Home / Dossier / 40 jaar geleden. Anjerrevolutie in Portugal

40 jaar geleden. Anjerrevolutie in Portugal

Dossier  uit maandblad ‘Militant’, verschenen in september 1994

anjerDe eerste mei 1974 verzamelden meer dan 500.000 arbeiders en jongeren in de straten van Lissabon. Een optocht die een stuk uitbundiger was dan we gewend zijn in de rest van Europa. Maar de Portugezen hadden ook bijzondere reden om zich eens te laten gaan. Zes dagen ervoor had een opstand van jonge en progressieve militairen een kruis gemaakt over de 42 jaar oude politiedictatuur van Salazar en Caetano.

De soldaten die door de nieuwe machthebbers waren ingezet om de betoging te begeleiden en “ongeregeldheden te voorkomen” verbroederden met de demonstranten. Uit dankbaarheid voor hun rol in de afzetting van premier Caetano kregen de militairen rode anjers in de loop van hun geweer gestopt, zo kwam de Portugese revolutie aan haar mooie naam. De 1-mei stoet dat jaar was een revolutionaire demonstratie.

De dictatuur van Salazar

Tussen 1910 en 1928 had Portugal niet minder dan 44 regeringen en 20 pogingen tot staatsgreep gekend. Toen de loonarbeiders uit de steden en op het platteland zich vanaf de jaren twintig in de strijd wierpen tegen de harde besparingsprogramma’s, was voor de heersende klassen de maat vol. Een sterke man moest er komen…

De rechtse hoogleraar economie Salazar sprong dankbaar in het vacuüm geschapen door de onbekwaamheid van de politici, het onvermogen van de bourgeoisie om het land economisch te ontwikkelen en het gebrek aan vastberaden leiding bij de arbeiders. In 1928 aanvaardde hij de ministerportefeuille van financiën op voorwaarde dat zijn drastische ingrepen in de overheidsfinanciën uitgevoerd werden zonder inmenging van de parlementaire oppositie. In feite eiste Salazar de afschaffing van het laatste restje parlementaire democratie. Zo’n flinke kerel die zonder scrupules eens goed de zweep zou leggen over de arbeiders en de boeren verdiende volgens het chique publiek van de Portugese salons meer dan een ministerportefeuille en een dikke proficiat. In 1932 werd Salazar beëdigd als eerste minister met dictatoriale bevoegdheden. De laatste glimlach op het gezicht van de hartelijke Portugese bevolking verdween … voor 42 lange en hongerige jaren.

1945-1974 Ontbinding van een dictatuur

1945-1968: Geen toegevingen.

Na de tweede wereldoorlog moesten de meeste regeringen in Europa schoorvoetend toegeven aan een aantal eisen van de arbeidersbeweging. Maar Salazar’s “Nieuwe Staat” week geen centimeter van de koers die hij in de jaren ’30 was ingeslagen. De oude man weigerde het verbod op de arbeiderspartijen en de socialistische vakbonden op te heffen. In 1949 leidde de volgehouden repressie door de P.I.D.E., Salazar’s gevreesde en wrede geheime politie, tot de opsporing en de arrestatie van de ondergronds werkende leider van de Portugese Communistische Partij, Alvaro Cunhal. Salazar veegde zijn voeten aan het – voor de Portugese justitie – opvallend milde vonnis in de zaak Cunhal: vier en een half jaar gevangenis. De premier hield Cunhal ook na het verstrijken van de straf achter de tralies, tot de communisten zijn ontsnapping wisten te organiseren in 1960. Geen toegevingen aan de arbeidersbeweging.

Ook geen toegevingen aan het onafhankelijkheidsstreven van de inheemse bevolking van de Portugese kolonies. Terwijl de overige koloniale mogendheden de eerste concessies aan de koloniale bevrijdingsbewegingen overwogen, verstrakte Salazar juist het beleid in de overzeese gebieden. In 1951 veranderde hij met een pennentrek alle Portugese kolonies van bezette gebieden in “overzeese provincies”, d.w.z. delen van het Portugese grondgebied. Stilaan bereikte de koloniale revolutie ook de overzeese bezittingen van de Portugese burgerij. De zwarte plantage-arbeiders in Angola hadden niet veel boodschap aan de administratieve manoeuvres van hun overheersers. Evenmin aan de vrijblijvende speeches over mensenrechten en de “waardigheid van de zwarte ziel” die in de Assemblée van de Verenigde Naties werden afgestoken. Ze telden de striemen op hun rug en de builen op hun hoofd en vergeleken de toestand van hun gezin met het herenleventje van Meneer en Mevrouw op de ranches. In 1961 brak er op de Angolese koffievelden een algemene staking uit tegen de slechte arbeidsvoorwaarden en de rassendiscriminatie op het vlak van de lonen. Hetzelfde jaar begon ook de onafhankelijkheidsstrijd van Portugees Guinea. Bewegingen die aanvankelijk brutaal werden onderdrukt, maar telkens weer opflakkerden. Op 25 september 1964 vond de eerste aanval plaats van “Het Front voor de Bevrijding van Mozambique”, het FRELIMO.

De Portugese burgerij wist wat dit soort bewegingen betekende, vooral na de ervaring van de Britten in hun Afrikaanse bezittingen en de Fransen in Indochina: het begin van het einde.

Het enige wat Salazar nog kon doen, was door brutale repressie het einde zo ver mogelijk voor zich uitschuiven.

Op 26 september 1968 droeg de 79-jarige Salazar, die op 26 juni ’70 overleed, om gezondheidsredenen de macht over aan zijn vice-premier en partij-ideoloog Marcello José das Neves Caetano.

 

De strategische terugtocht van Caetano.

Salazar liet zijn opvolger een economische mesthoop na. De voorthollende inflatie leidde ertoe dat Portugal op 26 april 1970 voor het eerst in vijf jaar zijn discontovoet moest verhogen. De werkloosheid nam toe en in de fabrieken broeide verzet. De koloniale oorlog radbraakte de Portugese economie. In augustus 1970 moest de Portugese regering 35.000 soldaten inzetten in Mozambique en 30.000 in Portugees Guinea, dat nog geen half miljoen inwoners telde. Voor dat jaar bedroeg de oorlogsinspanning voor Angola alleen al 66 miljoen dollar. 50% van het staatsbudget ging op aan de oorlog in Afrika.

Dit alles was meer dan wat het armste land van West-Europa kon dragen. Caetano zag reeds in 1969 in dat er niet meer in de oude stijl kon worden verder geregeerd en overwoog hervormingen.

Hij begon met toegevingen die er in feite geen waren. De wet op de geheime politie, bijvoorbeeld op het einde van 1969. Caetano droeg de bevoegdheden van de PIDE over aan het ministerie van binnenlandse zaken. Vroeger moest de PIDE enkel gehoorzamen aan de premier zelf. De politieterreur werd niet op een democratische manier aan banden gelegd, maar gewoon op bureaucratische wijze omgeleid.

Nog een schijnhervorming: de wet op de vrijheid van meningsuiting als wetsvoorstel ingediend in december 1970. Naar aanleiding van de beloofde verkiezingen voor oktober 1973, kende deze wet aan de socialistische partij het recht toe om deel te nemen aan de verkiezingsstrijd. Maar in de kleine lettertjes stond wel dat de socialistische propagandacomités zich onmiddellijk na de verkiezingen moesten ontbinden, hun gedrukte propaganda moesten voorleggen aan de censuur en dat slechts de regeringspartij, de ‘Accao Nacional Popular’, toegang kreeg tot radio en televisie. Anders gezegd: de arbeiderspartij mocht wel deelnemen aan de verkiezingen, maar nadien niet blijven bestaan als partij; en vooral niet praten op televisie of radio over sociale zekerheid of loonsverhoging!

Toen Caetano enkele hardline-ministers verving door rechts-liberale politici en dit trachtte voor te stellen als de democratische hervorming van zijn leven, voegde het gegrinnik in de hutten van de boeren en de rijhuizen van de arbeiders zich samen tot een grote nationale schaterlach.

De arbeiders hadden zoveel vertrouwen in het gebeuren dat ze massaal thuisbleven tijdens de verkiezingen. Op een gemiddelde verkiezingsopkomst van 68% in heel het land, scoorden de industriële gebieden opvallend laag. In de arbeiderswijken van Lissabon kwam slechts de helft van de kiesgerechtigden opdagen. In het industriegebied Setubal ging slechts 40% naar de stembus. De socialistische leider en kandidaat Soares mocht niet eens het land binnen. Voor de communist Cunhal, bleven de grenzen gesloten tot na de revolutie van april 1974.

Maar deze boycot had er dan ook alles mee te maken dat de linkse partijen op 25 oktober ertoe opgeroepen hadden. (Een tactische blunder, want zelfs een gemuilkorfd en niet-representatief parlement dat verkozen is na vervalste verkiezingen is nog altijd een betere spreekbuis dan de illegale pers. En de aspirant-revolutionair weet dan men een parlement slechts mag boycotten als men het onmiddellijk aan de kant kan schuiven). Na de verkiezingen ging de repressie overigens onverstoorbaar verder. De november-campagne van de PIDE rolde de LUAR (Liga voor Eenheid en Revolutie) op en haar leider de la Palma Inacio werd voor een tweede keer sinds 1967 in de doos gedraaid.

Revoluties beginnen aan de top, bij de aarzelingen en verdeeldheid binnen de heersende klassen en hun politieke vertegenwoordigers. Zelfs de grote kapitalistische monopolies begonnen te protesteren tegen de peperdure oorlog in de kolonies. De meest rechtse generaals van hun kant vonden dat hij niet hard genoeg werd gevoerd. (Er werd nochtans overvloedig gebruik gemaakt van napalm en gifgas!) Zij eisten dan ook de terugkeer van de oude extreem-rechtse ministers in de regering.

Op 31 december 1973 maakte de regering bekend dat ze een poging tot staatsgreep had verijdeld van de ontslagen gouverneur van Mozambique, de rechtse havik Kaulza de Arriaga. Hoewel Caetano met het bericht van Arriaga’s mislukte couppoging wou bewijzen dat hij nog in staat was om zich te verweren, bereikte hij net het tegenovergestelde effect. Hij gaf tegen wil en dank toe dat de heersende kliek van Portugal hopeloos verdeeld was en dat het land voor hem onhandelbaar geworden was. De komedie was afgelopen.

De revolutie

In de loop van de eerste maanden van 1974 kwamen alle factoren die aan de grondslag lagen van de revolutie tot volledige rijpheid. De inflatie bereikte in 1974 een hoogtepunt van 30% en zwengelde bij de loonarbeiders de ontevredenheid aan tot een revolutionaire haat tegen de regering en het patronaat. De oorlogsmoeheid bij de soldaten kwam tot uitdrukking in het verloren gaan van de legerdiscipline. Soldaten en officieren begonnen elkaar met de voornaam aan te spreken, jonge radicale officieren begonnen openlijk revolutionaire en socialistische propaganda te voeren en richtten de linkse ‘Beweging van de Strijdkrachten’ op. De verdeeldheid omtrent het te volgen beleid in de kolonies, sloeg om in een algemeen defaitisme bij de burgerij en de legertop. Op 22 februari verscheen het boek “Portugal en de toekomst”. De schrijver, Generaal Antonio de Spinola, de oud-bevelhebber van de Portugese troepen in Portugees-Guinea nota bene, bepleitte de vorming van een lossere heerschappij over de kolonies, een soort federale heerschappij. Op zich een onechte toegeving omdat ook in het federale mode de uitbuitingsverhouding zou blijven bestaan. Maar wanneer dat uit de pen kwam gevloeid van iemand die op dat moment instond voor het terechtstellen van mensen die hetzelfde voorstelden, kon dit slechts de indruk wekken van radeloosheid en onbeholpenheid bij de gevestigde macht.

Op 18 maart schoot het regime van Caetano nog een keer uit haar sloffen, met de vervolging van jonge officieren, die zich vergist hadden van datum voor de staatsgreep. De datum van de “Beweging van de Strijdkrachten” voor de opstand was oorspronkelijk vastgesteld op 16 maart. Op het laatste nippertje werd de aktie evenwel uitgesteld. Het bericht van dit uitstel bereikte echter de kazerne van Caldas de Reinha niet en de soldaten moesten van hun collega’s -die de weg moesten bewaken naar de hoofdstad- vernemen dat de opstand was verschoven naar een latere datum. Zonder een schot te lossen keerde het vijfde cavalerieregiment met zijn vrachtwagens terug naar de kazerne. De vervolging van de soldaten was een foefje in vergelijking met wat hen te wachten had gestaan onder Salazar. De “Beweging van de Strijdkrachten” kwam ongeschonden uit dit avontuur.

De vijfentwintigste april werd het commerciële radiostation van Lissabon, radio Renaçenca, zeer vroeg in de ochtend bezet door de militairen. Het verzetslied “Grandola vila Morena” werd in de ether gestuurd en betekende het startsein voor de omsingeling van de Lissabon door de troepen van Viseu Santarem en Oporto. Dezelfde ochtend maakte de “Beweging van de Strijdkrachten” bekend dat ze het land volledig onder controle had en in de namiddag deed Caetano afstand van de macht.

En dit was slechts het begin…

De opstand van de militairen stak de lont aan een massabeweging van de arbeiders. 5000 arbeiders omsingelden de Caxias gevangenis, bevrijdden alle politieke gevangenen en joegen agenten van de PIDE en hun verklikkers uit de stadsbuurten en de bedrijven de cel in. Het radikaalste segment in de betoging van de eerste mei 1974 was ongetwijfeld de delegatie van de zeemacht die in haar slogans en op haar spandoeken onomwonden de socialistische revolutie eisten.

In mei groeide de beweging uit tot een algemene staking van 200.000 arbeiders. De oud-fascist Spinola die door het nodige bochtenwerk de leiding had kunnen nemen van de nieuwe regering, voelde het vuur onder zijn voeten branden.

Waarom leidde de Portugese revolutie niet tot de overwinning van het socialisme?

Elke revolutie, hoe ontroerend ook de spontaneïteit en de zelfopoffering van de deelnemers, heeft nood aan een organisatie, een partij, die zich op de gebeurtenissen heeft voorbereid en de machtsovername door de stakerscomités en de verdringing van alle overblijfselen van de oude orde organiseert. In Portugal was enkel de militaire opstand tot in de puntjes voorbereid.

De enigen die tot een definitieve installering van een arbeidersregering hadden kunnen komen, waren de socialisten en de communisten, maar zij riskeerden liever een militaire contra-revolutie van de rechtse generaals, dan het werk van de jonge officieren af te maken en ook de militaire junta (die volledig bestond uit oudgedienden van Caetano) van haar plaats te hijsen.

Dat dit zeer goed mogelijk was, wordt bewezen door het mislukken van de rechtse coup op 11 maart 1975. Deze, eigenlijk dwaze en wanhopige, poging van Spinola om de macht te herstellen, betekende bijna het einde van het Portugese kapitalisme. De arbeiders wisten wie de rechtse militairen de staatsgreep hadden ingefluisterd en eisten in de beweging -die hardhandig afrekende met de putschisten- de onteigening van de banken uit de handen van de kapitaalbezitters en democratische arbeiderscontrole over de economie. De kruitdampen in de straten van Lissabon waren nog niet opgetrokken of vijftig procent van de economie was openbaar bezit geworden. De grote aandeelhouders beschouwden Portugal als een “verloren zaak”.

Maar de “Beweging van de Strijdkrachten” was te sterk beïnvloed door de Oostblokdictaturen, om het vertrouwen van de arbeiders te behouden. De Communistische Partij verliet haar rechtse koers van het verleden, maar nam er een Stalinistische voor in de plaats. Dit leverde dan weer een overwinning op voor de socialisten in de verkiezingen van april 1975. Zij weigerden echter stappen te zetten naar het enige alternatief dat het arme Portugal economisch had kunnen ontwikkelen: geen kapitalistische democratie of stalinistische dictatuur, maar een democratisch socialisme, waarin de tot beleidsorganen uitgegroeide stakerscomités een democratische controle uitoefenen over ‘s lands economie en politiek.

In de strijd die zich ontspon tussen de onderwijl stalinistisch geworden “Beweging van de Strijdkrachten” en de Communistische Partij aan de ene kant en de socialisten aan de andere kant, bedienden de socialisten zich van een vage retoriek van “de verdediging van de democratie”. Waarmee ze eigenlijk bedoelden: een parlementair systeem waarin de oude macht van de kapitalisten en de grootgrondbezitters hersteld zou worden. De patstelling die op deze manier ontstond gaf de overblijvende rechtse krachten in het leger opnieuw een zeker zelfvertrouwen. Op 25 november 1975 bezetten de troepen van Lt. Kolonel Eanes de kazernes van de links-radicale soldaten en roept hij de noodtoestand uit in Portugal.

Doordat niemand hen wilde mobiliseren, bleven de arbeiders gewoon afzijdig. Anderzijds leidde de coup van Eanes niet tot het herstel van de diktatuur en het intrekken van de pas verkregen onafhankelijkheid van de Portugese kolonies. Eanes en de burgerij achter hem waren sluw genoeg om de arbeiders niet te provoceren met pogingen in die richting. In de grondwet van 2 april 1976 werden de genationaliseerde bedrijven nog beschouwd als “de bezittingen van de arbeiders”, maar dat was slechts dode letter. De socialistische regering onder Soares begon vanaf dat ogenblik via een parlementair regime uit te voeren wat de machtshebbers voor hem langs dictatoriale weg hadden verwezenlijkt: het afwentelen van de crisis op de arbeiders. “Vandaag”, schrijft de Militant International Review (voorloper van Socialism Today), “worden de Portugese arbeiders geconfronteerd met werkloosheid, een bevriezing van de lonen en de voortschrijdende privatisering van de staatseigendommen, de banken inbegrepen. Het analfabetisme bedraagt gemiddeld 20%, maar komt in bepaalde gebieden van het platteland op 40% te liggen. Maar de historische zending die voortvloeide uit de gebeurtenissen van twintig jaar geleden, blijft de Portugese arbeidersklasse achtervolgen. De 24-urenstaking in januari van dit jaar toont aan dat Portugal zich aansluit bij de heropleving van de arbeidersstrijd in Europa.” (MIR, april, 1994)

Zoals in België de ervaringen van de oudere arbeiders die de vurige jaren ’60 en ’70 hebben meegemaakt, in de staking van 24 en 26 november 1993, werden aangevuld door het nieuwe radicalisme van een generatie jonge arbeiders, scholieren en studenten … zoals in Frankrijk de veteranen van mei ’68 een vuist hebben gemaakt met een nieuwe laag van politiek bewuste arbeiders en schoolgaande jongeren en zo de rechtse regering op de knieën hebben gedwongen … zo zullen ook de ervaringen van 1974 van onschatbare waarde blijken voor de Portugese revolutie van de komende jaren.