Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw

We beginnen met de publicatie van een aantal congresteksten van LSP en intern materiaal. Op ieder congres of iedere conferentie van onze organisatie wordt gewerkt met geschreven materiaal dat bediscussieerd en uiteindelijk gestemd wordt. Een belangrijk document dat we nu publiceren is de tekst "Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw", geschreven in 2003. Hieronder vind je het eerste deel (van twee).

Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw

De limieten van de globalisering

Onderstaande tekst is een aanvulling op de congresteksten van LSP/MAS van maart 2001 en oktober 2002. Hij behandelt het bestaan van een politiek vacuüm ter linkerzijde, de initiatieven om dit vacuüm – al was het maar gedeeltelijk – op te vullen, en vooral de inhoud die we geven aan de slogan voor een nieuwe arbeiderspartij. Aangezien die slogan een programmatorische conclusie is uit onze inschatting van de objectieve omstandigheden en de manier waarop die verder zullen ontwikkelen, willen we eerst met de lezer kort overlopen of deze perspectieven de test van de praktijk hebben doorstaan.

Perspectieven zijn geen blauwdruk voor de toekomst, geen voorspellingen maar prognoses. Ze zijn een leidraad tot actie, zodat we onze krachten politiek en organisatorisch kunnen voorbereiden op de meest waarschijnlijke ontwikkelingen. Ze verlenen ons het voordeel van vooruitzicht op verassing. Wat de inschatting van de internationale economische omgeving betreft blijven zowel de tekst van 2001 als die van 2002 moeiteloos overeind. Nieuwe technologie, het proces van liberalisering en tenslotte globalisering hebben, tegen de heersende opvattingen in, niet geleid tot een nieuw paradigma, d.i. een periode van ongebreidelde, aanhoudende groei, waarbij recessies voortaan tot de geschiedenis zouden behoren. Integendeel, zoals we schreven in de tekst van april 2001, heeft de globalisering haar limieten bereikt.

Vandaag kan dit evident lijken, maar lange tijd was dat allerminst aanvaard. De idee dat het kapitalisme dankzij de nieuwe technologie, cyberhandel en globalisering haar interne tegenstellingen, indien niet definitief dan toch voor een lange periode vergelijkbaar met die na WOII, had overwonnen, was wijd verspreid. Zelfs binnen onze eigen rangen waren er die dachten dat de klassenstrijd voor onbepaalde tijd uitgesteld was of op zijn minst fors in het defensief gedrongen. Sommigen verlieten de revolutionaire beweging, anderen grepen naar reformistische concepten in de idee dat maatschappijverandering toch voor lange tijd was uitgesloten. Nog anderen plooiden zich terug op zichzelf onder de slogan “goed dat er nog communisten zijn” of koudweg “om de ideeën te vrijwaren voor de toekomst”.

Zelfs de meer ernstige burgerlijke economen gingen ervan uit dat de crisis in 2001 hooguit een korte onderbreking zou zijn in een fase van groei. De Financieel economische tijd voorspelde begin 2001 nog een groei van 2,5% voor de VS. Op het WEF had men het over 1 tot 2% met mogelijks een 0-groei gedurende een kwartaal. Op dat ogenblik was de crisis echter al volop aan de gang. Achteraf zou blijken dat niet één, maar drie kwartalen een negatieve groei hadden gekend en dat de groei in 2001 nauwelijks 0,3% bedroeg. Correcte perspectieven stelden ons in staat op de beweging te anticipiëren, onder meer door de gedurfde oprichting van International Verzet, de anti-kapitalistische jongerenmars, de naamsverandering van Militant Links naar LSP, de verkiezingsdeelname onder eigen naam etc…

Andere “revolutionaire” organisaties lieten de beweging aan zich voorbij gaan (SAP/SJW, Rage/ALN, KP/PC, La Lutte, AET, Posadisten,…) of holden ze achterna (PvdA met D14 en Indymedia.be, Vonk met shipspotting, Anarchisten). Diegenen die de beweging tenminste nog achterna liepen, lieten hun partijprofiel zo goed als achterwege uit vrees de jonge activisten af te schrikken. Bovendien probeerden ze ons met bureaucratisch gemanoeuvreer hetzelfde op te leggen (verbod op vlaggen, vestjes, eigen pamfletten en spandoeken). Ze gaven de beweging geen oriëntatie mee naar de arbeidersbeweging, maar lieten zich meedrijven met de stroom. Dat levert misschien wel sympathie op, maar noch voor de beweging, noch voor de revolutionaire stroming biedt een dergelijke houding een uitweg.

Wij stelden (in de perspectieventekst van april 2001) dat we het verloop van de crisis, noch de timing, de duur of de diepte ervan konden voorspellen, dat we ons slechts konden voorbereiden op de meest waarschijnlijke scenario’s en verder… “De VS staan aan het begin van een neergaande fase. Die zal wellicht dieper zijn dan in ‘90-’91 en veel belangrijker internationale gevolgen kennen. Na verloop van tijd zal ze de hele wereld meeslepen in een recessie. De FED zal de recessie proberen tegen te gaan of op zijn minst proberen verzachten door de rentetarieven te laten zakken.” Pas halverwege 2002 zou de Amerikaanse overheid erkennen dat 2001 wel degelijk een recessiejaar was geweest. Tot dan ging men ervan uit dat over het gehele jaar de economie nog met 1,2% was gegroeid en enkel het laatste kwartaal een negatieve groei had gekend. Uiteindelijk moest men toegeven dat de jaargroei slechts 0,3% bedroeg en de groei enkel in het laatste kwartaal, dat volgend op de aanslagen van 11 september, positief was.

Onder de titel “naar een dubbele dip” weerlegden we in de tekst van oktober 2002 de stelling van de Bush-administratie dat de fundamenten van de economie gezond waren. De lage inflatie, de lage rente en de hoge productiviteit illustreerden volgens Bush en co dat het slechts een kwestie van weken en of maanden zou zijn vooraleer de VS-economie uit haar dal zou kruipen.Wij wezen erop dat de lage rente juist een gevolg was van de crisis (een poging om de markt te stimuleren), dat deflatie een groter gevaar was dan inflatie (het ondermijnt de winstgevendheid van de bedrijven) en dat de hoge productiviteit slechts een gevolg was van de opgedreven uitbuitingsgraad (en dus niet van de toepassing van nieuwe technologieën op grote schaal). “Dat laat veronderstellen dat een verdere toename van de productiviteit eerder afhankelijk is van sociale en politieke confrontaties, dan van technische innovaties”, voegden we eraan toe (oktober 2002).

De productiecapaciteit is de huidige kapitalistische markt ontgroeid

Deze belangrijke stelling werd dit jaar (2003) bevestigd in de stakingsbewegingen in Frankrijk, Italië, Duitsland en zelfs Oostenrijk. Ze wordt ook vanuit een andere hoek bevestigd: we krijgen steeds meer artikels te lezen waarin economisten de toename van de productiviteit niet als een zegen, maar als een vloek beschrijven. Zelfs na die jaren van afbraak van hele sectoren, van bedrijfssluitingen en rationalisaties, draait de VS-economie op slechts 74% van haar capaciteit, het laagste niveau sinds de recessie van ’91. Men spreekt nu van een groeirecessie, waarmee men bedoelt dat ondanks de – weliswaar magere – groei, de werkloosheid blijft toenemen. Wat drukt dat uit? Wetenschap en de technologie zijn voor handen, productiecapaciteit en geschoolde arbeidskracht eveneens, wat ontbreekt zijn voldoende koopkrachtige consumenten om al die producten op te slorpen. Dit is geen tijdelijk of conjunctureel verschijnsel, geen kwestie van het opgebruiken van de stocks vooraleer men weer volop kan produceren, maar het botsen van de huidige technische en wetenschappelijke mogelijkheden tegen de limieten van een markteconomie.

De kapitalist puurt zijn meerwaarde, waarvan de winst deel is, uit de onbetaalde arbeid van de arbeider. De arbeiders en hun gezinnen kunnen dus nooit alle goederen opkopen die ze geproduceerd hebben. Aangezien de kapitalisten slechts een kleine, krimpende minderheid van de bevolking zijn, kunnen zij dat evenmin. We kunnen ons trouwens de vraag stellen of ze de waardeloze prullen die ze aan de arbeiders wil slijten hoe dan ook zouden willen. Laatst verscheen een rapport over de kwaliteit van de Europese wagens. Die blijkt fors achteruit gegaan te zijn als gevolg van het zoeken naar steeds goedkopere onderdelen. Het kapitalistisch systeem neigt voortdurend naar onderconsumptie of overproductie. Vandaag heeft dat een kwalitatief punt bereikt, wetenschap en techniek zijn de huidige kapitalistische markt ontgroeid.

De burgerij beschikt uiteraard over instrumenten om de crisis voor zich uit te duwen. Door het opendraaien van de kredietkranen wil ze de marktcapaciteit om goederen op te slorpen uitbreiden. Eigenlijk spoort ze arbeiders en hun gezinnen aan hun toekomstige lonen vandaag al te consumeren. Dat heeft er in de VS toe geleid dat de gemiddelde schuld van een gezin nu 136% van haar jaarinkomen bedraagt. Op termijn is dat onhoudbaar. Ofwel moet de particuliere consumptie vastlopen ofwel blijven banken en kredietinstellingen opgezadeld met slechte leningen, wellicht wordt het een combinatie van beide. Eigenlijk zouden de schulden moeten afgebouwd worden, maar dat is onmogelijk indien men de economie niet te pletter wil laten lopen. Bijgevolg doet de overheid wat iedere toxicomaan zou doen: nog meer krediet inspuiten door de rentevoeten te laten dalen.

Wetenschap en techniek ondermijnen de winstvoet

Bovendien is de kapitalist, om het hoofd te bieden aan de alsmaar toenemende concurrentie, verplicht te produceren volgens de maatschappelijke norm, d.w.z. met de maatschappelijk voorhanden zijnde wetenschappelijke en technische middelen en minstens in overeenstemming met de maatschappelijk gemiddelde uitbuitingsgraad. Doet hij dat niet, dan gaat zijn zaak onvermijdelijk op de fles. Dat is meteen het meest fundamentele antwoord aan al diegenen die pleiten voor een kapitalisme met een menselijker gelaat. Een goeie of sociale kapitalist is een bankroete kapitalist, iemand die voortaan zijn arbeidskracht moet verhuren, zelfs indien hij iets beter betaald is. De kapitalist is bijgevolg verplicht steeds meer te investeren in machines, die steeds sneller moeten afgeschreven worden en steeds meer kapitaal vereisen.

Aangezien de meerwaarde voortvloeit uit de onbetaalde arbeid van de arbeider terwijl de concurrentiestrijd de kapitalist dwingt tot het besteden van een steeds groter aandeel van het beschikbare kapitaal aan vast kapitaal (machines, gebouwen, grondstoffen) ten koste van het variabele kapitaal (de huur van arbeidskracht), heeft de winstvoet of de hoeveelheid winst per geïnvesteerde éénheid kapitaal de neiging af te nemen. De kapitalist kan proberen de winstvoet te herstellen door continuarbeid, zodat de machines maximaal benut worden, managementtechnieken om de plaspauzes en andere niet productieve momenten weg te snijden etc… Fundamenteel is echter dat wetenschappelijke en technische vooruitgang de winstvoet ondermijnt!

Dat is meteen de onderliggende trend die de duizelingwekkende stijging van aandelenbeurzen en vastgoedprijzen doorheen de jaren ’90 verklaart. Waarom investeren in productie als je meer kunt verdienen met speculeren? Zelfs onze pensioenen heeft men enthousiast op de geldmarkten gegooid. Het probleem met aandelen is dat ze in laatste instantie een stuk van de reële productie vertegenwoordigen, dat ze dus vroeg of laat terug moeten naar hun reële waarde. Dat laatste geldt trouwens ook voor vastgoed. Hoge aandelenwaarden en vastgoedprijzen kunnen een illusie van rijkdom creëren en aldus een bijdrage leveren aan reële economische expansie, maar het is en blijft hoofdzakelijk een illusie. Bedrijven worden om die illusie in stand te houden verplicht tot creatieve boekhoudingen die de winstcijfers systematisch opblazen om de belegger niet af te schrikken Cfr. Lernhout &Hauspie, Enron, World.com…

Bovendien zorgt de dalende tendens van de winstvoet, de hoeveelheid winst per éénheid geïnvesteerd kapitaal, ervoor dat steeds grotere kapitaalsinjecties vereist zijn om de globale winst op peil te houden. Dit en de aantrekkelijkheid van de, zelfs nu nog, overgewaardeerde aandelenbeurzen en de vastgoedmarkt, die nog een forse correctie te wachten staat, zorgt ervoor dat ondanks de enorme opstapeling van rijkdom de bedrijven steeds meer snakken naar vers kapitaal. Via goedkoop krediet steekt de overheid een handje toe, maar dat heeft er in de VS wel voor gezorgd dat de bedrijven een enorme schuldenberg hebben opgestapeld.

Klassenstrijd als motor van de geschiedenis

Marx stelde dat een maatschappelijk systeem zichzelf in stand kan houden zolang het in staat is de productiekrachten verder te ontwikkelen. Dan wordt de heersende groep in de maatschappij, in dit geval de kapitalistische klasse, algemeen aanvaard als de leider van de natie. Kan het systeem de productiekrachten niet langer ontwikkelen – hetgeen zich uit in het feit dat de toename van de productiviteit, in minder tijd meer kunnen produceren, niet als een voordeel, maar als een vloek wordt beschouwd – dan treedt de motor van de geschiedenis, de klassenstrijd, in werking.

De klassenstrijd is geen veldslag van twee goed voorbereide legers in open veld, het is een oorlog met veel hinderlagen en tactische wendingen. Vooraleer de klassenstrijd de vorm aanneemt van een open confrontatie komen speldenprikken die de beslistheid van de tegenstanders moeten testen. Al jaren saneert de burgerij, al jaren worden diensten afgebouwd, arbeidscontracten uitgehold, flexibiliteit opgedreven etc… Dat gaat gepaard met een ideologisch offensief om ons ervan te overtuigen dat de privé veel efficiënter en rationeler werkt dan de overheid, dat de werklozen eigenlijk de profiteurs zijn, dat de migranten onze jobs afpakken etc… Tegelijk probeert de burgerij de organisaties van de arbeidersbeweging te infiltreren en te recupereren.

De burgerij is niet langer in staat om de productiviteit fundamenteel te doen toenemen. De productie stoot op de limieten van de markt. De globale maatschappelijke rijkdom opdrijven, waardoor iedereen hier of daar een graantje kan meepikken, zit er niet meer in. Bijgevolg is de burgerij verplicht de beschikbare rijkdom te herverdelen. Dat gebeurt ten aanzien van de voormalige koloniale wereld door oorlog en plundering zoals in Irak. Het gebeurt in de ontwikkelde kapitalistische landen door te snoeien in de sociale uitkeringen, de gezondheidszorg en de openbare diensten. Het gaat gepaard met bedrijfssluitingen, privatiseringen etc… In Europa liggen vandaag voorstellen op tafel als demotie (de lonen nemen af met het verouderen), het optrekken van de pensioenleeftijd, langere werkweek, beperking van het recht op een werkloosheidsuitkering etc…

Bush wil de krachtsverhoudingen op wereldvlak veranderen

De burgerij weet dat ze niet in een vacuüm opereert, dat een leger dat enkel kan chargeren en niet weet hoe het tactisch kan terugtrekken, misschien wel een veldslag kan winnen, maar zeker geen oorlog. De eenvoudigste waarheden zijn soms het moeilijkst te begrijpen, kijk maar naar de puinhoop die Bush, ‘s werelds belangrijkste politieke vertegenwoordiger van de burgerij, in Irak en heel het Midden-Oosten heeft gecreëerd. Van chargeren en plunderen weet Bush alles, hij onderschatte echter de haat onder de bevolking ten aanzien van het VS-imperialisme, de moeilijkheid om het land te stabiliseren en het verzet waarop de bezetting zou stoten.

De burgerij is verdeeld over de wijze waarop men de crisis moet aanpakken. Ze is verdeeld op allerlei mogelijke manieren, door de verschillende nationale belangen, van sector tot sector etc… Bush vertegenwoordigt dat deel van de burgerij dat bereid is de enorme militaire overmacht van de VS in te schakelen om de krachtsverhoudingen op wereldvlak fundamenteel te wijzigen in het voordeel van hoofdzakelijk de Amerikaanse burgerij, zelfs als dat ten koste gaat van de voormalige imperialistische bondgenoten. De aanslagen op 11 september 2001 leverden het ideale voorwendsel om die politiek in de praktijk om te zetten, officieel gaat het om een oorlog tegen het terrorisme, tegen de as van het kwaad.

Als een arrogante nieuwkomer hoonde Bush heel het machtsevenwicht dat zo zorgvuldig was opgebouwd na WOII weg. Hij passeerde de VN, spande de NAVO voor zijn kar, stooktje vuurtje binnen de Europese commissie etc… Bush wou duidelijk maken dat de VS vandaag het enige imperium zijn, dat ze desnoods bereid zijn militair hun wil op te leggen en dat organen als de VN enkel bestaan bij de gratie van de VS. Hij zou de wereld eens tonen wie de baas is. Door beslag te leggen op ‘s werelds 2de grootste olievoorraden wou hij de energiefacturen van de bedrijven drukken, de energievoorziening van de VS veilig stellen en de potentiële macht van de OPEC en Saoedi-Arabië in het bijzonder aan banden leggen.

Feitelijk betekent de politiek van Bush een poging om de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal op wereldvlak en tussen de VS en andere imperialistische machten kwalitatief te veranderen. Het instrument daartoe was de brutale rekolonisatie van Irak. Geen loutere economische kolonisatie via een marionettenregering die toch minstens de schijn kon opwekken van een sociale basis, zoals dat sinds WOII de gewoonte was, maar een directe militaire overheersing en een directe politieke machtsgreep met achter de hand een marionettenregering waarvan de hele wereld weet dat ze geen enkele sociale basis heeft in het land.

De naoorlogse periode: twee fundamenteel aan elkaar tegengestelde systemen

Een dergelijk arrogant en brutaal offensief was onmogelijk in wat men de periode van de koude oorlog noemde. Na WOII werd de wereld in Yalta zorgvuldig opgedeeld in invloedssferen. Heel de wereldpolitiek werd bepaald door het bestaan van twee fundamenteel aan elkaar tegengestelde systemen: het VS-imperialisme en haar bondgenoten in het Westen, gebaseerd op de kapitalistische markt gedomineerd door het financiekapitaal, versus het stalinistisch blok in het Oosten, gebaseerd op een genationaliseerde planeconomie, maar zonder enige vorm van arbeidersdemocratie.

Ondanks de bureaucratische verspilling bewees de planeconomie gedurende decennia in de praktijk haar superioriteit over de “vrije” markt. Lange tijd leek de Sovjetunie de meest productieve van alle kapitalistische economieën, die van de VS, te zullen bijbenen. De race om als eerste de maan te bereiken, werd hiervan de uitdrukking. Vooral in de neo- of semi- koloniale wereld oefende het voorbeeld van Rusland en later ook China een enorme aantrekkingskracht uit op de massa’s. De productiviteit en vooral ook de sociale voorzieningen van wat wij de “gedegenereerde arbeidersstaat” noemen in het geval van Rusland of de “gedeformeerde arbeidersstaten” in de andere gevallen, spraken tot de verbeelding. Bovendien onderhielden Rusland en ook China een totaal andere relatie met de landen in hun invloedssfeer dan het Westen.

Het Westen zette haar economische uitbuiting in het Zuiden gewoon door, zij het niet meer via een directe militaire kolonisatie, maar een indirecte economische, onder meer via voor het Zuiden ongunstige handelsrelaties. Het baseerde zich op marionettenregimes die de Westerse belangen op de meest brutale manieren moesten beveiligen. Kapitaal, onder de vorm van lageloonbedrijven, werd geëxporteerd naar het Zuiden, niet om er te produceren voor de thuismarkt, maar om de grondstoffen, halfafgewerkte en later afgewerkte producten op de westerse markt te gooien. Terwijl de na-oorlogse periode in de ontwikkelde kapitalistisch landen ongetwijfeld leidde tot een verbetering van de levensstandaard, gingen de meeste zuiderse landen er in diezelfde periode op achteruit.

Hoewel ook Rusland en later China ongetwijfeld economische belangen lieten meespelen in de relaties met de landen in hun invloedssfeer, kan hun houding niet omschreven worden als een imperialistische verhouding. Met uitzondering van Oost-Duitsland, waar na WOII zowat alles werd weggesleept door het Rode Leger om er de Sovjeteconomie mee herop te bouwen, was de relatie van de Sovjetunie ten aanzien van de landen in haar invloedssfeer er één van onrechtstreekse en in sommige gevallen rechtstreekse subsidiëring. Zelfs ten aanzien van Oost-Duitsland was de verhouding onmiddellijk na WOII er noch één van export van kapitaal – voor Lenin het belangrijkste kenmerk van imperialistische verhoudingen – noch één van een zoektocht naar nieuwe afzetmarkten – voor Rosa Luxemburg ten onrechte het beslissende element voor imperialisme.

Het bekendste geval van subsidiëring is Cuba. Het exporteerde suiker naar de Sovjetunie aan prijzen ver boven de marktprijs en importeerde tegelijk petroleum uit de Sovjetunie onder de marktprijs. Men zou kunnen argumenteren dat dit louter om politieke en ideologische reden was, tenslotte ligt Cuba aan de voet van de VS. Dat is wellicht gedeeltelijk juist. Laat ons niet vergeten dat stadsstaten als Singapore en Hong Kong en landjes als Zuid-Korea en Taiwan, de zogenaamde 4 draakjes, niet alleen hele delen van de economie genationaliseerd hadden, maar bovendien uitzonderlijk gunstige handelsrelaties genoten met de VS. Dat was omdat de VS voorbeelden nodig had als ideologisch tegengewicht tegen het “Communisme” van China, Noord-Korea en Vietnam.

In geen enkel land, waar ook ter wereld, was de verhouding van de Sovjetunie en China echter vergelijkbaar met die van het imperialisme in Latijns-Amerika, het Midden-Oosten, grote delen van Azië en Afrika. Vergelijk Cuba met de rest van Latijns-Amerika of het Afghanistan onder de door de Sovjetunie geinstalleerde preident Nadjibullah met Afghanistan onder de door de VS gesteunde Mudjaheddin, of China’s infrastructuur met die van India en of Indonesië… Nationale leiders uit de lokale burgerij of militairen als Nasser in Egypte, Quassem in Irak, Nyerere in Tanzanië (het zogenaamde Afrikaanse Socialisme), Rawlings in Ghana (pan-Afrikanisme), Khadafi in Libië of Sankara in Burkino Faso maakten gebruik van het labiele machtsevenwicht tussen de twee antagonistische (=fundamenteel aan elkaar tegengestelde) systemen om een eigen koers te varen.

In sommige landen nationaliseerden guerrillaleiders of lagere officieren het overgrote deel van de economie, zetten ze de eigen compradoreburgerij en het imperialisme buiten. Dat was onder meer het geval in Vietnam, Laos, Cambodja, Birma, Syrië, Angola, Mozambique, Benin en Ethiopië. Uiteraard spreken we hier over processen. Sommige van deze regimes stuikten ineen zodra het stalinisme in de Sovjetunie verdween, in andere werd het proces van transformatie naar een gedeformeerde arbeidersstaat nooit voleindigd. Die landen waren of waren op weg om gedeformeerde arbeidersstaten te worden. De meest volmaakte voorbeelden, de modellen, waren China en Cuba.

De val van het stalinisme

De val van het stalinisme viel niet zomaar uit de lucht. De materiële basis ervoor was de complete stilstand waartoe de economie sinds het einde van de jaren ’70 was gekomen. We hadden dat niet zien aankomen, niemand had het trouwens gezien. De officiële statistieken waren vervalst en geen enkele revolutionaire organisatie beschikte over een basis in die landen. Voor een genationaliseerde en geplande economie is arbeidersdemocratie als regelaar van de economische beslissingen evenzeer nodig als de markt onder kapitalisme.

Zelfs op basis van een bureaucratische planning kan een genationaliseerde economie functioneren, zolang het om een relatief éénvoudige economie gaat. In dat geval is de bureaucratie een relatieve rem op de ontwikkeling. D.w.z op basis van arbeidersdemocratie zou het systeem sowieso veel productiever zijn, maar zelfs met een bureaucratische kanker blijft de planeconomie in staat de economie te ontwikkelen. Naarmate de economie echter ontwikkelt, ingewikkelder wordt, verandert de bureaucratie van een relatieve in een absolute rem. De economie komt onvermijdelijk tot een volledige stilstand.

De intelligentere vertegenwoordigers van de bureaucratie waren zich hiervan bewust. Fases van centralisatie, waarin werd afgerekend met een deel van de meest corrupte elementen van de bureaucratie werden al onder Stalin afgewisseld met fases van decentralisatie. Hier had men echter niet meer af te rekenen met een conjuncturele fase van crisis, maar met een structureel probleem. Gorbatsjov probeerde de bureaucratie te redden door de herinvoering van enkele marktelementen (Perestroika) en iets meer democratie (Glasnost), geen arbeidersdemocratie, maar maatregelen gemodelleerd op het Westen. Wij stelden dat hij door “hervormingen van bovenaf” trachtte “revolutie van onderuit” te vermijden.

De LSP en het CWI hebben steeds de geplande en genationaliseerde economie blijven verdedigen, ook toen de PvdA de Sovjetunie nog “sociaal-imperialisme” of “staatskapitalisme” noemde en Cuba “het vijfde wiel aan de wagen van het Sovjetimperialisme”. We hebben nooit illusies gekoesterd in Gorbatsjov – destijds door de PvdA opgehemeld omdat hij “het socialisme herstelde”, hij kreeg zelfs een tribune in Solidair om de trotskisten eens grondig aan te pakken – noch Yeltsin – door de SAP, samen met de voormalige Nicaraguaanse president Ortega, “de hoop voor het socialisme” genoemd. We hebben ons steeds ondubbelzinnig afgezet tegen de stalinistische bureaucratie en uitgelegd dat enkel de arbeidersbeweging op termijn het behoud van de genationaliseerde en geplande economie zou kunnen garanderen.

De val van het stalinisme tussen ‘89-’91 was een keerpunt in de geschiedenis. Beslissend voor heel het verdere verloop. Het is te éénvoudig en onmarxistisch om, zoals de PvdA, dit proces te beschouwen als éénduidig contra-revolutionair. Er bestaat geen actie zonder reactie, geen revolutie zonder contra-revolutie, het zijn twee dialectisch tegengestelde keerzijden van eenzelfde proces. De bevolking was de stalinistische kliek meer dan moe. De bureaucratie zelf wou af van de geplande en genationaliseerde economie, ze wist alleen nog niet hoe ze zichzelf zou kunnen omvormen van een bureaucratische kaste naar een kapitalistische klasse.

De arbeiders eisten aanvankelijk meer democratische inspraak, ook en vooral in de bedrijven. Het gebrek aan een revolutionaire partij die voldoende was ingeplant in de bedrijven, de wijken en de scholen, deed de grote massa echter al snel hunkeren naar het enig mogelijke alternatief: kapitalisme. De verhalen over de levensstandaard in het Westen, de westerse producten deden de rest. In die zin is het waanzinnig om de revolutie in Oost-Europa en zelfs in de Sovjetunie van ‘89-’91 voor te stellen als het werk van radio Free Europe en de CIA.

Nieuwe wereldorde

Iedere maatschappij waarvan de productie onvoldoende ontwikkeld is om in alle behoeften te voorzien heeft nood aan regels en wetten die de verdeling van de schaarse middelen regelen. Bovendien is er nood aan een instrument van toezichters, bureaucraten, die instaan voor het naleven van die wetten en regels. De burgerlijke, kapitalistische maatschappij, beschikt over een bureaucratisch apparaat dat de dagelijkse controle over de administratie beheert. Naarmate de tegenstellingen binnen een maatschappelijk systeem toenemen – en de positie van de heersende groep in vraag gesteld wordt – groeit de behoefte aan zo een bureaucratisch controlemechanisme. Een extreme uitdrukking hiervan was het bureaucratisch apparaat onder het fascisme met een netwerk van verklikkers in de werkplaatsen, de scholen en de wijken.

De sovjetbureaucratie dankte haar bestaan aan de materiële achterstand en het isolement van de jonge arbeidersstaat. Naar de vorm vertoonde ze veel gelijkenissen met de fascistische bureaucratie die eveneens aan de macht was gekomen als gevolg van de politieke nederlagen van de arbeidersklasse en de materiële achteruitgang van de maatschappij. Eens aan de macht verenigde de fascistische bureaucratie zich echter met het grootkapitaal, wiens belangen ze in laatste instantie verdedigde. De Sovjetbureaucratie kopieerde de gewoontes van de burgerij, weliswaar zonder aanwezigheid van een nationale burgerij. Ze beschikte noch over aandelen, noch over obligaties. Haar privilegies waren uitsluitend gebaseerd op machtsmisbruik. Ze verborg haar inkomen en ontkende haar bestaan als sociale groep in de maatschappij. Ze eigende zich een groot deel van het nationaal inkomen toe, niet omwille van haar specifieke, historische rol in de ontwikkeling van de productie, maar louter als een parasiet.

De sovjetbureaucratie is er niet in geslaagd haar positie sociaal te onderbouwen onder de vorm van een specifieke eigendomsstructuur. Ze was verplicht de staatseigendom van de arbeidersstaat te verdedigen als bron voor haar macht en inkomen. In die zin bleef ze, ondanks haar reactionaire rol tot ’89 – ’91 een verwrongen instrument van de arbeidersbeweging, een bedreiging voor het imperialisme die de bewegingsvrijheid van het imperialisme fors beperkte en bovendien als gemeenschappelijke vijand de interne tegenstellingen tussen de verschillende imperialistische machten overschaduwde.

De sovjetbureaucratie baseerde zich net als de sociaal-democratische bureaucratie in het westen op een rechtse variant van het revolutionair socialistisch internationalisme. Bij de sociaal-democratie in het westen uitte zich dat in patriottisme, samenwerking met delen van de burgerij en de idee dat socialisme bereikt kon worden louter door hervormingen. Bij de Sovjetbureaucratie werd dat vertaald in socialisme in één land, de volksfrontpolitiek met de zogenaamde progressieve delen van de burgerij en onderschikken van de revolutie aan de verdediging van het socialistische vaderland. Het grote verschil ligt hem in de omgeving waarin ze werken: een gedegenereerde arbeidersstaat in het geval van de sovjetbureaucratie en een kapitalistische markteconomie in het geval van de sociaal-democratische bureaucratie.

Het bestaan van een alternatief maatschappelijk systeem onder de vorm van het stalinisme dwong de burgerij in de ontwikkelde kapitalistische landen tot verregaande toegevingen aan de arbeidersklasse onder de vorm van gedeeltelijke nationalisaties en sociale stelsels. Dat was meteen de materiële basis voor het succes van de sociaal-democratie in het Westen en tevens de enorme toename van de syndicalisatiegraad. Ondanks de walgelijke karikatuur waartoe het stalinisme het socialisme herleidde en ondanks de dubbelzinnige rol van de sociaal-democratische leiders, eigenlijk de luitenanten van het kapitaal binnen de arbeidersbeweging, zette hun bestaan een enorme rem op de bewegingsvrijheid van het imperialisme.

Het wegvallen van de gedegenereerde en/of gedeformeerde arbeidersstaten zorgde er niet enkel voor dat een deel van de stalinistische bureaucratie zichzelf omvormde tot de nieuwe kapitalistische klasse, maar ook dat de sociaal-democratische “arbeidersleiders” in het Westen afrekenden met hun sociale arbeidersbasis en openlijk de markteconomie omarmden. Sommige voormalige arbeidersleiders werden kapitalist of openlijke kapitalisten werden met open armen onthaald en opgenomen in de sociaal-democratische partijen, door Lenin destijds beschreven als burgerlijke arbeiderspartijen, burgerlijk in de leiding, proletarisch in de basis. Vandaag zijn die voormalige burgerlijke arbeiderspartijen ofwel zuivere burgerlijke partijen geworden of op weg om er te worden. Hun model is de Amerikaanse Democratische Partij. Dat proces noemen we een proces van verburgerlijking.

Op internationale schaal heeft het wegvallen van het stalinisme een belangrijke rem op de ambities van het imperialisme weggenomen, tegelijk is de gemeenschappelijke lijm tussen de verschillende imperialistische machten opgelost waardoor de spanningen tussen de imperialisten opnieuw toenemen en daarmee de kans op oorlog als verderzetting van politiek met andere, meer drastische, middelen.

De voormalige communistische partijen in het GOS

De uitkomst van ‘89-’91 betekende een zware nederlaag, niet alleen voor de bevolking van het voormalige Oostblok, maar voor arbeiders en arme boeren overal ter wereld. Die nederlaag is niet vergelijkbaar met het aan de macht komen van het fascisme in de jaren ’30, toen werd de arbeidersbeweging letterlijk geatomiseerd. Niettemin is de puinhoop die het kapitalisme sindsdien in Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie heeft aangericht een regelrechte catastrofe. De economische achteruitgang tussen ’91 en ’97 in de staten van de voormalige Sovjetunie is wellicht de grootste uit de geschiedenis van het kapitalisme. Meer dan de helft van de verouderde industrie verdween. Armoede, het niet uitbetalen van lonen, nationale en etnische conflicten en een enorme toename van racisme volgden. Dit werd nog verergerd door de plundering van overheidsbedrijven door ex-bureaucraten die zichzelf omschoolden tot gangsterkapitalisten.

De communistische partijen in de voormalige stalinistische staten waren eerder instituten, staatsinstellingen, dan partijen. Ze stuikten als puddingen ineen of werden instrumenten om de markt herin te voeren. De Russische CP van Zjuganov is een samenraapsel van oud bureaucraten, crypto-stalinisten en Russische nationalisten. Haar steun komt vooral van oudere, voornamelijk rurale lagen van de bevolking. Door het gebrek aan een massale arbeiderspartij wordt de partij door sommige arbeiders gezien als referentiepunt voor oppositie tegen Poetin en het Russisch kapitalisme. Ondanks hun oppositie of bedenkingen bij de leiding van Zjuganov beschouwen sommige arbeiders de partij als een kiesinstrument tegen Poetin. Waar de KP regionaal deelneemt aan de macht verliest ze echter electorale steun. In de zogenaamde “rode gordel” van industriële steden als Voronezh is de CP de controle die ze won in de jaren ’90 opnieuw kwijt gespeeld.

Het is mogelijk dat een aantal arbeiders bij de KP aansluiten in de naïeve hoop ze om te vormen tot een instrument voor de klasse. Een tijdelijke radicalisatie van delen van de partij is niet uitgesloten. In die zin verzetten we ons niet priincipieel tegen de idee van een tijdelijke oriëntatie ernaar wanneer zich kansen voordoen. In het algemeen is het op dit ogenblik echter efficiënter om een onafhankelijk alternatief aan te bieden aan arbeiders en jongeren die proberen antwoorden te vinden op de dagelijkse problemen en daarvoor inspiratie zoeken in de bolsjevistische tradities en het trotskisme.

Ondanks de radicaal klinkende namen, vertegenwoordigen noch de Communistische Partij, noch de Socialistische Partij, noch de Verenigde Sociaal Democratische partij van de Oekraïne echt de belangen van de arbeiders. Die laatste vertegenwoordigt een deel van de belangrijkste financiële en industriële groepen. De KP, geleid door Petr Simonenko, is ontstaan uit de oude KPSU met een reformistische structuur en een reformistisch programma. Haar steun komt vooral uit het Russisch sprekende Oosten, weinig uit het Oekraïense sprekende Westen. Ze werd electoraal afgestraft voor haar gebrek aan oppositie tegen de regering, vooral betreffende de privatiseringen, in het bijzonder in de regio’s waar de partij aan de macht is.

De CP maakt samen met de SP deel uit van een oppositieblok tegen president Kuchma. In dat blok, dat sterk aanleunt bij de VS en van daaruit gestuurd wordt, zitten ook de rechts radicaalpopulistische partij van Timoshenko en de neoliberale partij van voormalig premier Yushenko. Links van de CP won de Progressieve Socialistische Partij 11% bij de laatste presidentsverkiezingen op basis van een manifest geïnspireerd door Trotski’s “Verraden Revolutie”. De laatste twee jaar heeft de PSP haar radicaal programma echter begraven, officiële relaties aangegaan met zakenlui uit Kiev en een alliantie met Saddam Hoesseins’ Baath Partij aangekondigd. In de parlementsverkiezingen viel de PSP terug naar 3%. De Oekraïense arbeidersklasse, potentieel een van de sterkste van Europa, is gedesoriënteerd. Onze sectie roept op voor een echte arbeiderspartij. Op dit ogenblik ligt de nadruk echter op het opbouwen van een open afdeling van het CWI.

De top van het GOS in 2002 in Kishenev, de hoofdstad van Moldavië, toonde het echte karakter van de post-stalinistische Communistische Partijen in het GOS aan. Terwijl een delegatie van diens partij in Moskou de andere KP-leiders probeerde te overtuigen dat Moldavië zich verzet tegen het extremisme van de huidige GOS-leiders, beloofde om de amerikanisering van de economie en de aanvallen tegen de arbeiders tegen te gaan en opriep om het GOS te vervangen door een nieuwe unie gebaseerd op de solidariteit van de arbeidersmassa’s, had de Moldavische president en KP-leider Voronin een brunch met Poetin en leiders van andere republieken, waarop hij een vrijhandelszone in het GOS en integratie van de regio in de Europese Unie voorstelde. Sinds Voronin aan de macht kwam met de belofte om een eind te maken aan de ravage van de markteconomie, is het tempo van de privatiseringen opgedreven en beloofde Voronin alle aanbevelingen van het IMF te respecteren.

In Kazachstan werd in 2001 met de oprichting van de “Democratische Keuze”, een liberale burgerlijke partij geleid door voormalige ministers en president Nazarbajevs’ schoonzoon, de heersende klasse gesplitst. Inzet zijn ‘s lands rijkdommen waarvan een deel van de burgerij zich uitgesloten voelt bij de privatisering van de industrie en de verdeling van regeringspostjes. Deze “jonge turken”, die zogezegd vechten voor democratische rechten, proberen alle oppositie te verenigen in één partij. Het heeft de verrechtsing van de KP versneld met uitsluiting van de linkervleugel, inclusief het CWI, tot gevolg en de aankondiging van partijleider Abdildin dat hij aansluit bij het centraal comité van Democratische Keuze. Dat is een normale ontwikkeling voor de KP die zich altijd al gebaseerd heeft op de verkeerde idee dat de arbeidersklasse een alliantie moet aangaan met de nationale burgerij. Wij zitten in een sterke positie om het vacuüm dat de KP achterlaat aan te boren.

Oost-Europa

Oost-Europa heeft hetzelfde proces ondergaan als het GOS, zij het misschien in minder extreme mate. De kapitalistische restauratie ging gepaard met alle buitensporigheden van het systeem: werkloosheid, toename van drugsverslaving, dakloosheid, prostitutie en aanvallen op vrouwenrechten.

In sommige landen proberen ze zich om te vormen tot sociaal-democratische partijen. Als gevolg van de puinhoop die het herinvoeren van het kapitalisme teweeg bracht, kunnen de overblijfselen van de voormalige communistische partijen af en toe electorale overwinningen boeken. Ze kunnen echter onmogelijk stabiele formaties worden naar het model van de sociaal-democratie in het Westen na WOII, dat model was gebaseerd op een uitzonderlijke periode van groei van het kapitalisme. Het bleef trouwens beperkt tot de meest ontwikkelde kapitalistische landen.

Omdat ze gezien worden als de erfgenamen van het stalinisme, kunnen deze partijen net zo min de rol spelen die we zouden verwachten van een nieuwe arbeiderspartij nl. de door de massa’s erkende belangenverdediger en mobilisator van heel de arbeidersklasse achter haar gemeenschappelijke belangen. Dat wil niet zeggen dat er niet af en toe secties van die partijen kunnen radicaliseren, Nergens ter wereld is het effect van de val van het stalinisme nog zo dominant als in de voormalige sovjetunie en het Oostblok. Ook daar zullen de concrete materiële condities echter leiden tot een heropstanding van de arbeidersbeweging. In de loop van die bewegingen zal de nood aan een onafhankelijk politiek instrument voor de arbeiders geleidelijk opgeworpen worden. Vandaar dat onze secties in die landen eveneens propaganda voeren voor een nieuwe arbeiderspartij. Het zal echter grote bewegingen vereisen vooraleer die oproep een maatschappelijke kracht kan worden.

Het is niet uit te sluiten dat delen van de communistische partijen of hun opvolgers zullen deelnemen aan dat proces. Een nieuwe arbeiderspartij in die landen kan echter onmogelijk gebaseerd zijn op de erfgenamen van het stalinisme, ze zal pas levensvatbaar zijn als ze erin slaagt nieuwe lagen van jongeren en arbeiders aan te trekken. Meer dan waar ook ter wereld is de oproep voor een nieuwe arbeiderspartij er een propagandistische slogan. De nadruk van onze secties moet er liggen op de uitbouw van de revolutionaire partij, waar mogelijk in combinatie met eenheidsfronttactieken.

De koloniale revolutie

In de neo-koloniale wereld is door het wegvallen van de bi-polaire wereldrelaties iedere mogelijkheid van een eigen koers, anders dan de socialistische revolutie, weggevallen. In het tijdperk van de koude oorlog had iemand als Laurent Kabila wellicht de bipolaire tegenstellingen kunnen uitspelen. In het tijdvak sinds de val van het stalinisme moest Kabila een keuze maken, ofwel breken met het kapitalisme en zijn zogenaamde volkscomités omvormen tot organen van de revolutie, ofwel ten onder gaan aan de druk van het imperialisme. Kabila bleef ergens tussenin schipperen en moest dat uiteindelijk bekopen met diens leven. Diens opvolger en zoon Joseph Kabila is een trouwe uitvoerder gebleken van het programma van het imperialisme.

Toen Kabila in mei ’97 de macht greep werd ons door de aanhangers van de PvdA, Congo-specialist en auteur van het boek over de moord op Lumumba, Ludo De Wit en één van onze eigen leden op de mouw gespeld dat de voorwaarden voor een socialistische planning van de productie in Congo niet aanwezig waren. Ze stelden: “eerst moet er een periode zijn van kapitalistische ontwikkeling, tijdens dewelke een arbeidersklasse gevormd wordt. Nu zijn we in het stadium van de nationaal democratische revolutie, een stadium waarin de arbeiders, de arme boeren en delen van de burgerij samen de strijd tegen het imperialisme aanbinden.”

Deze stalinistische 2-stadia theorie hing ook Kabila aan. Hij wou het grootkapitaal “gebruiken” bij de heropbouw van het land, een “sociaal gecorrigeerde markteconomie” creëren. Wij stelden dat Kabila zaken probeerde te verenigen die niet verenigbaar zijn, en dat dit op termijn zou leiden tot het uiteenvallen van de regio en de Balkanisering van Congo.

Wat had Kabila dan wel kunnen doen? Hij had de arbeiders en boeren kunnen betrekken bij het opstellen en toepassen van een plan van wederopbouw, beslag kunnen leggen op de goederen en gelden van de Mobutu-kliek om een massaal programma van infrastructuurwerken op te starten. Hij had de sleutelsectoren van de economie kunnen nationaliseren, een staatsmonopolie kunnen instellen dat de uitvoer van de rijkdommen controleerde. Hij had zich kunnen baseren op de massa’s door vrije vakbonden toe te staan, de volkscomités uit te bouwen en allerlei sociale projecten op te starten. Op die manier had hij onafhankelijk kunnen blijven ten aanzien van het imperialisme en de belangen van de bevolking centraal kunnen stellen. Het zou een voorbeeld geweest zijn voor heel zwart Afrika en een aantrekkingspool voor internationale solidariteit.

Wij beweren niet dat dit allemaal gemakkelijk geweest zou zijn. De reactie zou niet uitgebleven zijn. Een directe inval door het imperialisme in Congo zou echter op een massale beweging, zeker in zwart Afrika, gestoten zijn. Uiteraard zou het onmogelijk geweest zijn een dergelijk regime in isolement te consolideren, internationale solidariteit en uitbreiding van de revolutie naar andere Afrikaanse landen zou daarvoor nodig geweest zijn. Die kansen werden echter verkwanseld met een van de grootste massaslachtingen uit de geschiedenis als gevolg.

Diezelfde 2-stadia theorie werd op aanraden van de ex-trotskisten van de Australische Democratic Socialist Party aangehangen door de Indonesische PRD. De PRD was een belangrijke kracht op het ogenblik van de revolutie tegen dictator Suharto. Uiteindelijk werd de revolutie afgeleid naar het aan de macht komen van en coalitie met Megawathi Sukarnoputri en Amians Rais (de leider van het Moslimfront). Intussen zijn ook leden van de Golkarpartij, de partij van voormalig diktator Suharto, in de regering opgenomen. Er bestaat geen tussenweg meer tussen reactie en revolutie, de nationaal democratische revolutie is een concept voor imperialistische overheersing en onderwerping van de massa’s.

De periode tussen WOII en de val van het stalinisme in ‘89-’91 was een uitzonderlijke periode. Het labiele evenwicht tussen twee antagonistische systemen stond een afwijking toe op de theorie van de permanente revolutie. Die zegt onder meer dat in het tijdperk van het imperialisme, als de wereld verdeeld is tussen de verschillende imperialistische machten, enkel de arbeidersbeweging, gesteund door de arme boeren, de taken van de burgerlijke revolutie kan vervullen d.i. herverdeling van de grond en het creëren van één natie. Dat ze om die verworvenheden te consolideren niet kan stoppen bij de taken van de burgerlijke revolutie, maar verplicht is door te stoten tot de socialistische revolutie door het nemen van socialistische maatregelen. Voorts wijst de permanente revolutie op de internationale effecten van de revolutie. De naoorlogse periode leek deze analyse tegen te spreken. Niet de arbeidersbeweging gesteund door arme boeren, maar boerenlegers en lagere officieren maakten een einde aan het grootgrondbezit en het kapitalisme. Ze kopieerden het stalinistische model, door Trotski beschreven als een overgangsregime tussen kapitalisme en socialisme.

Radicaal burgerlijke formaties en arbeiderspartijen

Met het wegvallen van de Sovjetunie is een einde gekomen aan dit tijdperk. Voormalige guerrillabewegingen hebben de wapens neergelegd en meteen ook alle socialistische retoriek laten varen. Het FSLN in Nicaragua en het FMLN in El Salvador hebben de wapens neergelegd. Het ANC in Zuid-Afrika en de Peronisten in Argentinië aanvaarden het neoliberalisme. De FARC en het ELN in Colombia zetten hun militaire campagne voort, maar hebben, zoals het FSLN, de markt aanvaard. Radicale burgerlijke formaties die in sommige landen in het verleden de steun genoten van de arbeidersbeweging hebben een draai naar rechts genomen en de vrije markt aanvaard.

In het verleden, in een aantal landen van de voormalige koloniale wereld, hebben secties van het CWI werk verricht binnen en rond radicale burgerlijke formaties met een belangrijke basis onder arbeiders en andere onderdrukte lagen. In Argentinië binnen de Peronisten, in Sri Lanka in en rond de SLFP en de SLMP, in Pakistan in de PPP. De verrechtsing van die formaties heeft echter de houding van de massa’s ertegenover veranderd. Bijgevolg hebben we deze tactiek de laatste jaren moeten verlaten. De meeste van die secties hebben andere methodes van “eenheidsfronttactieken” toegepast om een bredere laag van arbeiders en jongeren te bereiken. De United Socialist Party van Sri Lanka nam eind de jaren ’90 deel aan een nieuw links front. In geen enkele van die gevallen hebben we echter ons onafhankelijk politiek en organisatorisch profiel laten varen.

De flexibiliteit van onze tactieken werd aangetoond in het geval van onze Nigeriaanse sectie. Ons werk binnen de National Conscience Party bevat zowel elementen van een éénheidsfront als elementen van entrisme. Op het einde van de jaren ’90 hebben we een publieke, onafhankelijke, organisatie gelanceerd, de Democratic Socialist Movement, tegelijk zijn we blijven werken binnen en rond de NCP, een radicale burgerlijke formatie. Voor sommige zuivere marxisten begaan we hiermee een doodszonde, zij menen hierin de stalinistische volksfrontpolitiek te erkennen. De periode vandaag in heel wat koloniale landen is echter in geen geval vergelijkbaar met die van de volksfrontregeringen in Frankrijk en Spanje in de tweede helft van de jaren ’30.

De leiding van de vakbonden in die landen zit, vooral sedert de val van het stalinisme, met handen en voeten vast aan de Westerse sociaal-democratie en onderschrijft de vrije markt. Al jaren wordt in de NLC (Nigerian Labour Congress) gediscussieerd over de creatie van een sociaal democratische partij (SDLP – Social Democratic Labour Party). Intussen hebben we een massale beweging gekend voor democratie, resulterend in een burgerlijk regime. De formatie die zich het meest consequent hierin heeft opgesteld was de NCP van Ghani Fawehimni, een schatrijke advocaat. Die partij heeft duizenden arbeiders en jongeren aangetrokken en staat bekend als de partij van de oncorrumpeerbare Ghani. Het zou een catastrofale fout geweest zijn om zich buiten dit proces op te stellen. Als er een nieuwe arbeiderspartij tot stand komt in Nigeria, dan zal de NCP, of delen ervan, wellicht een cruciale rol spelen in dit proces.

De creatie van nieuwe radicaal burgerlijke formaties in de voormalige koloniale wereld zal een flexibele tactiek van onze afdelingen vereisen. We moeten erop voorbereid zijn binnen en rond die partijen te werken. Indien we een afdeling hadden gehad in Mexico dan zou die zich wellicht georiënteerd hebben op de radicaal burgerlijke PRD toen die opgericht werd in ’80. Hoewel die partij nog steeds electorale steun geniet, is ze fel naar rechts gedraaid en zijn de illusies erin fors afgenomen.

In landen als Venezuela (Chavez) en Ecuador (Gutierrez) zijn links populistische regimes aan de macht gekomen. In beide gevallen verwelkomen wij de massabeweging van de armste lagen van de bevolking die deze populisten aan de macht bracht. De omverwerping van couppleger en patroonsbaas Carmona amper 12 uur nadat hij de macht greep, was een slag in het gezicht van de VS en de Venezolaanse burgerij. De cruciale factor in de nederlaag van de coup was de massale mobilisatie van de bevolking, het was dit dat het leger het zelfvertrouwen verschafte om Chavez terug te halen. Chavez begreep dit en versterkte zijn Bolivariaanse kringen. We weten niet wat die vandaag nog voorstellen en in hoeverre het autonome organen zijn. Het is niet uitgesloten dat we actief zouden zijn binnen die kringen indien we in Venezuela een afdeling hadden. De fundamentele zwakte van Chavez, en zeker van Gutierrez, is echter dat hij op dit ogenblik geen breuk met het kapitalisme wil, dat betekent dat hij zich onvermijdelijk tegen de beweging zal keren in een later stadium.

Het proces van verburgerlijking van de voormalige arbeiderspartijen grijpt ook plaats in de ex-koloniale wereld. De Chileense socialistische partij die onder president Allende (‘70-’73) verplicht was, onder druk van de arbeidersklasse en de partijbasis, veel verder te gaan dan de partijleiding bedoeld had, steunt sinds haar deelname aan de “centrum-linkse” coalitieregeringen met de Christendemocraten, een neoliberaal beleid. De PS ministers verdedigden in ‘98 het politieoptreden tegen linkse betogers naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de militaire coup door Pinochet.

Die ontsnapte in 2000, met de hulp van Labour, slechts door zijn “kritieke gezondheidstoestand” aan een uitlevering door London aan Frankrijk, België, Zwitserland en vooral de Spaanse rechter Garzon. Eens terug in Chili bleek de doodzieke en kreupele Pinochet echter springlevend. Huidig president Ricardo Lagos Escobar, na Allende Chili’s tweede “socialistische” president smeekte Pinochet niet teveel sier te maken. In 2001 werd Pinochet door een Chileense rechtbank definitief buiten vervolging gesteld omwille van zijn mentale toestand. Door het rechste regeringsbeleid van de PS en haar verraad ten aanzien van de slachtoffers van de dictatuur heeft de Chileense communistische partij sinds ’97 een zekere electorale steun genoten (ongeveer 5%)

De Braziliaanse PT

In sommige landen verloopt het proces van verburgerlijking trager dan elders. In de Braziliaanse PT is dat proces nog steeds niet voleindigd. De PT werd gevormd in 1980 na de historische metaalstaking van 1978. Die leidde tot een massale strijd die in ’85 het lot van het militaire regime bezegelde. Volgens haar politieke verklaring van ’79 werd de PT gevormd om “een politiek kanaal te creëren voor de stedelijke en plattelandsarbeiders en allen die door het kapitalisme worden uitgebuit.” De beginselverklaring benadrukte dat de nieuwe partij vertegenwoordigers van de uitbuitende klassen zou weigeren… “de PT is een partij zonder patroons”.

De PT ontstond in het tijdperk van de Sandinistische revolutie in Nicaragua en de mobilisaties van Solidarnosc tegen het stalinistisch regime van Jaruselski in Polen. Onder invloed van die gebeurtenissen nam de PT een kritische houding aan zowel ten opzichte van de traditionele sociaal democratie als ten aanzien van de stalinistische regimes. Tegelijk verklaarde de PT zich solidair met de revolutionaire gebeurtenissen in Latijns-Amerika. De Partij werd een aantrekkingspool voor strijdbare syndicalisten die ze verenigde in één politieke partij met stedelijke bewegingen beïnvloed door de basis van de Katholieke kerk, bewegingen van landarbeiders, linkse intellectuelen en overblijfselen van de oude linkse organisaties zoals afsplitsingen van de KP en van het gewapend verzet tegen de dictatuur.

De nipte nederlaag van Lula tegen Collor in de presidentsverkiezingen van ’89, de impact van de val van het stalinisme en de nederlaag van de Sandinisten in Nicaragua in ’88 dreef de PT-leiders naar meer gematigde posities. Op het congres van ’91 evolueerde de meerderheid van de PT naar sociaal-democratische posities. Toen Collor in ’92 werd afgezet door een massale beweging steunde de PT vice-president Franco in plaats van nieuwe verkiezingen te eisen. De burgerij kon zich daardoor herstellen en haar kandidaat, Cardoso, won de verkiezingen van ’94 en ’98. De neo-liberale maatregelen werden opgedreven maar de tweede regering Cardoso was voortdurend in crisis.

Het was in die context dat de PT de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 en uiteindelijk de presidentsverkiezingen van 2002 won. Hoewel de PT niet meer is wat ze geweest is, geniet ze nog steeds een enorme autoriteit. De meeste activisten en leiders van massaorganisaties bevinden zich nog steeds in de PT. In de verkiezingen had Lula de steun van de belangrijkste massaorganisaties van arbeiders en jongeren o.a. van de CUT, MST en de nationale studentenorganisaties. Niettemin verklaarde hij zich te zullen houden aan het akkoord dat Cardoso tekende met het IMF, alle bestaande contracten na te leven en geen eenzijdige stappen te zullen ondernemen. Zijn regeerprogramma is gebaseerd op economische groei en een sociaal pakt van regering, arbeiders en patroons.

De PT sloot allianties met de traditionele partijen en regionale patroons van de Braziliaanse burgerij. Lula’s vice-president is Alencar van de Liberale Partij, een senator die behoort tot de belangrijkste patroons en de steun genoot van twee voormalige presidenten, Sarney en Franco. De strategie en het programma zijn niet socialistisch, maar een poging om het kapitalisme beter te beheren dan de kapitalisten zelf. Het akkoord van Cardoso met het IMF legde de regering vast op een begrotingsoverschot van 3,75%, wat alleen kan door drastisch te bezuinigen op sociale uitgaven. Lula legde de lat nog hoger en bereikte een overschot van 4,4%. Eigenlijk worden de bezuinigingen op sociale uitgaven aangewend om de buitenlandse schuld af te lossen.

Dat allemaal weerhield de tendens Socialistische Democratie (de Braziliaanse sectie van het VSVI) er niet van tot de regering toe te treden. Miguel Rossetto, één van de belangrijkste leiders van DS is als minister van landbouw verantwoordelijk voor de landhervormingen. Uit ongenoegen voor het uitblijven van hervormingen zijn duizenden gezinnen in de noordelijke staat Mato Grosso overgegaan tot landbezettingen onder leiding van de lokale MST. Volgens Rosetto overschrijden die landbezettingen de grenzen van democratisch protest. De federale politie werd erop af gestuurd! Senator Heloisa Helena, eveneens lid van DS, die nochtans een linkse reputatie geniet, tekende afwezig toen Mereilles, een open vertegenwoordiger van de burgerij en het imperialisme door de senaat aangeduid werd als voorzitter van de Centrale Bank. Ze kwam evenmin opdagen toen de voormalige rechtse president Sarney als voorzitter van de senaat verkozen werd.

Een van de meest omstreden maatregelen van de regering was een diepgaande hervorming van het pensioenstelsel. De pensioenleeftijd gaat van 53 naar 60 jaar voor mannen en van 48 naar 55 jaar voor vrouwen, arbeiders zien hun pensioenbijdrage tegelijk stijgen met 11%. Het stelsel wordt voorbereid op privatisering van de pensioenfondsen. De overheidspensioenen dalen tot 70% van het laatst verdiende loon. Het IMF dringt al jaren aan op die hervorming maar stootte steeds op tegenstand van de CUT en van de PT. De hervorming kon enkel goedgekeurd worden met de steun van de rechtse oppositie maar stoot op een enorme stakingsbeweging van de ambtenaren.

Van de 92 federale parlementsleden van de PT stemden er 80 voor de hervorming, 8 onthielden zich en 3 parlementsleden stemden tegen. Die drie, senator Heloisa Helena en kamerleden Joao Battista Baba en Luciana Genro worden nu met uitsluiting uit de PT bedreigt. De leiding van DS riep op om voor de hervorming te stemmen om de éénheid in de PT te bewaren! Al hun verkozenen stemden voor, met uitzondering van Heloisa Helena die tegenstemde en twee andere DS-leden (Walter Pinheiro en Orlando Fantasini) die zich onthielden.

Socialismo Revolutionario (de zusterorganisatie van LSP) werkt eveneens als tendens in de PT. Wij hebben de ambtenarenstaking volledig gesteund. We verzetten ons tegen de aarzelende positie van delen van de linkerzijde van de PT. De draai naar rechts binnen de PT, de mogelijke uitsluiting van de ‘radicalen’, de aarzeling van een deel van de linkerzijde en de splitsingen van zowat alle linkse tendensen … bieden enorme mogelijkheden om een nieuwe linkse partij in Brazilië op te bouwen. De arbeidersbasis van de PT en de arbeiders die de PT steunen zullen dit niet blijven doen als de regering haar rechts beleid verder zet.

Europa: de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen – ontstaan

Het zou normaal gezien niet meer nodig zijn uitgebreid in te gaan op het karakter van de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen – de sociaal-democratie en de communistische partijen, daar waar ze over een massabasis beschikken – in Europa. De gebeurtenissen van de jaren ’90 hebben onze analyse over die formaties meer dan bevestigd. De recente verkiezingsoverwinning van PS en Spa-Spirit hebben echter, vooral bij linkse intellectuelen, de illusies in die formaties een nieuwe impuls gegeven. Onze voormalige minderheid rond het maandblad Vonk kon het niet nalaten er na de verkiezingen van 18 mei triomfantelijk op te wijzen dat LSP – “eigen vaandel eerst” (sic) – maar liefst een miljoen stemmen minder behaalde dan de SP.a.

Veel belangrijker dan de déja vu van Vonk is echter het feit dat heel wat nieuwe LSP-leden nooit het bestaan van een burgerlijke arbeiderspartij en de houding van de marxisten ertegenover hebben mogen meemaken. Het is nochtans een ervaring waarvan onze leden op de hoogte moeten zijn, ook al omdat het integraal deel uitmaakt van de geschiedenis van onze stroming. Naarmate de klassenstrijd ontwikkeld zal de kwestie van een nieuwe arbeiderspartij zich steeds dringender stellen. Waar we voorheen alleen waren in het zoeken naar een oplossing voor het vacuüm ter linkerzijde, komen nu ook andere linksen stilaan aan die kwestie toe. Dat gaat echter gepaard met enorme verwarring, een verwarring die toeneemt met het aantal mislukte pogingen.

De vorming van vakbonden en onafhankelijke arbeiderspartijen aan het einde van de 19de eeuw als gevolg van massale gebeurtenissen was een enorme stap vooruit voor de arbeidersbeweging. In Duitsland werd met de fusie van de Allgemeine Deutsche Arbeiterverein en de Sozialdemokratische Arbeiter Partei in 1875 te Gotha de SPD opgericht o.l.v. voornamelijk marxisten, tegen 1912 was het de grootste fractie in de Rijksdag. In Oostenrijk werd in 1872 de sociaal-democratie opgericht. In Frankrijk duurde het tot 1905 eer de SFIO ontstond o.l.v. Jaurès en Guèsde. In Engeland werd in 1900 de Labour Representing Committee opgericht dat in 1906 werd omgedoopt tot Labour Party, waarvan datzelfde jaar 29 parlementsleden verkozen werden.

In Zuid Europa woog de invloed van de Bakoeninisten door. In 1873 en 1874 ondernamen zij een reeks pogingen voor een putsch in Bologna en andere grote steden. In 1877 werd dit nog eens overgedaan in het dorp Litino. Pas na de toenemende industrialisatie in Noord-Italië werd in 1892 uiteindelijk de PSI opgericht. In Spanje wogen vooral de anarcho-syndicalistische CNT en de anarchistische FAI door onder landarbeiders en ongeschoolden. De mijnwerkers van Asturië en geschoolde industriearbeiders richtten de UGT op die aanleunde bij de in 1879 opgerichte Socialistische Partij. De Belgische BWP werd opgericht in 1885 en na de stakingen van 1886, 1892 en 1893 dwongen de arbeiders het algemeen meervoudig stemrecht af. Vanaf 1894 was de BWP met een aanzienlijke fractie in het parlement vertegenwoordigd.

De industrialisatiegolf op het einde van de 19de eeuw had de voorwaarden gecreëerd voor het ontstaan van vakbonden en van de burgerij onafhankelijke arbeiderspartijen (voorheen werden de arbeiders vertegenwoordigd door de zogenaamde progressievere partijen van de burgerij, in België de liberalen). Bovendien namen in heel Europa de sociale spanningen toe met massademonstraties en stakingen. Het leidde tot een nieuwe internationale vereniging van Europese arbeiderspartijen, de tweede internationale, opgericht in 1889.

Europa: verraad van de sociaal democratie

Aan de vooravond van WOI had de SPD ruim 1.086.000 leden, 15.000 voltijdse werkkrachten, 90 dagbladen, 62 drukkerijen, 4.250.000 kiezers en 110 zetels in de Rijksdag, de vakverenigingen telden 2.553.000 leden. De Oostenrijkse sociaal-democratie telde 150.000 leden, 82 parlementsleden en meer dan een miljoen kiezers. In Frankrijk waren er meer dan een miljoen vakbondsleden, 90.000 leden van de SFIO (Section Française de l’Internationale Ouvrière), 1,4 miljoen kiezers en 101 gedeputeerden. De Britse Labour Party had dankzij het dubbel lidmaatschap van de vakbonden en de LP bij het uitbreken van de oorlog 1,4 miljoen leden.

De verbetering van de levensstandaard ten gevolge van de klassenstrijd in een periode van economische groei, had na de dood van Engels de basis gelegd voor een ideologische discussie binnen de tweede internationale. Bernstein, voormalig secretaris van Engels, kwam toen naar buiten met zijn “voorwaarden voor het socialisme”, de theoretische grondslag voor het reformisme, een geleidelijke overgang van kapitalisme naar socialisme. De sociaal-democratische partijen waren massapartijen met een breed lidmaatschap, niet georganiseerd in kleine afdelingen zoals de Bond der Communisten, waarin ieder lid betrokken is bij één of andere activiteit van de partij of één van haar organen, maar op een sociaal democratisch model van afdelingen per stad of kiesdistrict.

De reformistische strekking baseerde zich op dat passieve lidmaatschap en de geleidelijke verbetering van de levensstandaard om alle nadruk te leggen op de legale activiteiten. In plaats van leiding te geven aan de massa’s begonnen die partijen mee te buigen met de tijdelijke stemming onder de massa’s. In 1907 op het congres van Stuttgart hadden alle partijen ingestemd met een door Lenin, Martov en Rosa Luxemburg geredigeerde resolutie die stelde dat de sociaal democratische partijen alles in het werk zouden stellen om oorlog te verhinderen. In 1913 stemden alle Duitse SPD afgevaardigden met uitzondering van Karl Liebknecht in de Rijksdag echter voor de oorlogskredieten. Eind juli 1914 riepen de Europese arbeiderspartijen op tot anti-oorlogsdemonstraties die in alle landen door de massa’s werden opgevolgd. Nauwelijks enkele dagen later gaven diezelfde massa’s echter gehoor aan de oproep tot mobilisatie.

De sociaal-democratie had de politiek van Lenin kunnen volgen van verzet tegen de oorlog, maar dan zou ze wel door een periode moeten van isolement, vervolgingen en illegaliteit. De grote Europese arbeiderspartijen waren daar niet toe bereid: de Oostenrijkse sociaal-democratie stemde eveneens het defensiebudget, hetzelfde deed de LP op 5 augustus 1914 en de SFIO. Van de grotere partijen bleef enkel de Italiaanse zich tegen de oorlog verzetten.

In “Wat te doen” pleitte Lenin voor een partij van beroepsrevolutionairen, een partij waarin ieder lid actief betrokken is bij een activiteit van een partijorgaan. Dat "Leninistisch partijmodel” werd met een kleine meerderheid aanvaard op het tweede partijcongres van de Russische Sociaal Democratische Partij in Brussel en Londen. Pas in 1912 werd de splitsing tussen mensjewieken en bolsjewieken definitief. De Bolsjewistische fractie, een groot deel van de mensjewieken en een minderheid van de sociaal-revolutionairen bleef zich verzetten tegen de oorlog. Na het uitbreken van de oorlog ontwikkelde Lenin in zijn analyse over imperialisme de theorie dat het doel moest zijn de imperialistische oorlog om te zetten in een internationale revolutie.

Europa: het ontstaan van nieuwe, communistische, arbeiderspartijen

De prognose van Lenin, dat de bereidheid tot revolutie in de loop van de oorlog in Europa steeds groter zou worden, werd al in 1916 steeds realistischer. In februari ‘17 stortte het tsaristisch regime in. De burgerlijke coalitie met mensjewieken en sociaal-revolutionairen, de voorlopige regering, zou de oorlog echter verderzetten met steun van de meerderheid van de in Rusland verblijvende bolsjewistische leiding, o.a. Stalin, Zinovjev en Kamenev. Lenin wist echter de meerderheid van de arbeiders voor zijn standpunt te winnen en kon uiteindelijk ook de bolsjewieken overtuigen van zijn slogan “alle macht aan de sovjets”.

In oktober ’17 grepen de arbeiders via hun sovjets de macht. Vredesonderhandelingen werden aangeknoopt en een hele reeks sociale maatregelen doorgevoerd, waaronder bijvoorbeeld 16 weken zwangerschapsverlof, de 8-urendag, in ongezonde bedrijfstakken een 7 of 6-urige werkdag, een maximum van 7 uur voor nachtarbeid, het recht op een aaneengesloten periode vrije tijd van 42 uur per week, het recht op een maand vakantie per jaar, arbeidsplicht tussen 16 en 50 jaar voor mannen en voor vrouwen tot 40 jaar, ziekteverlof en invaliditeit, kinderen onder de 16 mochten niet in loondienst werken, Jongeren tussen 16 en 18 jaar mochten slechts 6 uur per dag werken, abortus verdween uit het strafrecht etc… Kortom: maatregelen waarvan men in West-Europa enkel kon dromen in die tijd, laat staan in een onderontwikkeld semi-feodaal land als Rusland.

Massale stakingsbewegingen in het voorjaar van ’17 in Duitsland en Oostenrijk en opstanden in het Franse leger toonden aan dat de onrust zich niet beperkte tot Rusland. In Duitsland splitste de linkervleugel van de SPD af en vormde de USPD. Die laatste behaalde in de verkiezingen van 1920 5 miljoen stemmen tegen 6 miljoen voor de SPD. In Frankrijk en Oostenrijk groeide de spanning in de sociaal-democratie. Het was echter vooral na de Russische oktoberrevolutie dat de dijk overal begon te breken. In Amsterdam braken aardappeloproeren uit. Op een congres te Leiden op 16 en 17 november ’18 werd de Communistische Partij van Nederland gesticht. Uit schrik voor revolutie stond de Nederlandse burgerij het algemeen kiesrecht, de 8-urendag en een reeks sociale wetten toe, meer zelfs dan de sociaal-democratie, de SDAP, op dat ogenblik eiste.

In Duitsland rebelleerden de matrozen van de oorlogsvloot en behaalden de arbeiders van München een overwinning. Als gevolg daarvan namen de Berlijnse arbeidersraden met steun van het garnizoen de macht in handen en riepen de socialistische radenrepubliek uit. De leiding van SPD en USPD, waarvan de linkervleugel o.l.v. Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht zich voortijdig had afgescheiden om de KPD te vormen, leidde de revolutie echter af naar verkiezingen. Om het geheel aanvaardbaar te maken voor de arbeiders was de burgerij bereid tot verregaande toegevingen: 8-urendag, een stelsel van werkloosheidsvergoedingen en de wettelijke erkenning van Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO’s)

De Berlijnse arbeiders werden in januari ’19 verslagen door de zogenaamde vrijwilligerskorpsen. Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg werden vermoord op bevel van de SPD-USPD ministers Ebert en Noske. In Mei ’19 werd de radenrepubliek van Munchen eveneens neergeslagen. In Frankrijk dwongen de massastakingen en de matrozenopstand van 1919 de 8-urendag af. In Groot-Brittannië doorbrak de LP in 1918 het traditionele tweepartijen stelsel. Italië werd in 1920 overspoeld door een golf van bedrijfsbezettingen. In het voorjaar van ’19 werd in Hongarije de radenrepubliek uitgeroepen. Die werd door het Roemeense leger, gesteund door de entente, onder de voet gelopen. De daarna gevestigde dictatuur hield stand tot het einde van WOII.

In maart ’19 werd de derde internationale opgericht op uitnodiging van de Bolsjewieken. Behalve in Rusland beschikte ze in Noorwegen, Bulgarije en Finland over een massale basis. In Augustus ’20, op het 12de congres van de tweede internationale, splitsten de USPD en de socialistische partijen van Oostenrijk, Zwitserland, Italië, Frankrijk, Noorwegen en Spanje af. De partijen van de 3de Internationale schreven de nederlagen van de arbeidersbeweging in Europa onder andere toe aan een gebrekkig inzicht in de structuur van een revolutionaire partij. Om herhaling van die fouten te vermijden bepaalden ze 21 toetredingsvoorwaarden: dat dwong de West-Europese massapartijen die aansluiting zochten bij de 3de om hun structuur te hervormen. In de praktijk betekende dit een oproep tot splitsing van die partijen omdat de leiders dit doorgaans onaanvaardbaar vonden.

In oktober 1920 besloot de meerderheid van de Duitse USPD tegen de stem van haar leiders in, aan te sluiten bij de Komintern. In december 1920 stemde het partijcongres van de SFIO in Tours eveneens voor aansluiting, dit verklaart de sterkte van de PCF tot op vandaag. In Italië organiseerden Gramsci en Bordiga een communistische massapartij. Begin ’21 beschikte de Comintern over een massabasis in Rusland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Bulgarijë, Tsjechoslovakijë, Finland en Polen. Dat was enkel mogelijk door de massale bewegingen die volgden op de Russische revolutie van oktober ’17. Daarmee was een deel van het probleem opgelost, nl. de vorming van Communistische massapartijen. Teglijk beseften de leiders van de comintern dat een groot deel van de arbeiders nog steeds onder invloed stonden van de sociaal-democratie, door Lenin beschreven als burgerlijke arbeiderspartijen.

Vandaar dat op het 3de congres van de Comintern de tactiek van het arbeiderséénheidsfront ontwerpen werd. Het was een tactiek van gemeenschappelijke fronten met arbeiderspartijen rond concrete zaken. De bedoeling ervan was uiteraard om de strijd vooruit te helpen, o.a. door het verraad van de sociaal-democratische arbeidersleiders te ontmaskeren ten aanzien van de sociaal-democratische basis. Op die manier hoopten de communistische partijen een deel van de basis van de sociaal-democratische partijen over te winnen naar een recvolutionair programma. Op het verwijt dat de Comintern door een eenheidsfront steun verleende aan de sociaal-democratische leiders antwoordde Lenin dat die steun slechts vergelijkbaar was met die van de strop aan een gehangene.

De degeneratie van de Communistische partijen

Het isolement waarin de Russische revolutie terecht kwam door de nederlagen van de West-Europese arbeiders, de achtergeblevenheid van Rusland, de contrarevolutie onder de vorm van de witte legers en de 24 vreemde legers die de jonge sovjetstaat aanvielen, creëerden de basis voor de groei van een steeds sterkere bureaucratie onder leiding van Stalin. Na de dood van Lenin in 1924 en de verbanning van Trotski in ‘27werd de officiële doctrine die van “socialisme in één land” en samenwerking met de progressieve delen van de burgerij.

Het leidde tot nederlagen van de revoluties in China (’25 – ’29) en de algemene staking in Groot-Brittannië (1926). Vanaf ’28 werd die politiek ingeruild voor die van de derde periode waarin iedere arbeidersstroming buiten de communistische gebrandmerkt werd als sociaal-fascistisch of “links bruggenhoofd van de fascisering” en dus een nog groter gevaar dan het fascisme zelf. Hitler kwam in ’33 aan de macht zonder slag of stoot. De SPD wou niet buiten het legale terrein treden. De KPD had iedere band met de sociaal-democratische arbeiders doorgeknipt met hun waanzinnige stelling dat de SPD sociaal-fascisten waren. Bovendien was de KPD ervan overtuigd dat alle voorgaande presidentiële regimes eveneens fascistisch geweest waren. Kort daarop werden alle legale structuren van de arbeidersbeweging systematisch vernietigd.

Tot dan waren Trotski en de Linkse Oppositie de mening toegedaan dat men moest proberen de Komintern opnieuw om te vormen. Zodra Hitler zonder slag of stoot aan de macht kwam liet Trotski die ijdele gedachte varen en besloot hij dat een nieuwe internationale nodig was. De Trotskisten en de Linkse Oppositie waren echter geïsoleerd en vervolgd. Veel van haar leiders waren vermoord door stalinistische agenten. Het kwam erop aan een nieuwe basis te vinden. De radicalisatie van een deel van de sociaal-democratische jeugd en arbeiders in Frankrijk, Groot-Brittannië en elders deed Trotski besluiten dat de kleine groepjes van de linkse oppositie er de tactiek van het eenheidsfront met de sociaal democratische arbeiders moesten aangaan.

Destijds had Lenin de kleine, jonge Britse Communistische partij aangeraden om aan te sluiten bij de LP om er de beste militanten over te winnen. Ook nu zou de sociaal-democratische leiding de voorstellen van de kleine groepen van de Linkse Oppositie voor een éénheidsfront moeiteloos naast zich neerleggen. Er moest gezocht worden naar een methode om niettemin dat éénheidsfront aan de sociaal-democratie op te dringen. Vandaar dat Trotski voorstelde aan de Linkse Oppositie om als fractie aan te sluiten bij de SFIO in Frankrijk, de BSP in België, de ILP in Groot-Brittannië, de SP in de VS, de jongsocialisten in Spanje, de PPS in Polen en de SP van Zwitserland. De bedoeling was echter nooit de meerderheid van die partijen te winnen, tenminste voor zover het om massapartijen ging, maar een kortstondige tactiek om er de meest strijdbare arbeiders en jongeren bijeen te brengen rond een revolutionair programma met de bedoeling een onafhankelijke, open revolutionaire partij te vormen.

De trotskisten en de burgerlijke arbeiderspartijen in de periode van economische bloei

Het einde van WOII ging gepaard met revolutionaire gebeurtenissen en een radicalisatie van de massa’s. Dat deed de leiders van de in ’38 opgerichte 4de internationale besluiten dat we binnen de 1 à 2 jaar voor de keuze stonden tussen socialisme of barbarij, in dit geval fascisme. Ze begrepen niet dat de massale vernietiging van infrastructuur en productiemiddelen een nieuwe ademruimte had gecreëerd voor heropbouw en dus economische groei, met toepassing van de nieuwste productietechnieken. Bovendien onderschatten ze de autoriteit waarmee de Communistische Partijen uit WOII kwamen door de overwinning van Rusland – weliswaar ten koste van 20 miljoen doden, hoofdzakelijk door de waanzinnige politiek van Stalin – op het Duitse fascisme.

Ze onderschatten eveneens de sterkte waarmee de VS uit WOII kwam, quasi ongehavend in tegenstelling tot haar belangrijkste concurrenten, met een volledig continent ter beschikking in Latijns-Amerika en een door de oorlogsinspanningen uitgebreid productieapparaat. De vrees voor de aantrekkelijkheid voor het stalinisme in West-Europa dwong de burgerij tot verregaande toegevingen. De Stalinistische partijen en de sociaal-democratie gebruikten hun autoriteit om het kapitalistisch systeem te redden mits een reeks toegevingen. De eerste regering na WOII in België was een coalitie van liberalen, socialisten en communisten. Dat was nog voor de eerste verkiezingen in ’45! In Italië namen alle politieke partijen inclusief de communisten deel aan de regering vanaf april ’44. In Frankrijk werd een voorlopige regering gevormd met de katholieke Mouvement Républicain Populaire, de SFIO en de PCF.

De VS verschafte met het Marshall Plan massale leningen aan West-Europa iin ruil voor de erkenning van de $ als internationaal betaalmiddel, de creatie van de GATT en de opstapeling van de goudvoorraden in Fort Knox. Overal in Europa werden een reeks sociale maatregelen doorgevoerd zoals de creatie van de National Health Service in Groot-Brittannië, het sociaal pakt in België, nationalisaties in transport, delfstoffen en infrastructuur etc… Als gevolg daarvan herstelde de sociale rust en wonnen vooral de sociaal democratie en de communistische partijen, daar waar ze over een massabasis beschikten, aan autoriteit.

Het bestaan van twee fundamenteel aan elkaar tegengestelde systemen, het Stalinistisch blok in het Oosten en het imperialisme in het Westen, verzachtte tijdelijk de klassentegenstellingen. De groeiperiode tussen ’50 en ’75 leverde in het Westen een reële verbetering van de levensstandaard op. Hoewel dat meestal een gevolg was van de klassenstrijd en de sociaal-democratie eerder een remmende rol speelde, slaagde die erin zich deze verworvenheden toe te eigenen alsof zij het was die ervoor gevochten had. Dat zorgde ervoor dat de sociaal democratie ondanks het systematische verraad van de leiding een enorme autoriteit genoot. Wanneer arbeiders politiseerden sloten ze meestal aan bij wat ze beschouwden als hun traditionele partijen: de sociaal-democratie en in sommige gevallen de communistische partijen.

In die na-oorlogse periode deden zowat alle trotskistische groepen entrisme binnen de sociaal-democratie. Dat was nog steeds in de veronderstelling dat weldra de arbeidersbeweging zou gaan radicaliseren. In plaats van een op leninistisch model gestoelde fractie te bouwen rond een revolutionair programma, trachtte de meerderheid van de 4de echter de linkervleugel te verenigen. In België gebeurde dat rond het blad “La Gauche”, een blad van de linkerzijde van de BSP, uitgesloten na de algemene staking van ’60 – ‘61op het onverenigbaarheidcongres van ‘64. Een trotskistische publicatie bestond helaas niet, laat staan een voldoende toegankelijke structuur waardoor nieuwe leden zich konden integreren.

De manier waarop de Belgische sectie van de Vierde Internationale aan entrisme deed in de jaren 1950 en 1960, is een illustratie van de ziekte waaraan het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale (VSVI) al decennia lijdt: opportunisme. Uit vrees zich te isoleren van de massa’s heeft de leiding van het VSVI in het algemeen suivistische (volgzame) houding aangenomen ten aanzien van bewegingen in de maatschappij. In periodes van terugval van de beweging – zoals in de jaren ’50 – moest men (nog steeds volgens het VSVI) vermijden openlijk te verschijnen als revolutionair marxist om zich niet af te snijden van de links-reformistische vleugel. Aan het einde van de jaren ’60, onder meer onder invloed van de Cubaanse revolutie, propageerde de leiding van het VSVI (Ernest Mandel, Livio Maitan, Pierre Frank) de thesis van plattelandsguerrilla als revolutionaire strategie voor Latijns-Amerika, tegelijk werd de arbeidersbeweging als acteur in de radicale omvorming van de kapitalistische maatschappij naar het tweede plan verwezen. Na de val van de Muur van Berlijn had het VSVI – en vooral de Belgische sectie, de SAP – de grootste moeite om tegen de stroom in te gaan. De SAP is en prooi gevallen aan een zekere gelatenheid, gaf alle radicale stellingnames op en heeft als gevolg daarvan de laatste 10 jaar heel wat pluimen verloren.

Onze stroming was het daarmee oneens en legde uit dat het kapitalisme slechts tijdelijk haar fundamentele tegenstellingen kon te boven komen, maar onvermijdelijk opnieuw binnen haar natuurlijke grenzen gedreven zou worden. Dat de arbeidersklasse bij de eerste tekenen van crisis opnieuw in beweging zou komen en zich daarbij eerst en vooral zou richten naar haar traditionele organisaties, de vakbonden, de sociaal-democratie en in sommige gevallen de Communistische partijen. Dat het bijgevolg absurd was na jaren werking in de sociaal-democratie onder volstrekt ongunstige omstandigheden ze – nu het tij zou gaan keren – te verlaten. In ’64 werden we met een manoeuvre uit de 4de gezet. Sindsdien zijn we onze eigen weg gegaan.

Werken binnen de sociaal democratie was voor ons geen fetisj, maar een tactiek onder specifieke omstandigheden. In ‘56 met de crisis in Hongarije werkten we binnen de LP, maar oriënteerden we ons tevens naar de Communistische Partij. In ’72, met 350 leden namen we de meerderheid in de LPYS, de Labour Party Young Socialists. In ’74 werd het CWI opgezet via geradicaliseerde jongeren waarmee we op de Jusos congressen en kampen in contact kwamen. 12 jaar later bestond het CWI in 35 landen en had de Britse sectie 8.000 leden.

Het proces van verburgerlijking (1)

In ’74 liep de naoorlogse economische bloeiperiode teneinde. Economische stagnatie, bedrijfssluitingen en massale chronische werkloosheid deden hun intrede. Sindsdien heeft de sociaal-democratie steeds getrouw het saneringsbeleid van de burgerij doorgevoerd. Toch kon ze nog een tijd lang teren op de idee dat ze in het verleden een aantal verbeteringen voor de arbeidersklasse had afgedwongen. In België wierp de PS zich op als de vertegenwoordiger van de Waalse natie, tegen de CVP-staat. De SP speelde in op een aantal nieuwe thema’s zoals de rakettenkwestie.

De aanwezigheid van een arbeidersbasis bleef echter een belangrijk obstakel voor de sociaal-democratische leiders. Er waren verschillende pogingen om de BSP om te vormen van een arbeiderspartij naar een volkspartij, een verkapte poging om terug te keren naar de situatie van voor de creatie van de BWP als onafhankelijke arbeiderspartij. Een voorstel in die zin van Simonet (later overgelopen naar de PRL) en Spitaels werd in ’74 op het ideologisch congres verworpen door de basis. De BSP en vanaf de splitsing langs communautaire lijnen in ’76, de PS en de SP werden door heel wat arbeiders nog steeds beschouwd als hun partij, een partij die misschien niet ideaal was, maar alvast een instrument waarlangs de arbeiders in de toekomst, als de crisis zou luwen, opnieuw verbeteringen zouden afdwingen.

In de jaren ’60, na de staking tegen de eenheidswet (60-61), had een deel van de Waalse syndicale voorhoede gebroken met de sociaal-democratie en de Parti Wallon des Travailleurs (PWT) opgezet. In Luik had die partij maar liefst 600 leden en ook in Le Centre had ze een belangrijke basis onder syndicalisten. De tegenhanger van de PWT in Brussel, de Union de la Gauche Socialiste (UGS) met een 300-tal leden, behaalde een volksvertegenwoordiger, toevallig een trotskist. In de verkiezingen van april ’68, na de nederlaag van de Waalse arbeiders en toen de nationale tegenstellingen een hoogtepunt bereikten – het FDF en de Violksunie behaalden toen hun beste scores – werden beide organisaties letterlijk van de kaart geveegd.

Wie buiten die partijen stond ter linkerzijde werd gezien als een splitser, een onoverkomelijke utopist die vroeg of laat wel tot betere inzichten zou komen. In de grootstedelijke wijken en ook in talloze kleinere steden stonden volkshuizen die het verzamelpunt waren van een rijk gemeenschapsleven. LSP – toen nog Vonk – was met een eigen blad en eigen structuren actief in de SP. De SP-afdelingen waren nog levende organen met talloze arbeiders die zich actief inzetten voor de partij. Wij dachten dat het beter was in die partij aanwezig te zijn met een marxistisch programma dan zich erbuiten te isoleren. Vandaag kan men dit in vraag stellen. Wij denken dat we daar iets te ver in gegaan zijn. Vanaf het midden van de jaren ’80 werd het perspectief van een toeloop naar de SP steeds onwaarschijnlijker.

Maar alvast tot het midden van de jaren ’80 raakte men buiten de SP niet ver. Bij de progressieve intellectuelen begonnen Agalev vanaf het begin van de jaren ’80 en later ook Ecolo vooruitgang te boeken. Bij de arbeiders werden deze op sandalen lopende ‘68’ers echter raar bekeken. De SAP vertelt ons vandaag dat zij ook al geprobeerd heeft in het verleden om in eigen naam op te komen bij verkiezingen. Ze verwijzen daarbij naar hun verkiezingsdeelnames in het begin van de jaren ’80 en beschouwen die als mislukkingen, omdat ze slechts een cijfer achter de komma behaalden. Het is maar hoe je het bekijkt. Voor marxisten zijn verkiezingen een barometer, een tribune waarvan we gebruik maken om onze ideeën te populariseren onder bredere lagen. Het succes van een verkiezingsdeelname hangt af van het doel dat men zich gesteld heeft en wordt niet alleen bepaald door het aantal stemmen, maar ook en vooral door de mate waarin we de revolutionaire strekking hebben kunnen versterken.

De SAP beoordeelt haar eerdere verkiezingsdeelnames echter uitsluitend op het uiteindelijke stemresultaat. Dat kon uiteraard niet positief zijn aangezien de SP en de PS in die tijd nog een enorme autoriteit genoten onder bredere lagen van de arbeiders. Het vergelijk van de SAP zegt weinig over wat ons vandaag te doen staat, net zo min als over het nut van hun deelname aan verkiezingen in de jaren ‘80, maar heel veel over hun parlementair cretinisme (illusies in verkiezingen als middel om verandering teweeg te brengen). Dat geldt trouwens ook voor onze voormalige minderheid rond het maandblad Vonk.

“Dat laatste (“vanop de zijlijn veroordelen en zichzelf als alternatief opwerpen” – EB) is zonder meer de aanpak van de LSP. Eigen vaandel eerst! Met 8.300 stemmen voor de senaat, goed voor 0,2 procent van de stemmen. De SP.a behaalde op 18 mei wel 1 miljoen stemmen meer, maar dat is geen probleem.” Schrijft Stephen B. Is zijn motto “if you can’t beat them, join them?” Wat anders dan parlementair cretinisme kan Stephen ertoe drijven de verkiezingsuitslag van LSP, een revolutionaire kaderorganisatie te vergelijken met die van SP.a, een burgerlijke partij waarvan het kiesbudget meer dan 1000x groter was, en dus niet met die van Vonk, een organisatie die eveneens probeert een revolutionair kader bijeen te brengen. Hij zou beter de vraag stellen welke tactiek de revolutionaire stroming versterkt heeft: die van LSP of die van Vonk.

Verrechtsing of verburgerlijking?

De burgerlijke arbeiderspartijen hebben steeds weer, afhankelijk van het ritme en de hevigheid van de klassenstrijd, gezwalpt hebben tussen een rechts beleid en correcties naar links onder druk van hun arbeidersbasis. Die verrechtsing kon zeer ver gaan. Dat was het geval toen de Duitse Sociaal-democratie in 1913 de oorlogskredieten stemde, het was ook het geval toen BWP-voorzitter Hendrik De Man de BWP ontbond en in de collaboratie stapte. De nederlaag van de Duitse revolutie en het avonturisme van de KPD herstelden de positie van de SPD in de arbeidersbeweging. In de zomer van 1940 wordt de BWP door Hendrik De Man ontbonden. Na de oorlog gaat een deel van de arbeiders over naar de KPB die in ’46 in Wallonië 21,5% van de stemmen behaalt (tegenover 9,5% in ’39) en in Vlaanderen 5,2% (1,7% in ’39). De regeringsdeelname van de KPB en de economische groei na WOII ondermijnen echter het vertrouwen in de KPB en leggen de basis voor het herstel van de positie van de BSP in de arbeidersbeweging.

Vandaag verloopt de verrechtsing van SP en PS veel minder spectaculair als in voorgaande voorbeelden. Het proces is veel langer uitgerokken dan toen. Het is echter juist de lengte van dit proces die fundamenteel is. Sinds ’74, eigenlijk al sinds de wet Leburton in ’64 hebben BSP, PS en SP geen enkele hervorming ten goede van de arbeidersbeweging meer doorgevoerd. Sinds ’74 zijn de beide partijen mee verantwoordelijk voor de besparingspolitiek. Sinds ’88 voor het neoliberaal beleid. Heel wat arbeiders en jongeren zijn dat nu zo lang gewoon dat ze zich niet meer kunnen herinneren dat de SP en de PS ooit hervormingen voor de arbeiders afdwongen, als ze het ooit al meegemaakt hebben.

Het is geen toeval dat de SP vooral goed scoort onder bejaarden. De gemiddelde arbeider haat echter die partij, de volkshuizen zijn verkocht of overgelaten aan privé-uitbaters. Partijvergaderingen brengen geen vijfde meer op de been van wat het was in het begin van de jaren ’80. Als er nog arbeiders partijlid zijn, zijn dat meestal oudere, beter betaalde arbeiders met een vast statuut. De SP-jongeren van vandaag zijn intellectuelen, op het randje af yuppies, die geen enkele band hebben met de arbeidersbeweging. Met andere woorden: de arbeidersbasis die de partijleiding op een gegeven moment zou moeten corrigeren is uitgehold, flinterdun geworden, aan het uitsterven.

Het dubbel karakter van SP en PS wordt meer en meer een zuiver burgerlijk karakter. De invloed in de vakbonden is meer en meer een invloed aan de top en steeds minder een invloed aan de basis. (steeds meer vergelijkbaar met de invloed van de Amerikaanse Democratische Partij die trouwens nooit een arbeiderspartij is geweest.) Dat betekent niet dat dit proces voleindigd is. Er zijn gradaties en verschillen. Het is duidelijk dat dit proces in Groot-Brittannië (LP) en Nederland (PvdA) verder gevorderd is dan bijvoorbeeld in Frankrijk. Het is eveneens verder gevorderd in Vlaanderen (SP.a) dan in Wallonië (PS), maar de richting van het proces is duidelijk en de kans dat dit proces keert door een plotse toeloop van arbeiders en jongeren wordt met de dag kleiner. Daar waar de communistische partijen nog over een massabasis beschikten (Italië, Frankrijk) ontwikkelen zij, aan een weliswaar trager ritme, in dezelfde richting.

Het betekent evenmin dat die partijen electoraal van de kaart geveegd zullen worden. In plaats van de partijmilitanten zijn het voortaan wel publiciteitsfirma’s die de campagne voeren. Bij gebrek aan een voldoende ingeplant ernstig alternatief ter linkerzijde zullen echter veel arbeiders alsnog SP en PS stemmen, maar dan niet met enthousiasme, eerder bij gebrek aan beter. Uiteraard moeten we ons ook richten naar die paar arbeiders die nog lid zijn van PS en SP.a. Wie de jongste jaren nog eens nationale congressen, federale bijeenkomsten en/of afdelingsvergaderingen van beide partijen heeft bijgewoond weet echter dat het aantal arbeiders, laat staan strijdbare arbeiders die dan nog moeten bereid zijn te vechten tegen "hun" ministers, er herleid is tot een fractie van wat het ooit geweest is. Als we ons in de eerste plaats naar hen zouden richten, zouden we ons isoleren van de overgrote meerderheid van de arbeiders, vooral de jongeren

Onze voormalige minderheid heeft iets met metafysische metaforen. Destijds was het klassenkarakter van de sociaal democratie “in steen gebeiteld”, vandaag heeft Stephen B. het over de door Lenin in ’20 “geijkte” term “gauchisme”. We laten hem aan het woord: “Het gauchisme is een afwijking die steeds tot isolement leidt, ook wanneer de toestand in de arbeidersbeweging het omgekeerde zou mogelijk maken….De externe oorzaak van de electorale fiasco’s van uiterst links heeft te maken met de steeds wederkerende overmacht van de sociaal-democratie. Het gauchisme vertaalt zich in een doctrinair denken en handelen dat steeds vertrekt van het wensbare in plaats van de échte gegeven situatie. Het is dus in wezen ondialectisch (Stephen verwart hier dialectiek met materialisme, uitgaan van het wensbare is in wezen immaterieel – EB)…. Het punt is echter dat er in de ogen van oprecht socialistische kiezers en militanten geen geloofwaardig alternatief voorhanden is.”

Veel prietpraat, maar met de laatste conclusie zijn we het eens: er is geen geloofwaardig alternatief voor handen. Hoe zullen we dat probleem oplossen? Stephen antwoordt: “liever één vogel in de hand dan tien in de lucht. Liever een sterke SP.a tegenover een sterke VLD dan versplintering en onmacht.” Op welke planeet leeft Stephen? Een sterke SP.a tegenover een sterke VLD? Op dit ogenblik, en dat al sedert jaren, is de praktijk er één van een sterke SP.a naast en met een sterke VLD! De vogel in de hand van Stephen is een illusie die enkel in zijn hoofd bestaat, een wensbeeld, kortom: onmaterialistisch. Zelfs een doctrinair denker als Stephen doet al eens een toegeving: “Wij zeggen niet dat de sociaal-democratie nooit tot een volwaardige burgerlijke partij kan verworden. Het is echter een evolutie die we tot dusver nergens hebben kunnen vaststellen.” Vonk heeft blijkbaar niet goed gekeken.

Delen: Printen: