat je geen 240000 koeien kunt voederen met 70000 bieten. Pas dan zal je zien dat – met de realisatie van gedegen en gratis openbaar vervoer – je lachwekkende klaagzang over files onbestaande is. Pas dan zal je zien dat niet de loonkost – die de arts van uw zwart-witte partijvoorzitter verloont – het herstel van een faire én door de staat gestuurde economie in de weg staat. Het was de werkende bevolking die de roekeloze en onaantastbaar gewaande speculatie van je clubje heeft gereset. Gered krijg ik niet over de lippen.

Beste Jo. Je blijft hoopvol, zeg je. Nu er voorzichtige tekenen van economisch herstel zijn. Tekenen die jij Jo, in je geprivilegieerde positie van gegoed bestuurder ongetwijfeld wel zult zien.

Maar vergeef ons Jo, dat wij met z’n allen daar beneden de grootste moeite hebben om – in de schaduw van de neoliberale zelfverrijking – de eerste zonnestralen te voelen.

Ik wens je alvast een stralende lente toe. Wij lessen ons wel met het water dat ons aan de lippen staat.