Welke gevaren bedreigen de revolutie in Venezuela?

Eén jaar na het referendum over de afzetting van Chavez

Net iets meer dan een jaar geleden, op 15 augustus 2004, werd een poging om de Venezolaanse president Chavez af te zetten via een referendum verpletterend verslagen door een mobilisatie van de Venezolaanse massa’s – vooral in de arme sloppenwijken – georganiseerd in electorale ‘gevechts eenheden’ en andere organisaties van de ‘Bolivariaanse’ revolutie. Met deze nederlaag kwam het revolutionaire proces in een nieuwe fase. Christine Thomas legt uit dat ondanks dat de krachten van de oppositie ernstig verzwakt blijven, de dreiging van contrarevolutie toch aanwezig is.

Christine Thomas

De verkiezing van Chavez tot president in 1998 was een uitdrukking van het massaal afwijzen van de groffe neoliberale politiek ontketend door het corrupte politieke establishment van de ‘Vierde Republiek’, door de Venezolaanse arbeiders en armen, en gedeeltes van de middenklasse. Het anti-imperialistisme, anti-neoliberalisme in Chavez’ populisme radicaliseerde de armste lagen van de Venezolaanse maatschappij. Zij zagen in hem een politieke leider die eindelijk in hun naam zou spreken en hen vertegenwoordigen in plaats van de rijke oligarchen die Venezuela’s olierijkdom vergooien en de armen steeds dieper in de miserie laten wegzakken. Zijn overwinning creëerde de verwachting dat aan de enorme behoefte aan degelijke jobs, gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting eindelijk voldaan zou worden.

De Venezolaanse heersende klasse en het VS imperialisme vrezen dat de wakker geschudde en geradicaliseerde massa’s radicalere maatregelen zouden kunnen gaan eisen en een richting op gaan die hun belangen bedreigd. Het VS imperialisme is bang voor instabiliteit in een land dat voorziet in 15% van haar olie behoefte. Het referendum vorig jaar was de derde belangrijke poging van de Venezolaanse heersende klasse ‘oppositie’ om, gesteund door het VS imperialisme, Chavez omver te werpen en alle potentiële dreiging die de beweging zou kunnen vormen in Venezuela en in heel Latijns Amerika te niet te doen. Elk contrarevolutioanir maneuvre – de militaire staatsgreep op 11 april 2002, de twee maanden durende staking van de bazen en de poging tot economische sabotage op het einde van het zelfde jaar en het referendum – is echter geblokkeerd door massa actie van arbeiders en armen die op hun beurt radicaliseerden en wiens verwachtingen nog zijn gestegen.

De krachtsverhoudingen in het post-referendum tijdperk zijn tijdelijk in het voordeel van de massa’s . De krachten van de oppositie – de rijke elite, de corrupte politieke partijen en vakbondsleiders, de Katholieke Kerk enz. – zijn na de nederlagen verdeeld en gedemoraliseerd. Chavez zelf zocht oorspronkelijk naar een schikking met de oppositie en riep de oppositie op om hem te helpen met de heropbouw van het land. Maar onder druk van de arbeiders en armen is Chavez een radicalere richting ingeslagen. Zo beschreef hij de Bolivariaanse revolutie voor het eerst als “socialistisch”, werden de landhervormingen opgevoerd en de eerste nationalisaties van het regime doorgevoerd. Teglijkertijd versterkt hij zijn anti-imperialistische en anti-Amerikaanse retoriek en acties in de regio.

Deze draai naar ‘links’ heeft de Venezolaanse kapitalistische klasse en het VS imperialisme gealarmeerd. Zij vrezen dat de massa’s die nu verhoogde verwachtingen koesteren Chavez in een nog radicalere richting zouden kunnen duwen, waardoor hun economische controle die tot dusver ondanks sommige beperkte inbreuken door het regime vrijwel in tact is gebeleven, nu serieus ondermijnt zou kunnen worden. Recent lanceerde de VS administratie een aantal vergiftigde verbale aanvallen op Chavez. Hij wordt er van beschuldigd terroristen te ondersteunen in Colombia en onrust te stoken in Bolivië, Ecuador en doorheen heel Latijns Amerika. De Amerikaanse staatssecreatris Condoleeza Rice noemde Chavez zelfs een “grote bedreiging voor de hele regio”. Chavez die de economische banden met Cuba heeft aangehaald – Venezuela voorziet Cuba van goedkope olie in ruil voor artsen – heeft daarmee effectief het VS embargo tegen Cuba gebroken. Het regime van Castro heeft nu een economische ‘lifeline’ die sinds de val van de Sovjet Unie, die Cuba massaal ondersteunde, hoognodig was. Chavez wordt daarbij ook gezien als een hindernis voor de VS in haar strategie om van Colombia een regionale machtsbasis te maken voor het verdedigen van de VS belangen in Latijns Amerika.

Bovenal zoekt Chavez alternatieve afzetmarkten voor de Venezolaanse olie en zodoende sloot hij al akkoorden met China, Rusland, Iran en ook een aantal Latijns Amerikaanse landen. Hij heeft gedreigd agressie van de VS tegen Venezuela af te straffen door haar olie voozieningen stop te zetten en tijdens de Internationale Jongeren Conferentie die plaatsvond in Caracas in augustus verklaarde hij dat de Noord Amerikaanse afzetmarkt niet van vitaal belang is voor Venezuela. Alhoewel dit veelal slechts anti-imperialistische retoriek is willen de VS, die al geconfronteerd wordt met de onstabiele situatie in Irak en het Midden Oosten, geen risico’s nemen en verzekeren dat haar olie voorziening vanuit Venezuela niet bedreigd wordt.

De ruimte voor het VS imperialisme om te manoeuvreren is echter beperkt. Een combinatie van factoren – enerzijds de zwakte van de ‘oppositie’ en anderzijds de massale olie-inkomsten die Chavez ter beschikking heeft om sociale hervormingen door te voeren ten voordele van de armen, zijn voornaamste sociale basis – werken een patstelling tussen de concurrerende krachten in de maatschappij in de hand. Deze situatie kan voor een periode blijven bestaan. Een militaire interventie in Venezuela van het Amerikaanse leger zoals in irak is daarom uitgesloten in dit stadium. Irak heeft blootgelegd dat er limieten zijn aan de Amerikaanse wereld hegemonie. Zelfs indien de VS niet geteisterd wordt door overbelasting van haar militaire apparaat zou een invasie uiterst riskant zijn. Het zou een golf van verzet kunnen veroorzaken doorheen Zuid en Noord Amerika. De VS is daardoor verplicht het bij een meer indirecte aanpak te houden. Ze steunt en werkt met zowel de Venezolaanse oppositie en rechtse reactionaire krachten in Colombia.

In december drongen Colombiaanse militairen in samenwerking met delen van de Venezolaanse veiligheidskrachten binnen in Venezuela om een leider van de guerilla organisatie FARC te kidnappen en gaven zo een indruk van de manier waarop ze ingezet kunnen worden om angst en instabiliteit te veroorzaken. Er bestaat ook geen twijfel over dat delen van de VS administratie akkoord gaan met de oproep van de rechtste Christelijke fundamentalist Pat Robertson om Chavez te vermoorden of te ontvoeren om het regime ten val te brengen. Zulke acties kunnen niet geheel uitgesloten worden, maar tot dusver heeft elke reactionaire poging een linkse impuls gegeven aan het revolutionaire proces. Elke voorbarige actie zou dus de massa’s nog verder in een radicale richting kunnen duwen.

De meer intelligente en serieuze gedeeltes van de oppositie daarentegen – telkens verslagen door de massale steun aan Chavez onder de geradicaliseerde armen – zijn tot de conclusie gekomen dat er voorlopig niets anders opzit dan te leren leven met Chavez. Gezien de huidige krachtsverhoudingen zou, op de korte termijn, elke openlijke contrarevolutionaire actie, in de lijn van de eerdere pogingen, mogelijk kunnen uitmonden in een verdere radicalisering van de beweging en zou maatregelen kunnen provoceren die een bedreiging vormen voor hun economische controle en controle over het staatsapparaat. “We moeten in het stof bijten van de nederlaag”, stelde de gouverneur van de staat Zulia een paar dagen na het referendum. “De twee Venezuela’s moeten zich verzoenen, Venezuela kan niet in conflict verder gaan”, verklaarde het hoofd van de belangrijkste patroonsorganisatie Fedecamaras.

Ondanks de meer strijdvaardige anti-Chavez toon die de VS-administratie sinds kort aanslaat lijkt het er toch op dat de VS voor een vergelijkbare langere-termijn strategie kiest. Ze probeert het revolutionaire proces af te matten en uit te putten terwijl ze zich voorbereid om op een gunstiger moment toe te slaan met serieuze acties tegen Chavez.

Toch zal de contrarevolutie uiteindelijk slagen als de Venezolaanse arbeidersklasse en armen er niet in slagen beslissend te breken met het kapitalisme en een democratische arbeidersstaat op te richten. De contrarevolutie zou de vorm aan kunnen nemen van een ‘buiten-parlementaire’ staatsgreep zoals in Chili in 1973 of van een ‘democratische’ electorale contrarevolutie zoals ook het geval was in Nicaragua in 1990. Een nederlaag in om het even welke vorm zou een ramp zijn voor de Venezolaanse massa’s. De Venezolaanse arbeidersklasse en armen staan voor de dringende taak om van de ‘ademruimte’ die ze nu nog heeft te profiteren om een revolutioanire partij op te bouwen om de beweging van een programma te voorzien, om stappen vooruit te kunnen zetten en de socialistische revolutie te voleindigen.

Op het electorale terrein is de Venezolaanse oppositie totaal verdeeld. Eén gedeelte pleit voor onthouding tijdens verkiezingen, een ander gedeelte wenst het op te nemen tegen Chavez. Waar ze opkwam heeft de oppositie de ene nederlaag na de andere geleden. Sinds de verkiezingen van oktober vorig jaar controleert de oppositie nog maar 2 van de 23 staten in het land en heeft ze de hoofdstad Caracas ook verloren. In de lokale en gemeentelijke verkiezingen die op 7 augustus van dit jaar plaatsvonden kon de oppositie slechts 20% van de zetels binnenhalen.

Het belangrijkste Venezuelaanse dagblad, dat gecontroleerd wordt door rechtse oppositionisten die de acties van de reactionaire krachten op elk punt steeds hebben gesteund, publiceerde verschillende artikels ter gelegenheid van de verjaring van het referendum. Deze artikels focusten op wat zij beschouwen als de dringende noodzaak voor de oppositie om “gedemoraliseerd, gedesoriënteerd en ingebreke van leiderschap” (El Nacional) opnieuw te verenigen om een geloofwaardig electoraal alternatief te kunnen presenteren tegen de ‘Chavistas’. Met nieuwe verkiezingen voor de deur – parlementsverkiezingen eind dit jaar en presidentsverkiezingen in december 2006 – houdt de oppositie zich al bang vast voor nieuwe electorale nederlagen.

Chavez zelf haalt sommige van de beste opiniepeilingen sinds zijn presidentschap met scores tot 70% in zijn voordeel. Tijdens het Internationaal Jongeren Festival sprak hij zelfs vol vertrouwen over het voortduren van zijn presidentschap tot en met 2030! Zijn vertrouwen is opgeklopt door de electorale zegetocht tegen de oppositie en de hoge olieprijzen. Olie vertegenwoordigd niet minder dan 85% van het Venezolaanse exportproduct, een kwart van het Bruto Binnelands Product en meer dan de helft van de overheidsinkomsten. In 2004 bracht de olieexport $29 miljard in de la tegenover $22 miljard in 2001, dit jaar zullen de olie-inkomsten waarschijnlijk nog veel groter zijn.

Deze enorme olie-inkomsten-‘boom’ heeft Chavez in staat gesteld om de uitgaven aan de ‘Misiones’, de programma’s sociale hervormingen die werden opgestart in 2003 en vooral gericht zijn op de zeer armen, niet alleen te behouden maar zelfs te verhogen. De verdiensten daarvan zijn duidelijk zichtbaar in de straten van de armste wijken van Caracas. Een schitterend nieuw ziekenhuis of een Mercal staatssupermarkt met gesubsidieerde basis voedingsmiddelen springt uit de dijk van verkrotte en in verval geraakte gebouwen en infrastructuur in de ‘barrios’ – de door armoede getroffen sloppenwijken die wang tegen wang liggen aangedrukt tegen de opzichtige, weelderige buurten als Altamira waar de rijke elite woont. Volgens cijfers van de regering hebben, ten gevolge van de Misiones, 300.000 Venezuelanen leren lezen en schrijven (9% van de meer dan tienjarigen), 2 miljoen lager-, middelbaar- en hogeronderwijs doorlopen en 17 miljoen toegang gekregen tot basis medische voorzieningen.

Ondanks de duidelijke sociale verwezenlijkingen bederft zware armoede toch nog steeds de levens van miljoenen Venezolanen. Het aantal arme gezinnen steeg tussen 1999 tot 2004 van 54% tot 60%. Ondanks dat de staat de basisvoedselvoorziening controleert loopt de inflatie op tot 15-20% en beschikt 1 op 2 niet over degelijke huisvesting. Volgens een recente opiniepeiling is de werkloosheid het grootste probleem in de maatschappij. Door initiatieven als ‘Vuelvan Caras’, het staatsplan voor de creatie van werkgelegenheid, voornamelijk in coöperatieven en kleine bedrijven, is de werkgelegenheid wel beperkt verbeterd. Maar 14% van de bevolking zit nog steeds zonder werk en miljoenen zijn het slachtoffer van uitbuiting en onzekerheid in de informele sector (straat handelaars, taxischaufferus, enz).

Aangezien dit de situatie is voor de meerderheid van de Venezolaanse arbeiders en armen terwijl de olieprijzen op een dergelijk hoog niveau staan dan is het ook duidelijk dat aan de verwachtingen van de massa’s nooit kan worden voldaan onder het kapitalistische gestel. Het rechtse Britse tijdschrift The Economist omschreef de situatie zeer accuraat in de volgende bewoordingen: “ Als en wanneer de olie-inkomsten dalen, zal de economie terechtkomen in een draaikolk van recessie en inflatie” (25 augustus, 2005).

Dit is precies wat er gebeurde in Nicaragua. Na de revolutie van 1979 waarmee de gehate dictator Somoza ten val werd gebracht, hadden de Sandinista’s controle over het staatsapparaat. Ze nationaliseerden tot 40% van de economie maar de rest bleef in handen van de kapitalistische klasse die hun economisxhe controle gebruikte op de economie te saboteren. In combinatie met de Contra oorlog, die gevoerd werd door vertrouwelingen van het VS imperialisme, kwam de economie terecht in een verschrikkelijk crisis met een inflatie die opliep tot duizelingwekkende hoogtes tot 3.600% en de levenstandaard die met 90% afnam!

Terwijl de massa’s afgemat werden en gedemoralisserd raakten door de economische crisis versloeg de rechtervleugel de Sandinistas in de presidentiële verkiezingen van 1990 en sindsdien voert ze een verschrikkelijke nneoliberale politiek tegen de Nicaraguaanse arbeiders en jongeren. Tenzij de Venezolaanse arbeidersklasse resoluut de economische monopolies uit handen neemt van de Venezolaanse en buitenlandse burgerij en start met de implementering van een productie plan voor de economie, onder democratische arbeiderscontrole en arbeidersbeheer, zal economische crisis en falen om aan de behoeften van de massa’s te voldoen leiden tot demoralisatie en demobilisering van de beweging, zo de de weg effenend voor de overwinning van de reactie.

Dit zou vervolgens gebruikt worden in een nieuwe periode om met brutale repressie de totale economische en staatscontrole te herwinnnen, incluis door het vernietingen van arbeidersrechten en de organisaties van de arbeidersklasse en armen.

De hoge afwezigheidsgraad (70%) bij de lokale en gemeentelijke verkiezingen van augustus dit jaar was reeds een waarschuwing voor de toekomst. Het is waar dat historisch de opkomst voor lokale verkiezingen steeds laag is omdat die niet worden gezien als relevant met betrekking tot de voornaamste bezorgdheden van de meeste Venezolanen. Een gedeelte van de oppositie riep ook op om niet te gaan stemmen. Desalniettemin was de graad van afwezigheid ook erg hoog in pro-Chavez regio’s, ondanks Chavez zelf die het belang benadrukte voor zijn achterband om te gaan stemmen in grote getalen.

Alhoewel de opkomst voor parlementaire en presidentiële verkiezingen waarschijnlijk veel hoger zal liggen, dienen de eerste tekenen van ontevredenheid in de laagste rangen van de Bolivariaanse beweging zich toch aan. Sommige activisten zijn ongelukkig over de manier waarop diep in de gemeenschap gewortelde kandidaten bureaucratisch werden weggeplukt en vervangen door bij de lokale gemeenschappen volledig onbekende kandidaten. In oktober, tijdens de gouverneurs (per staat) en burgermeester verkiezingen, namen weggescheurde kandidaten het op tegen officiële Chavista kandidaten. In de lokale verkiezingen konden sommige pro-Chavez partijen die gezien worden als ‘radicaler’, zoals de Venezuelaanse Communistische Partij en Tupamaros beweging, hun stemmenaantal vergroten.

De ontevredenheid, waar die bestaat, is meestal niet gericht op Chavez, die enorme steun en autoriteit onder de massa’s behoud, maar wel tegen de ‘bureaucratie’ rond hem die gezien wordt als een rem op radicale hervornmingen, zij het door inefficiëntie, corruptie of bewuste sabotage. In El Nacional is de commentaat opgenomen van een vrouw die protesteert tegen de acties van een leider in de staat Anzoategui: “President, open je ogen… veel van diegenen die aan je zijde staan misleiden je. Luister naar de stem van het volk.” Daarmee drukt ze het gevoel uit dat leeft onder een laag van activisten.

De leiding van de Bolivariaanse beweging bestaat uit een uiterst heterogene samenstelling. Ruim gesproken is één vleugel meer in overeenstemming en weerspiegelt beter de stemming van de massa’s en staat onder druk om verder te gaan langs de weg van radicale hervormingen. De andere vleugel is reformistisch en pro-kapitalistisch, sommigen onder hen hebben banden met de oppositie, zij proberen bij elke stap de beweging terug te houden en te verhinderen dat zij een meer radicale richting in slaat. Deze breuklijnen zijn zeer voornaam geworden sinds de nederlaag van het ‘afzettings-refenrendum’. Chavez zelf heeft steeds gebalanceerd op verschillend krachten in de maatschappij. Zijn meer recente ‘linkse’ profilering is een antwoord op de roep van de massa’s om meer radicale hervormingen. Hij heeft bijvorrbeeld een decreet ondertekent dat het failliete papierbedrijf VENEPAL in staatshanden neemt nadat de arbeiders in samenwerking met de lokale gemeenschap de fabriek bezetten en een vastberaden strijd begonnen rond de eis van nationalisatie.

Sinds januari bestempelt Chavez de Bolivaraanse revolutie als ‘socialistisch’ en dit wijst op een opmerkelijke ontwikkeling. Socialistische ideeën beginnen door te sijpelen in het bewustzijn van studenten, werkenden en armen. Uit een recente opiniepeiling, uitgevoerd door de Instituto Venezolano de Analisis de Datos, blijkt, 47,8% van mensen de voorkeur geeft aan een socialistische regering terwijl slechts 22,7% voor een kapitalistische prefereerde.

Maar Chavez heeft geen duidelijke opvattingen over wat hij bedoelt met socialisme, laat staan over hoe socialisme zou kunnen bereikt worden. Hij praat vaag over ‘Socialisme in de 21ste Eeuw’ dat een ‘nieuw type’ van het van socialisme zou zijn en hij heeft mensen opgeroepen om hun oude opvattingen van wat socialisme betekend te begraven. Dit zou als een verwerping van het stalinisme geïnterpreteerd kunnen worden. Maar tegelijkertijd versterkt Chavez zijn economische en diplomatieke banden met Fidel Castro in Cuba. Hij looft de prachtige Cubaanse gezondheidszorg, waar vele Venezolanen nu voordeel uit halen door Cubaanse dokters die werken in Venezuela, die de Venezolanen opleiden tot artsen en Venezolaanse patiënten naar Cuba brengen voor operaties. De gezondheidszorg is ongetwijfeld een duidelijke verworvenheid van de Cubaanse revolutie en de planeconomie. Chaves is echter volledig kritiekloos wat betreft de bureaucratische aard van het regime en de afwezigheid van een echte arbeidersdemocratie.

Wordt Chavez een ’tweede Castro’ zoals de Venezolaanse burgerij en het VS-imperialisme vrezen? Theoretisch kan een dergelijk perspectief niet volledig uitgesloten worden. Toen Castro in 1959 aan de macht kwam was hij niet bewust bezig de economie te nationaliseren, maar werd hij empirisch in die richting gedreven als antwoord op de VS-blokkade en onder druk van de Cubaanse massa’s. Omdat de revolutie niet werd geleid door de arbeidersklasse ontstond er een gedeformeerde arbeidersstaat, waar kapitalisme en grootgrondbezit werden omvergeworpen. De maatschappij werd echter (en wordt nu nog) van bovenaf geleid door een bureaucratische kaste. Na de val van de Sovjet Unie is de internationale context compleet anders dan ten tijde van de Cubaanse revolutie, toen Cuba, uit strategische overwegingen, materieël werd ondersteund door de Sovjetbureaucratie. Niettemin is het niet ondenkbaar dat, als antwoord op de provocaties van de contrarevolutie of een strenge economische crisis, de Venezolaanse massa’s spontaan fabrieken en land bezetten en Chavez dwingen om grote onderdelen – zelfs het merendeel – van de economie te nationaliseren. Maar een dergelijk regime zou byzonder onstabiel zijn.

De revolutie zal in een bepaalde fase ongetwijfeld neergeslaan worden door de reactionaire krachten tenzij de arbeidersklasse zich bewust wordt van de rol die ze moet spelen. De kapitalistische klasse moet niet enkel onteigend worden, de arbeidersklasse moet zijn eigen democratisch verkozen comités vormen die in staat zijn om de industrie te doen draaien, een democratische productieplanning door te voeren en de basis te leggen voor een arbeidersstaat met een programma om de revolutie uit te breiden over heel Latijns-Amerika en internationaal. Daarom is de strijd voor een revolutionair internationalistisch buitenlandbeleid zo belangrijk vandaag, waarin bijvoorbeeld economische banden met Cuba gesmeed worden, die gebruikt moeten worden om een echte arbeidersdemocratie in het land aan te moedigen en de revolutie internationaal uit te breiden als enige manier om de verworvenheden die reeds bekomen zijn te verdedigen.

Chavez’ houding ten opzichte van toekomstige gebeurtenissen zal uiteraard een grote invloed hebben op hoe de ontwikkelingen zich zullen ontplooien, in het bijzonder bij een economisch crisis. Momenteel komt hij gedeeltelijk tegemoet aan de radicaliserende massa’s en mogelijk zal hij verder opschuiven in die richting. Spijtig genoeg zijn er vele voorbeelden van eerlijke leiders die, eens ze geconfronteerd worden met de ‘logica’ van de vrije markt, ‘schoorvoetend’ de ‘buitensporige eisen’ van de arbeiders moeten de kop in drukken, ondanks hun ‘beste bedoelingen’.

Aangezien de andere opties op dit ogenblik te riskant zijn steunt een deel van de Venezolaanse kapitalisten de pro-kapitalistische vleugel van de beweging. Ze proberen zo een rem te vormen op de radicale hervormingen en de verworvenheden van de arbeiders en armen terug te schroeven en het pad te effenen voor het falen van het revolutionair proces en de overwinning van de contrarevolutie. Het klopt wel dat deze vleugel niet dezelfde invloed heeft op de arbeidersklasse dan de Sandinisten in Nicaragua na de revolutie van ’79 of de Socialistische en Commuinistische partijen in Portugal in ’75. Toch kunnen ze nog een belangrijke rol spelen in het tegenhouden van de beweging en de basis leggen voor de kapitalistische overwinning als de arbeidersklasse de Venezolaanse revolutie niet vervolledigd en demoralisatie en uitputting de overhand krijgt.

Ze zijn vrij duidelijk over wat ze verstaan onder ‘socialisme’ – een ‘gemengde economie’ waar enkele staatsbedrijven en coöperatieves bestaan maar de basis zou in henden blijven van de Venezolaanse en buitenlandse kapitalistische klasse. Chavez zei onlangs nog dat tussen de 136 en 1.149 bedrijven onderzocht werden om mogelijk te onteigenen. Dit zijn echter allemaal bedrijven die ofwel rees over kop waren gegaan of op de rand van het bankroet staan. De minister van industrie stelde zeer duidelijk dat onteigening sclechts in zeer uitzonderlijke gevallen zou plaatsvinden, dat er geen nationalisatiegolf zou komen en dat kapitalistische bedrijven en ‘sociale productie’ naast elkaar kunnen bestaan. Een dergelijk voorbeeld is de onteigening van 13.000 hectare grond van de veeboerderij van lord Vesty, dat een stap voorwaarts is in de landhervorming, waar tot nu toe enkel staatsgronden werden verdeeld onder de arme plattelandsbevolking. Maar in deze fase komt voor de regering enkel ‘onproductieve grond’ in aanmerking voor onteigening. Desondanks werden sinds 2000, wanneer de wetten betreffende grond aangenomen werden, reeds 158 boeren vermoord. Dit toont aan dat zelfs zeer beperkte hervormingen nog steeds zeer brutaal worden bestreden door grootgrondbezitters, die in sommige gevallen gesteund werden door rechtse Colombiaanse paramilitairen.

In revolutionair klinkende frasen worden de coöperatieven naar voor geschoven als het ‘embrio’ van de socialistische samenleving. Er werden, voornamelijk in de dienstensector en de landbouw, gedurende de laatste zes jaar zo’n 79.000 coöperatieven opgericht. Dit heeft de werkloosheid deels teruggedrongen, maar slechts tijdelijk. Deze coöperatieven moeten nog steeds wedijveren binnen een kapitalistische markt met privébedrijven en zullen bij een economische crisis in mekaar storten. In realiteit functioneren vele van die coöperatieven zoals privébedrijven, waarbij de arbeidskracht wordt uitgebuit en de rechten van de werknemers onbestaande zijn. Er bestaan talrijke voorbeelden van private werkgevers die hun bedrijven ‘vermommen’ als coöperatieve om staatssubsidies binnen te rijven.

Chavez moedigt ook het ‘co-management’ aan in staatsbedrijven en nu ook in privéondernemingen. "Dit is revolutie. Dit is socialisme", kondigde hij onlangs aan toen hij de patroons van kleine privébedrijven kredieten aanbood met lage rente indien ze arbeidersvertegenwoordigers opnamen in het bestuur van hun bedrijf. Maar opnieuw maakte de minister van industrie duidelijk dat het co-management, of arbeidersparticipatie, zal gebruikt worden als een middel om tot klassensamenwerking te komen, om de arbeiders te misleiden, om de uitbuiting te vergroten en de winsten van de kapitalistische klasse op te drijven, zoals in landen als Duitsland. "Er bestaat een verkeerde interpretatie van wat ‘co-management’ betekent" zei hij. "Het doel is om arbeiders te betrekken in het bestuur en niet in het bezit, en zo onnodige spanningen en tegenstellingen helpen vermijden."(El Nacional)

Chavez is niet bereid om de confrontatie aan te gaan met de kapitalistische economische en staatsmacht. Hij voert enkel gedeeltelijke controles uit en probeert de huidige economische structuren en het staatsapparaat te ontwijken. Zo richte hij bijvoorbeeld naast de coöperatieven ook een luchtvaartmaatschappij op in staatshanden, een telefoonmaatschappij, een televisiestation en supermarkten die basisproducten verkopen aan prijzen die tot 30 % lager kunnen zijn dan in de private sector. Deze initiatieven zijn allemaal bedoeld om de bestaande monopolies te ‘beconcureren’. Het resultaat van deze beperkte maatregelen, zoals controle op de handel en de prijzen van basisproducten, is dat de kapitalistische klasse steeds meer vastberaden wordt om verdere inbreuken op haar economische en staatsmacht te voorkomen.

Doordat de grote monopolies, de banken en financiële instellingen, de pers enz. nog steeds in private handen zijn is het onmogelijk om de economie op een democratische manier te plannen in functie van de behoeften van de bevolking. De kapitalistische klasse behoudt haar positie waardoor ze de economie kan dwarsbomen en de beweging ondermijnen. Er werden enkele personeelshervormingen doorgevoerd aan de legertop, in de hoogste gerechtsorganen, in de kiescolleges en in andere staatsinstellingen. Dit gebeurde echter niet door verkiezingen en er is geen permanente afzetbaarheid. De afwezigheid van een massale socialistische partij, die toezicht kan houden op de staat, staat de deur open voor kapitalisten om nieuwe steunpunten te verwerven, zelfs onder de ‘pro Chavista’ ambtenaren.

Het is duidelijk dat de kapitalistische klasse er alles zal aan doen om de maatregelen, die genomen werden als antwoord op de eisen van de bevolking, om te buigen in hun voordeel. Ze gebruikt de media en de pro-kapitalistische vleugel van Chavez’ regering om een meer ‘realistisch’ economisch en sociaal beleid te verkrijgen en de vier milioen mensen die tegen Chavez stemden in het rederendum voor hun kar te spannen om buitenlandse investeringen terug ‘aanvaardbaar’ te maken. Chavez zelf is voorstander samenwerking tussen buitenlands kapitaal en de binnenlandse olieindustrie, PDVSA, die in staatshanden is. De Venezolaanse olieproductie is reeds voor 50% in handen van multinationals, terwijl de productie van PDVSA gehalveerd is sinds 1998, toen Chavez voor de eerste keer werd verkozen. Het klopt dat zelfs een ‘gezonde’ arbeidersstaat economische en handelsverdragen kan afsluiten met kapitalistische landen en buitenlandse bedrijven op het moment dat de internationale revolutie tijdelijk vertraging oploopt. Maar dit zou gebeuren op basis van een democratisch geplande productie met een staatsmonopolie op buitenlandse handel en op basis van een beleid dat bewust tot doel heeft de revolutie intenationaal uit te breiden over de internationale arbeidersklasse.

Op basis van een beleid dat het kapitalisme in stand houdt zullen buitenlandse investeringen en handelsovereenkomsten de revolutie enkel ondermijnen en doen ontsporen. Toen Chavez onlangs een wapenovereenkomst afsloot met de Spaanse regering, verdedigde de Spaanse minister van defensie zich tegen kritieken van de VS door uit te leggen dat "De rol van Spanje in Venezuela Washington ten goede zou komen, omdat ze een rem zouden zijn op Chavez’ droom om de bolivaraanse revolutie uit te breiden naar andere landen in de regio." (El Pais, 9 mei) Dit is een belangrijke waarschuwing voor de toekomst.

De arbeidersklasse speelt, dankzij haar rol in het productieproces en haar potentiële collectieve macht, de sleutelrol om de socialistische revolutie in Venezuela te volbrengen en de reactionaire krachten te verslaan. Maar, ondank het feit dat de arbeidersklasse bij alle cruciale momenten in de massabeweging betrokken was, was ze slechts één van de vele ‘spelers’. De arbeidersklasse was zich niet bewust van haar eigen kracht of van haar verantwoordelijkheid die ze draagt in het leiden van de massas om de maatschappij om te vormen. Op verschillende momenten steunde Chavez op de massas en moedigde hun deelname aan maar dit was strikt begrensd. Zonder duidelijk programma om het revolutionair proces verder te zetten riskeert de beweging stagnatie en demobilisatie. Chavez moedigde onafhankelijke aktie van de arbeidersklasse niet aan. Recent nog riep een adviseur van Chavez, tijdens een staking van de metroarbeiders in Caracas, op om stakingen in de publieke sector te verbieden. Chavez zelf dreigde de nationale garde op de stakers af te sturen.

De voornaamste taak van een revolutionaire partij in Venezuela is niet om Chavez te adviseren over hoe hij de revolutie moet leiden. Ze moet de organisaties van de arbeidersklasse versterken en uitbreiden. Ze moet eisen naar voor schuiven die het vertrouwen van de arbeiders in hun eigen mogelijkheden om de maatschappij te veranderen vergroot. Ze moet duidelijk maken wat moet gedaan worden op elke stap van het revolutionair proces.

Een revolutionaire partij zou moeten aantonen hoe de kapitalistische klasse het co-management zal gebruiken om haar eigen belangen te behartigen. Zo’n partij moet arbeidersraden opzetten en versterken om echte arbeiderscontrole en arbeidersbeheer over de bedrijven te bekomen, als eerste stap in het democratisch plannen van de hele economie. Er bestaat nu reeds een gedeeltelijke arbeiderscontrole in sommige bedrijven. In ALCASA bijvoorbeeld, een aluminiumfabriek in handen van de staat, kiezen de arbeiders zelf hun bestuurders, die hetzelfde loon krijgen dan wat ze ervoor verdienden en die permanent afzetbaar zijn. Recent werd een nationale arbeidersbijeenkomst georganiseerd om het co-management en de arbeiderscontrole te bespreken. Op deze vergaderng werd overeen gekomen dat "de bedrijven in staatshanden moeten komen, dat er geen aandelen worden uitgedeeld aan de arbeiders en dat alle winst gebruikt moet worden voor de behoeften van de samenleving. De winst moet beheerd worden door raden van socialistische planning, die de beslissingen moeten uitvoeren die door de bevolking genomen worden in volksvergaderingen."

Een echt revolutionair socialistisch programma zou een democratisering eisen van de organisaties van de bolivaraanse revolutie en zou oproepen voor het vormen en verstevigen van democratische comités in de bedrijven. Deze moeten in verbinding staan met met de verkozen gemeentecomités en met de van de strijdkrachten, op lokaal, nationaal en staatsniveau.

Bovendien moeten de arbeiders defensiekrachten vormen om zich te verdedigen tegen reactionaire krachten. Chavez erkent de noodzaak om zich te verdedigen tegen imperialistische agressie en heeft de legerreserves verdubbelt en hij richt volksverdedigingseenheden op in de bedrijven en op het platteland. Deze staan echter onder zijn persoonlijk bevel en niet onder democratische controle van de organisaties van de arbeidersklasse en de armen.

De arbeiderssolidariteit met de rest van Latijns Amerika en de wereld is ook een cruciaal wapen. Chavez is op zijn manier een internationalist. Hij ziet zichzelf, in navolging van zijn held Simon Bolivar, als de leider van een anti-imperialistisch verbond in Latijns Amerika en hij gebruikt olie en olie-inkomsten om dit te bereiken. De eerste stappen in deze richting zijn o.a. de recent opgerichte Telesur, een over het hele continent verspreide televisiemaatschappij, en Petrosur en Petrocaribe, overeenkomsten met verschillende Latijnsamerikaanse en Caribische landen die betrekking hebben op de export, de ontginning en de rafinage van olie. Hij heeft ook oliegelden gebruikt om Argentijnse en Ecuadoriaanse schulden af te betalen uit ‘solidariteit’ tegen de internationale geldmarkt.

Maar Chavez richt zich hoofdzakelijk naar neoliberale leiders in plaats van een beroep te doen op de arbeidersklasse en de armen. Zo voert de Brazilliaanse president Lula bijvoorbeeld een beleid dat ingaat tegen de belangen van de arbeidersklasse en is zijn partij verwikkeld in een ernstig corruptieschandaal. Toch loofde Chavez, bij een recent bezoek, Lula en beschouwt hij de corruptiebeschuldigingen louter als ‘een rechtse samenzwering’.

Chavez wordt door het imperialisme beschuldigt van het exporteren van de revolutie naar andere Latijns-Amerikaanse landen. Toen de arbeiders in de olie-industrie van Ecuador in augustus echter staakten om meer middelen los te krijgen voor de lokale gemeenschap en eisten dat de Amerikaanse oliebedrijven het land werden uitgezet, speelde Chavez de rol van stakingsbreker door olie te leveren aan de Ecuadoriaanse regering om de ‘ontwrichting’ te compenseren die de stakers hadden gecreëerd.

Daartegenover konden we in de nasleep van de orkaan Katrina een glimp opvangen van hoe het echte internationaal solidair beleid door de arbeidersklasse kan worden nagestreefd. Een democratische arbeidersregering zou, zoals Chaves, onmiddelijk hulp geboden hebben en aantonen dat kapitalisme privéwinst belangrijker vindt dan het leven van de armsten in de maatschappij en dat het VS-imperialisme totaal incapabel is om tegemoet te komen aan de noden van de Amerikaanse arbeiders in tijden van crisis en in ‘normale’ tijden. Terzelfdertijd kunnen banden gesmeed worden met de arbeidersklasse en de lokale organisaties in de VS om de democratische controle over de verdeling van hulpgoederen te bevorderen in de getroffen gebieden, waardoor het vertrouwen en de bewustwording van de Amerikaanse arbeidersklasse zou toenemen.

Latijns-Amerika is een continent in opstand. Een succesvolle socialistische revolutie in Venezuela zou een enorme impact hebben op de hele regio, zelfs op de Verenigde Staten. De Venezolaanse arbeidersklasse wordt nu geconfronteerd met de uitdaging om haar organisaties uit te bouwen en te versterken, inclmusief het bouwen aan een revolutionaire massapartij met een programma dat ervoor zorgt dat in de strijd tussen revolutie en contrarevolutie de revolutionaire krachten overwinnen.

Delen: Printen: