Home / Edito - Belgische politiek / Sterktes en zwaktes van ‘Première à gauche’

Sterktes en zwaktes van ‘Première à gauche’

door Nicolas Croes

Nadat de PVDA langs Nederlandstalige kant met Hoe durven ze? van Peter Mertens een groot succes kende, volgde nu langs Franstalige kant een boek waar heel wat rond te doen was. In Première à gauche wordt de Luikse partijwoordvoerder Raoul Hedebouw voorgesteld en brengt hij in zijn typische stijl een reeks argumenten die al eens overgoten worden met een humoristisch sausje.

Links voor dummies

Het boek is samengesteld op basis van gesprekken met de woordvoerder van de PVDA. Er wordt ingegaan op verschillende elementen uit het leven van Raoul om zo de PVDA en een deel van de ideeën van die partij voor te stellen. Het hoofdstuk ‘Misdaad in de discotheek’ gaat bijvoorbeeld over racisme waarbij wordt vertrokken van discriminatie aan de ingang van nachtclubs. De communautaire kwestie wordt behandeld op basis van de famiale situatie van Raoul (met Vlaamse ouders die zich in Wallonië vestigden), het onderwijs aan de hand van de mobilisaties tegen de onderwijshervormingen van Lebrun (1994) en Onkelinx (1995-96).

Wat je ook denkt van die erg gepersonaliseerde politieke voorstelling die de PVDA tegenwoordig wel meer gebruikt, deze vorm van ‘dialoog’ maakt het boek ongetwijeld wel gemakkelijker verteerbaar voor een brede groep van lezers. Door middel van dit boek kunnen ze kennis maken met een aantal feiten en gegevens die door de studiedienst van de PVDA bekend werden gemaakt, onder meer op vlak van fiscaliteit. Maar er staan ook zaken in die minder uitgebreid in de media verschenen.

Dat is onder meer het geval voor economische democratie. “De mensenrechten stoppen aan de poorten van het bedrijf”, wordt in het boek gezegd. “De mensen brengen 7 tot 10 uur per dag op een bedrijf door en hebben aanvaard dat ze niets te zeggen hebben over wat ze produceren. Diegenen die hen verdedigen worden met ontslag bedreigd. (…) In een normale democratische samenleving, zouden we een debat onder alle werkenden hebben om te beslissen wat we doen [met de productie].” (vrije vertaling). Verder in het boek wordt over de kwestie van arbeidersdemocratie nog het volgende gezegd: “de democratische en electorale dynamiek in de bedrijven bij sociale verkiezingen haalt amper de media, maar het is een grotere dynamiek dan wat het geval is bij de politieke democratie. 1,3 miljoen werkenden verkiezen 44.000 syndicale afgevaardigden, dat is niet niets. En dan kan slechts een derde van de werkenden dit recht uitoefenen [aangezien sociale verkiezingen enkel georganiseerd worden in bedrijven met meer dan 50 werknemers].” Daarnaast bevat het boek elementen van een kennismaking met het marxisme op vlak van economische analyse of hoe de geschiedenis wordt benaderd vanuit productiesystemen.

Publieke controle op de productie: ja of nee?

De aanklacht van het kapitalisme is vaak helder in dit boek, maar de manier waarop het systeem kan bestreden worden en het alternatief erop blijft vager. Het ideaal van een andere samenleving wordt wel omschreven als socialisme (waarbij de sleutelsectoren in publieke handen worden geplaatst in het kader van een economische planning), de rol van concrete strijdpunten wordt als cruciaal gezien en het type van partij dat nodig is wordt als marxistisch omschreven, maar het boek doet toch meer denken aan een opsomming van eisen die soms moeilijk met elkaar in overeenstemming kunnen gebracht worden eens dieper op de situatie wordt ingegaan.

Nadat hij de grote lijnen van het legitieme recht van de werkenden op de door hen gecreëerde welvaart heeft uitgelegd, heeft Raoul het over de staking bij InBev in 2009-2010 en verdedigt hij het idee van “een verbod op ontslagen bij bedrijven die de afgelopen jaren dividenden uitbetaalden.” Hij verduidelijkt: “Het zou goed zijn om die wet in België goed te keuren.” Natuurlijk. Maar wie zou zo’n wet in het parlement stemmen? Het idee is mooi, maar stel dat een groep van parlementsleden het idee genegen is, zouden de grote bedrijven dit dan zomaar aanvaarden?  Na het pleidooi over de noodzaak van een collectieve controle op de productie in de voorgaande pagina’s hadden we hier eigenlijk de eis van de nationalisatie onder democratische controle en beheer van bedrijven die overgaan tot collectieve afdankingen verwacht. Zo’n programma vormt een wapen aan strijdbare syndicalisten.

Dezelfde vraag stelt zich wat de “herverdeling van het beschikbare werk” betreft. We waren wat verrast dat we in het boek niets lazen om de syndicale eis van arbeidsduurvermindering met bijkomende aanwervingen en zonder loonverlies te ondersteunen. Die eis kan bijvoorbeeld ingevuld worden met het voorstel van een 32-urenweek. In plaats daarvan lezen we: “ArcelorMittal, Ford Genk, Opel Antwerpen: in plaats van bepaalde sites te sluiten en andere een hels werkritme op te leggen, zou het beter zijn om deze bedrijven te verplichten om een evenwichtige verdeling van productiequota op te leggen.” Moest deze eis toegepast worden (eens te meer kunnen we echter de vraag stellen wie het zou goedkeuren in de parlementen), dan zou het leiden tot een verdeling van de ontslagen over alle sites. Zolang die sites niet genationaliseerd zijn op basis van een strijd door de arbeiders op het terrein, door stakingsacties en bedrijfsbezettingen waarbij de productiemiddelen in handen worden genomen, is dat de realiteit.

Als het over de financiële sector gaat, weten we nooit met zekerheid wat geëist wordt. Raoul bekritiseert terecht de privatisering van banken als het Gemeentekrediet en de ASLK, maar denkt hij echt dat een publieke bank in een oceaan van private banken voldoende zou zijn? Soms wordt gesproken van een “publieke bankensector”, maar ook dan is het niet duidelijk of het gaat om de volledige financiële sector of om de creatie van een “publieke bankenpool” naast een private pool. We hebben de indruk dat de PVDA eerder voor die laatste optie gaat.

Welk soort verzet?

In het boek wordt terecht gesproken over “het belang om te strijden en aanwezig te zijn in bewegingen die verandering eisen.” Maar hoe kunnen we een efficiënte krachtsverhouding uitbouwen? Raoul stelt: “Meer dan 80% van de Belgen is voorstander van een belasting op grote fortuinen. Waar wacht de regering nog op om dit in te voeren?” We weten natuurlijk dat het om een manier van spreken gaat en dat Raoul net als andere PVDA-leden niet verwacht dat een kapitalistische regering plots deze maatregel zou invoeren. Maar er wordt weinig gezegd over hoe we de overheden tot dit soort maatregelen kunnen dwingen. Zullen we wachten tot de overheden er zelf van overtuigd geraken?

Er wordt weinig gezegd over internationale mobilisaties en bewegingen. De Griekse of Portugese algemene stakingen worden wel aangeraakt, maar er wordt niet geantwoord op de cruciale vraag bij die acties: waarom hebben die massamobilisaties de besparingen nog niet kunnen stoppen? Het leidt al gauw tot de vraag van de rol die de vakbondsleidingen spelen.

Een andere – volgens ons belangrijke – zwakte in het boek is het feit dat er bijzonder weinig wordt gezegd over de oproep van het ABVV-Gewest van Charleroi en Zuid-Henegouwen voor de opbouw van een antikapitalistisch alternatief links van de PS en Ecolo. Die oproep wordt wel vermeld, maar er wordt niet uitgelegd dat het een oproep tot samenwerking van verschillende linkse politieke krachten, waaronder LSP, betreft.

De PVDA beweert niet dat het over “dé oplossing” beschikt, zegt Raoul. We denken dat de lessen uit strijdbewegingen in het verleden ons toelaten om een redelijk precies idee van een programma te hebben alsook van een strategie en van tactieken om tot een radicale verandering van samenleving te komen. We willen, naast de PVDA, aan dat debat bijdragen en dit om strijdbewegingen in de toekomst te versterken.

 

HEDEBOUW, Raoul, Première à gauche. Entretien avec Gilles Martin., Brussel: Aden, 2013, 218 p.