Egypte: president behaalt overwinning in schijnverkiezingen

De Egyptische president Hosni Mubarak behaalde met 89% van de stemmen een overweldigende meerderheid in de eerste presidentsverkiezingen van het land. Maar zelfs volgens de officiële cijfers ging slechts 23% stemmen. Er waren geen onafhankelijke waarnemers in de kiesbureau’s. Tegenstanders van het regime beweren dat de opkomst op het platteland zowat 10% tot 15% was en in de steden slechts 5%. Minder dan één vijfde van de kiesgerechtigden stemde voor de 77-jarige president, die reeds 24 jaar aan de macht is.

Jon Dale

De enorme legale obstakels voor oppositiekandidaten, maakten dat de verkiezingen erop gericht waren om de enige mogelijke overwinnaar te laten verkiezingen. De Egyptenaren stelden cynisch dat enkel kandidaten met 24 jaar ervaring als president echt mochten opkomen.

Totnutoe hadden de Egyptenaren enkel om de 6 jaar de kans om ‘ja’ of ‘neen’ te stemmen in een referendum over het presidentschap. Om de keuze te bevorderen, werden soldaten en politie-agenten ingezet tegenover ieder teken van oppositie. Moest er nog enige twijfel overblijven, dan werden de verkiezingen vervalst. In 1999 beweerde Mubarak dat hij 94% van de stemmen behaalde bij een opkomst van 10%.

Mubarak stond onder groeiende druk en kondigde daarom deze verkiezingen aan. De economie van het land groeide snel in de jaren 1990. Maar de goedkope textiel uit Oost-Azië ondermijnde een belangrijke industrietak en de aanvallen op Westerse toeristen na 11 september verzwakten de andere belangrijke tak van de economie.

44% van de bevolking leeft aan minder dan 2 dollar per dag. De privatiseringen van de jaren 1990 zorgden voor een enorm verlies aan jobs. De prijzen, vooral die van voedsel, stegen met 30% tussen 1999 en 2004. 7 miljoen ambtenaren verloren zowat de helft van de waarde van hun lonen.

Vorig jaar begon een nieuwe golf van privatiseringen onder leiding van de zoon van Mubarak, Gamal, een voormalige bankier in de Bank of America in Caïro en Londen. Verschillende zakenmensen en economen die in de VS studeerden, traden vorig jaar toe tot de regering. Als reactie hierop waren er een aantal stakingen ondanks het feit dat de vakbonden gecontroleerd worden door de overheid.

De woede tegenover de Amerikaanse inval in Irak werd al snel uitgebreid tot woede tegenover de enorme armoede. Toen Irak werd binnengevallen in maart 2003 waren er in Caïro 40.000 betogers.

Op de eerste verjaardag van de oorlog waren er 2.000 betogers, ondanks het inzetten van 5.000 veiligheidstroepen. De betoging richtte zich al snel tegen het economisch beleid van de regering. “Atef [Ebeid, de premier] een kilo bonen kost 6 [Egyptische] ponden! Atef, de bevolking van Egypte moet stenen eten!” Op de betoging werd door de microfoons geroepen: “Zij dragen de laatste mode”, de betogers antwoordden: “En wij leven met tien in een kamer”.

Er is een bredere verspreiding van satelliet televisie waardoor het moeilijker is voor het regime om te controleren wat de bevolking ziet. De beelden uit Irak en Palestina hebben de woede tegen de VS en tegen Mubarak doen toenemen. De president is immers een trouwe bondgenoot van de VS. Het land krijgt de tweede grootste financiële steun van de VS, na Israël. Die steun gaat vooral naar het leger en de politie.

Het beleid van Bush inzake Irak faalt. Hij beweerde dat het omverwerpen van Sadaam zou leiden tot een toename van democratie in Irak waardoor dit het voorbeeld voor het Midden Oosten zou worden. Nu de chaos in Irak verder toeneemt, is het voor de VS vervelend dat er ook in Egypte, een belangrijke bondgenoot in de regio, niet bepaald veel democratie aanwezig is.

Aangezien gevreesd werd dat de oppositie tegen Mubarak te sterk zou worden en zou kunnen leiden tot de vestiging van een nieuw regime dat niet VS-gezind zou zijn, bezocht Condoleezza Rice in januari het land en beloofde daarbij nog eens 1 miljard dollar steun.

Enkele dagen later kondigde Mubarak aan dat hij van mening was veranderd en dat er verkiezingen zouden komen. Die verkiezingen waren echter geen uitdrukking van een succes voor Bush om democratie te vestigen in het Midden Oosten.

Een aantal partijen gingen over tot een boycot van de verkiezingen. De groepering Moslimbroederschap zou heel wat steun genieten, zowat één vierde van de bevolking zou hen steunen. Ze konden niet deelnemen aan de presidentsverkiezingen en riepen op om te stemmen voor gelijk welke kandidaat waarvan gedacht werd dat ze rechtvaardiger zouden zijn. De leiding van de Moslimbroederschap komt vooral uit betere kringen en wil een legale partij worden. Ze hoopt op toegevingen nu de partij niet had opgeroepen om de schijnverkiezingen te boycotten.

Jongere leden van de Moslimbroederschap, zeker studenten, staan onder druk van de protestacties voor democratische rechten. ‘Kifaya’ (“Genoeg”) groepeert intellectuelen, islamisten en activisten. De groep heeft sinds vorige december heel wat acties voor meer democratie geëist. Daarbij waren er telkens enkele honderden tot 3.000 aanwezigen waren. Deze acties hebben de beperkingen van de democratische aspiraties van Mubarak aangetoond aangezien telkens politie en huurlingen werden ingezet om de betogers aan te vallen. Kifaya is er nog niet in geslaagd massa-acties te organiseren.

De grote arbeidersklasse in Egypte heeft haar stem nog niet laten horen. Er is geen arbeiderspartij met een programma dat een oplossing biedt voor de armoede, werkloosheid, huisvestingsproblemen, onderwijs en gezondheidszorg, naast een programma voor democratische rechten. Bij deze verkiezingen was er enorm veel cynisme en het besef dat er geen verandering zou komen, leidde tot de resultaten zoals die nu voorliggen.

De lage opkomst is een nederlaag voor de poging van Mubarak om het hoofd te bieden aan de groeiende druk tegen zijn repressief regime door van boven af enkele toegevingen te doen. Het is bovendien een nieuwe nederlaag voor de Midden Oosten-politiek van Bush.

Delen: Printen: