Van brede arbeiderspartij naar revolutionaire partij

Wat is de theoretische grondslag van de eis voor een nieuwe, brede arbeiderspartij? Voor marxisten is theorie samengevatte historische praktijk. We baseren ons op de concrete ervaring van de arbeidersklasse en trekken lessen uit vroegere strijdbewegingen. Op die manier bereiden we ons politiek en organisatorisch voor op toekomstige bewegingen. Het is van enorm belang dat we de verschillende fazes in de ontwikkeling van de strijdbaarheid en het bewustzijn van de arbeiders onderzoeken.

Peter Delsing

Een eerste les die je uit de geschiedenis kan trekken, is dat de brede massa van de arbeidersklasse niet onmiddellijk tot revolutionaire conclusies komt wanneer haar leven onder het kapitalisme dooreen wordt geschud. Heel dikwijls zie je dat de brede lagen op basis van hun ervaring de beperkingen van het reformisme, links-reformisme en centrisme moeten overwinnen.

“Reformisme” is de idee dat je binnen het kapitalisme nog fundamentele sociale verbeteringen kan afdwingen. De sociaal-democratie van voor WOI verbond daar de idee van het socialisme in een “verre toekomst” mee. Latere reformistische leiders lieten dat perspectief meer en meer wegvallen. “Links-reformisme” staat voor de idee dat je grote delen, zelfs de sleutelsectoren, van de economie kan nationaliseren, zuiver op basis van een parlementaire strategie die in de richting van het “socialisme” gaat. Deze tendens ziet de rol van de kapitalistische staat (burgerlijk parlement, gerecht, leger en politie) niet in het verdedigen van het privébezit van de productiemiddelen. Het “centrisme” koppelt een revolutionair taalgebruik aan reformisme in de praktijk, een onvermogen om de correcte perspectieven en tactieken naar voor te brengen in de strijd voor de machtsovername door de arbeidersklasse.

De vraag die zich stelt is: hoe verhouden de meest bewuste, revolutionaire arbeiders en jongeren zich tot de brede lagen? Op welke manier moeten ze zich organiseren om zo efficiënt mogelijk in bredere bewegingen tussen te komen en de meerderheid van de bevolking te winnen voor een revolutionair-socialistisch standpunt?

Marx stelde in het Communistisch Manifest van 1848: “De communisten zijn, enerzijds, in de praktijk de meest resolute en vooruitstrevende sectie van de partijen van de arbeidersklasse van elk land; anderzijds, hebben ze op theoretisch vlak voor op de brede massa van de arbeiders dat ze de marsrichting, omstandigheden en uiteindelijke doelstellingen van de arbeidersbeweging duidelijk begrijpen.”

De Bond der Communisten van 1848 had nog vele kenmerken van een ondergrondse organisatie, gezien de repressie van de burgerij. In 1864 wordt de Internationale Arbeidersvereniging opgericht: de Eerste Internationale. Ze bestaat onder meer uit Engelse syndicalisten (waarvan velen meer reformistisch waren dan revolutionair), Franse socialisten en zelfs Italiaanse radicale burgerlijke nationalisten (Mazzini). Marx en Engels proberen via de Eerste Internationale het concept van een internationale organisatie van de arbeidersklasse breder te vestigen en een meerderheid te winnen voor een echt revolutionair programma.

Een verslechterende objectieve situatie – de nederlaag van de Parijse Commune in 1871 – en de meningsverschillen met de anarchist Bakoenin doen de Eerste Internationale echter opbreken. Engels schrijft: “Ik denk dat de volgende Internationale, nadat de geschriften van Marx enkele jaren ouder zijn geworden, direct communistisch zal zijn en onze principes zal overnemen.”

In 1889 wordt de Tweede Internationale opgericht, officieel socialistisch met een sterke marxistische invloed. In de praktijk is de Internationale echter meer een federatie van nationale partijen dan een eengemaakte revolutionaire kracht met een democratisch verkozen, gecentraliseerde leiding. De kloof tussen de revolutionaire woorden en de reformistische praktijk toonde zich in bijna alle sociaaldemocratische partijen doorheen hun steun aan de imperialistische wereldoorlog van 1914.

Enkel de bolsjevistische fractie van de sociaal-democratie in Rusland, rond Lenin, en enkele geïsoleerde marxisten in de rest van Europa bleven het revolutionaire internationalisme verdedigen. Lenin had zijn eigen concept van een “organisatie van revolutionairen” ontwikkeld. Met zijn boek “Wat te doen?” levert hij een speciale bijdrage aan de opvattingen over de relatie van revolutioniare socialisten tot de brede massa’s. Zijn concept van een strikte kaderorganisatie, in de plaats van een partij die direct de hele klasse probeert te omvatten, was beïnvloed door de omstandigheden onder de tsaristische politiedictatuur.

Dit concept heeft echter een meer algemene geldigheid. Niet alle lagen van de klasse hebben een zelfde niveau van strijdbaarheid of klassenbewustzijn. Een geschoolde kaderorganisatie moet de brede lagen van de klasse optrekken tot haar eigen niveau: ze mag zich niet aanpassen aan het allerlaagste bewustzijn. De revolutionaire partij kan niet onmiddellijk samenvallen met de brede lagen van de klasse: dat doet ze enkel op momenten van massale revolutionaire gisting.

Om de weg naar de massa’s te vinden hebben marxisten hun taktische opvattingen omtrent het werken binnen bredere partijen, of binnen eenheidsfronten van arbeidersorganisaties of -partijen, ontwikkeld. Het bestaan van een basisorganisatie en gemeenschappelijke strijd scherpen sowieso het klassebewustzijn aan. Revolutionairen moeten zich in een politiek eengemaakte fractie of stroming organiseren, maar mogen zich niet afscheiden, zich niet buiten de reële bewegingen van de klasse plaatsen. De idee van een nieuwe, brede arbeiderspartij is voor ons een tussenstap naar een revolutionaire massapartij.

Delen: Printen: