De Europese arbeidersbeweging tussen de Russische Revolutie en de overwinning van het fascisme in Centraal-Europa

In het vijfde deel van het boek "Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging" wordt nadruk gelegd op het enorme enthousiasme dat voortkwam uit de Russische Revolutie van 1917 doorheen de volledige Europese arbeidersbeweging. De enorme hoop op verandering kreeg echter af te rekenen met nederlagen en de daaropvolgende overwinningen van de reactie, onder meer in de vorm van het fascisme. Dit is het laatste deel van het boek van Abendroth dat we op deze site publiceren. De twee laatste hoofdstukken publiceren we niet, omwille van een aantal meningsverschillen met de auteur.

Wolfrang Abendroth

5. De Europese arbeidersbeweging tussen de Russische Revolutie en de overwinning van het fascisme in Centraal-Europa

Reeds in 1916 werd zichtbaar, dat de prognose van Lenin dat de bereidheid tot revolutie in de loop van de oorlog in Europa steeds groter zou worden realistisch geweest was. De kentering kondigde zich aan in het protest tegen de veroordeling van Karl Liebknecht, die als eerste afgevaardigde in de Duitse Rijksdag de moed gehad had, de “godsvrede” te verbreken. In februari 1917 stortte de heerschappij van de Tsaar in. De voorstanders van voortzetting van de oorlog en de instelling van de burgerlijke republiek slaagden erin de consequenties van de revolutie een half jaar uit te stellen dankzij hun bondgenootschap met de meerderheid van mensjewiki en sociaalrevolutionairen. De massale stakingsbeweging in Duitsland en Oostenrijk en de opstanden in het Franse leger toonden evenwel al in het voorjaar van 1917 aan, dat er onrust was uitgebroken onder de arbeiders van alle landen. De oprichting van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei (USP) in Duitsland, de verscherping van de oppositie in de SFIO en in de Oostenrijkse sociaal-democratie waren duidelijk uitingen van deze wending.

De Oktoberrevolutie in Rusland (volgens de West-Europese tijdrekening op 7 november 1917) bracht de beslissing. Dankzij de ervaringen uit de interim-periode, slaagde Lenin erin die stromingen in grote delen van zijn partij (waaronder ook Stalin) die zich bij de regeringscoalitie aan wilden passen, te verslaan. Hij wist de meerderheid van de arbeiders voor zijn standpunt te winnen. Met steun van de boeren, die zich uitspraken tegen de voortzetting van de oorlog en voor een landbouwrevolte, kon de meerderheid van het radencongres, bolsjewiki en linkse sociaalrevolutionairen de macht veroveren. Vrijwel zonder verzet ontbond de radenregering de nationale vergadering. In een haast drie jaar durende strijd tegen de Witte legers en de interventietroepen van alle Europese grote mogendheden wist zij tenslotte de overhand te houden. Haar overwinning was een overwinning van de theorieën, tradities en doelstellingen van de Europese arbeidersbeweging. Maar toen bleek, dat de revolutie tot Rusland beperkt bleef en haar overwinning niet tot moderne, volledig geïndustrialiseerde landen kon worden uitgebreid, moesten de grootst mogelijke tegenstellingen ontstaan tussen intenties en realiteit.

De januaristaking van de arbeiders in Duitsland en Oostenrijk in 1918 maakte duidelijk, dat de gevolgen van revolutionaire acties niet tot Rusland konden worden beperkt. Maar deze spontane actie van de Duitse arbeidersmassa luwde al spoedig, temeer daar zij organisatorisch slechts steunde op kleine kringen van geschoolde arbeiders, de Revolutionäre Obleute in Berlijn. Het enige doel waarmee de meerderheids sociaal-democratie in Berlijn tot de leiding van de staking was toegetreden, was de staking te beëindigen. De drie illegale groepen van de linkervleugel van de Duitse sociaal-democratie Spartakusbund, Lichtstrahlengruppe en de groep Arbeiterpolitik (een revolutionaire groep rond de gelijknamige krant in Bremen) – waren veel te zwak om invloed op de massa’s te kunnen krijgen. Ook in Oostenrijk hadden de stakende arbeiders geen steun bij de grote organisaties gevonden. Zij beschouwden de sociaal-democratie en de vakverenigingen nog steeds als hun eigen organisaties hoewel die arbeiders hen politiek al lang niet meer volgden. Het herleven van de arbeidersbeweging in Centraal-Europa bleek een grote demonstratie te zijn, maar nog niet de eerste fase van een revolutie.

De revolutionaire gebeurtenissen in Rusland en vooral Duitsland, vonden ook in Nederland weerklank. De werkende bevolking leed er gebrek doordat tijdens de oorlog veel van de noodzakelijke levensmiddelen naar Duitsland uitgevoerd werden. Amsterdam was het toneel van aardappeloproeren die de sociaal-democratische wethouder F. Wibaut met politiegeweld beantwoordde. De SDP, het NAS en de Bond van Christen-Socialisten werkten samen in de strijd tegen duurte, honger en oorlog. Tijdens het partijcongres te Leiden op 16 en 17 november 1918 werd de naam van de SDP veranderd in Communistische Partij van Nederland.

De ontevredenheid die sterk toenam in de loop van 1918 kwam het meest tot uiting onder de soldaten. In de Harskamp kwamen soldaten massaal in verzet tegen hun officieren en richtten grote vernielingen aan. Ondertussen bereikte de revolutie onze oostgrens. Troelstra, de politieke leider van de SDAP, vreesde dat de situatie hem zou ontglippen en radicale groeperingen de kans zouden krijgen de leiding te nemen van de revolutionair gezinden. Om hen voor te zijn, riep hij in Rotterdam op 11 november 1918 op een massameeting de arbeiders op de macht in handen te nemen. Enkele dagen later erkende hij reeds zich in de machtsverhoudingen te hebben vergist. Zelfs het bestuur van zijn eigen partij stond niet achter hem. Vliegen verklaarde dat revolutie in een democratisch geregeerd land dwaasheid was, en dat hij niet 25 jaar voor het algemeen kiesrecht gevochten had om het enkele maanden na de invoering weer af te schaffen. Na zijn ‘vergissing’ raakte Troelstra op de achtergrond. De leiders van de SDP/CPN beoordeelden de situatie veel nuchterder wat voor een deel samenhangt met hun altijd al geringe verwachting van het Duitse proletariaat, zodat zij zelfs daar niet op een slagen van de revolutie rekenden. Wel stroomden vele duizenden in Amsterdam naar de meetings van het Revolutionair-Socialistische Comité waarin de SDP/CPN en het NAS beide vertegenwoordigd waren. David Wijnkoop, Henriëtte Roland Holst en Louis de Visser waren hier de woordvoerders. Bij één van de demonstraties vielen tijdens een botsing met militairen 4 doden en een aantal gewonden.

De regering en met haar de heersende klasse waren zo beducht voor de mogelijkheid van een revolutie en zo onder de indruk van de gebeurtenissen in Rusland, dat zij zelfs bereid waren meer te geven dan met name de SDAP vroeg: algemeen kiesrecht, 8-urendag en een reeks sociale wetten. Het waren de dagen van de “bibber-bourgeoisie” om met L. de Visser te spreken.

In Frankrijk ontstond na de eerste golf van spontane anti-oorlogsbetogingen, in januari 1 918 een nieuwe periode van anti-oorlogsactiviteit. Maar ook hier bleef de massastaking die vanuit Lyon oversloeg naar Parijs, zonder noemenswaardig succes. Het creëerde er evenwel de voorwaarde voor, dat de leiding van de SFIO overging op de sociaal-pacifistische groep rond Longuet en Cachin. De revolutionaire groepen rond Loriot, Rosmer en Monatte in de partij en rond Merrheim in de vakbonden werden na de nederlaag van de staking geïsoleerd.

In Engeland ontstond de spontane beweging van de shop stewards, die echter geen ruggesteun vond bij de grote organisaties. Toch begon de Labour Party zich naar links te ontwikkelen. Het in februari 1918 aangenomen programma Labour and the New Social Order verklaarde de vestiging van een socialistische maatschappij langs evolutionaire weg door middel van nauwkeurig geplande overgangsmaatregelen tot de officiële doelstelling van de partij.

De militaire nederlaag van de centrale mogendheden leidde tot de volgende etappe van de Europese revolutiebeweging. De dubbelmonarchie viel uiteen; haar Slavische minderheden kwamen in opstand. In Hongarije nam een coalitie van democratische intellectuelen en sociaal-democraten de macht in handen en riep de republiek uit. De rechtervleugel van de Duits-Oostenrijkse sociaal-democratie rond Karl Renner, die de Oostenrijkse multinationale staat in gewijzigde vorm in stand wilde houden, moest het onderspit delven voor de linkervleugel rondom Otto Bauer, die zich op het standpunt van het zelfbeschikkingsrecht der naties stelde. De staatsmacht viel in handen van de sociaal-democratie.

In Duitsland waren de rebellie van de slagvloot en de overwinning van de arbeiders van München onder Kurt Eisner er de aanleiding toe, dat ook de Berlijnse arbeiders, terzijde gestaan door het garnizoen, in opstand kwamen. De meerderheids-sociaal-democratie (MSP) en de vakverenigingen moesten zich bij deze ontwikkeling – zij het met tegenzin – aanpassen. De raad van volkscommissarissen, de coalitie van MSP en USP waar de uiterste linkervleugel onder leiding van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht zichzelf van afgescheiden had, proclameerden de socialistische republiek. Maar de leiding van MSP en vakverenigingsbureaucratie trachtte de socialistische consequenties van een revolutie, die naar hun begrippen onvermijdelijk tot een chaos moesten leiden, af te wenden. Zij sloten een bondgenootschap met de traditionele bureaucratie van het oude keizerrijk, met de hoogste legerleiding van het verslagen leger en de managers van de grote concerns. Door radicaal met de nieuwe socialistische sovjetrepubliek in Rusland te breken, hoopten zij de gunst te winnen van de mogendheden die de oorlog hadden gewonnen, wier troepen toen juist tegen deze regering vochten. Zodoende hoopten zij betere vredesvoorwaarden te bereiken. De arbeiders doorzagen deze politiek aanvankelijk niet, ze geloofden in de toezeggingen van de MSP-leiders en beschouwden de oppositie van de links-radicale groepen, die zich rond de jaarwisseling 1918/19 tot de Kommunistische Partei hadden aaneengesloten, daarom alleen maar als een verstoring van hun eenheid. De communisten en links-onafhankelijken eisten, dat de overal in Duitsland spontaan opgekomen raden de blijvende pijlers van de staatsmacht zouden worden. De arbeiders zagen het oogmerk en de zin van deze eis niet in, want alle – ook de meest radicale – vertegenwoordigers van de Duitse arbeidersbeweging hadden zich de democratische republiek waar zij voor 1914 naar streefden, als een parlementaire democratie voorgesteld. Zo bleven deze groepen ook in het vervolg geïsoleerd.

De heersende klassen van het Duitsland van Wilhelm II konden nu dankzij het bondgenootschap met de MSP hun macht herstellen. In ruil daarvoor waren zij tot aanzienlijke sociale concessies bereid. De achturige werkdag werd ingevoerd, evenals het stelsel van werklozensteun en wettelijke erkenning van de CAO’s. Maar hun was er alles aan gelegen, dat er spoedig een vredesverdrag werd gesloten, om een veilige internationale situatie te scheppen, die een herhaling van de gebeurtenissen in Rusland onmogelijk moest maken. Even belangrijk was het voor hen, dat dit verdrag door een republikeinse, meerderheids sociaal-democratische regering werd ondertekend, want alleen dan zouden de heersende klassen hun eigen verantwoordelijkheid voor de oorlog en zijn gevolgen kunnen doen vergeten. De lasten van het vredesverdrag konden dan de nieuwe regering in de schoenen worden geschoven. De prijs die zij daarvoor betaalden, was dat de in de christelijke vakverenigingen georganiseerde katholieke arbeiders, grote delen van de bedienden en lagere ambtenaren, vroegere aanhangers van het Centrum en de liberale partijen thans aansluiting zochten bij de arbeidersbeweging en met sociale hervormingen, en programmatisch ook met socialisatiemaatregelen instemden. Deze groepen beschouwden de beëindiging van de wereldoorlog door middel van de revolutie als een overwinning van hun eigen belangen. Van de in hun ogen zo machtige arbeidersbeweging verwachtten zij werkelijke leiding. Maar een ommezwaai in de stemming bij deze groepen was gemakkelijk te bewerkstelligen, zodra de machtsverhoudingen weer waren gewijzigd.

Het bondgenootschap met de meerderheids sociaal-democratie bood de heersende klassen de mogelijkheid om onder haar vleugels hun oude machtsposities in overheid en leger opnieuw in te nemen en hun economische macht in stand te houden. In de volgende ontwikkelingsfase kon men dan de middenlagen weer tegen de meerderheids sociaal-democraten mobiliseren, om deze zodoende weer uit te schakelen. De posities van de arbeiders- en soldatenraden werden afgebroken en de socialisatiecommissie werd getransformeerd tot een instrument ter verijdeling van iedere socialisatie. Dat leidde ertoe, dat de arbeiders ontgoocheld raakten over de politiek van hun oude organisaties, een ontgoocheling die in de diverse delen van het Duitse Rijk zeer verschillende vormen aannam. Direct voor de verkiezingen voor de nationale vergadering werden de Onafhankelijke Sociaal-democraten uit de regering verdrongen. De radicale Berlijnse arbeiders werden door vrijwilligerskorpsen, geleid door officieren van het oude leger, neergeslagen. Deze januari-gevechten van 1919 waren beslissend voor het verdere verloop van de Duitse revolutie. Te beginnen met de moord op Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg in januari 1919 en op Leo Jogiches in maart van hetzelfde jaar werd de linkervleugel van de arbeidersbeweging door middel van een systematische terreur van haar beste leiders beroofd. In alle delen van Duitsland kwam het in de daarop volgende maanden tot massale stakingen en vervolgens tot strafexpedities van het leger. Toen de arbeiders hun eisen op eigen kracht wilden doorzetten, was het te laat. Zij hadden er te lang op vertrouwd, dat de regering ze zou verwezenlijken. Zonder dat er een gecoördineerde actie mogelijk was, werd zo het ene district na het andere onderdrukt. Bij de verkiezingen voor de nationale vergadering hadden de beide arbeiderspartijen bijna 46 procent van de stemmen gekregen. De beide sterkste burgerlijke partijen, de Deutsche Demokratische Partei en het katholieke Zentrum hadden zich in hun verkiezingsleuzen ééns verklaard met de socialisatie van een deel van de industrie, omdat ze wisten dat ze anders flink wat stemmen minder hadden gekregen. Zo kwam het, dat de arbeiders dachten volstrekt gerechtigd te zijn tot het afdwingen van sociaal-economische medebeslissingsrechten en socialisatiemaatregelen, ook zonder toestemming van de leiding van hun vakverenigings- en politieke organisaties. Maar steeds opnieuw stuitten zij op de tegenstand van de regeringstroepen.

Zo was over de machtsverhoudingen in Duitsland al definitief beslist, toen de radenrepubliek van München in mei 1919 werd neergeslagen. Ze was na de moord op Eisner uitgeroepen door de meerderheids sociaal-democratische arbeiders van de Beierse hoofdstad, en ze werd door de Reichswehr, onder verantwoordelijkheid van een meerderheids sociaal-democratische Rijksminister en een meerderheids sociaal-democratisch geleide regering van de deelstaat bloedig beëindigd. Wel slaagden de arbeiders er in maart 1920 in, door een massastaking de Kapp-putsch te verijdelen, maar de justitie, die de putschisten de hand boven het hoofd hield, terwijl zij de revolutionaire arbeiders harde straffen oplegde, bewees duidelijk genoeg, wie er in Duitsland aan de macht was. Geen wonder, dat de middenlagen zich weer van de democratie afwendden; ze neigen er altijd toe diegenen te volgen, bij wie de macht ligt. Bij de verkiezingen voor de Rijksdag van juni 1920 liep het stemmenaandeel van de arbeiderspartijen terug. Alle socialistische ideeën waren uit de verkiezingsprogramma’s van de centrumpartijen verdwenen. Wel was de USPD vrijwel even groot geworden als de meerderheids sociaal-democratie, maar dit inzicht van een groot deel van de arbeiders in de fouten van de politiek van hun vroegere leiders kon in de praktijk geen effect meer sorteren. Zowel de macht en het zelfbewustzijn van het staatsapparaat als het anti-socialistische denken van de middenlagen waren hersteld. De Duitse revolutie liep uit op de omvorming van de militaire monarchie in een burgerlijke republiek. Nochtans was men erin geslaagd om binnen de kapitalistische economische orde de positie van de arbeiders te verbeteren. De politieke gelijkberechtiging van de vrouw, één van de oudste eisen van de arbeidersbeweging, was gerealiseerd.

Deze tweede fase van revolutionaire acties in Europa was een jaar na de Oktoberrevolutie op gang gekomen. De militaire druk op Rusland werd daardoor verlicht. Toen de revolutiebeweging naar Frankrijk, Italië en Engeland oversloeg, maakten de Geallieerden een einde aan hun interventies in Rusland. Nu kon de burgeroorlog in Rusland worden beëindigd, en de revolutie gestabiliseerd. Dat betekende: de door Lenin verwachte Europese socialistische revolutie was weliswaar ingetreden; maar ze had alleen in Rusland gezegevierd. In alle geïndustrialiseerde landen werd ze verslagen. De Franse massastakingen en de matrozenopstand van 1919 dwongen de achturige werkdag af; de politieke macht evenwel bleef in handen van rechts. De Labour Party kon weliswaar door de verkiezingen van december 1918 definitief het traditionele tweepartijenstelsel doorbreken, en een succesvolle stakingsbeweging droeg ertoe bij, de sociale positie van de gehele arbeidersklasse te verbeteren; maar ook hier had het succes in de oorlog de politieke heerschappij van de conservatieven over het staatsapparaat geconsolideerd. In de Scandinavische landen werden de arbeiderspartijen regeringspartijen, nadat het kiesrecht volledig was gedemocratiseerd. Door hun bijzondere situatie uit te buiten, konden ze weliswaar een heel arsenaal aan sociale verbeteringen realiseren, maar de maatschappij niet omvormen tot een socialistische maatschappij. De Italiaanse arbeiders bezetten in de zomer van 1920 de bedrijven van Noord-Italië; maar zelfs de grote verkiezingssuccessen van de Italiaanse socialisten, die nu over drie partijen waren verdeeld, konden niet verhinderen, dat de heersende klassen in 1922 de politieke macht in handen gaven van het fascisme.

In Hongarije had zich in het voorjaar van 1919 een radenrepubliek geconstitueerd, die onder leiding stond van de sociaal-democratie en jonge communistische intellectuelen. Het doel van haar buitenlandse politiek was: door op de Sovjet-Unie te steunen, verzet te bieden tegen de bepalingen van het vredesverdrag. Binnenlands wilde zij verdeling van het feodale grootgrondbezit. Gesteund door de Entente ruimde het Roemeense leger de radenrepubliek uit de weg en bracht de feodale adel weer aan de macht. Pas aan het eind van de Tweede Wereldoorlog verdween de daarna gevestigde dictatuur van admiraal Horthy.

Met Franse hulp viel het Poolse leger in april 1920 de Oekraïne en Wit-Rusland binnen. Na aanvankelijk successen te hebben geboekt werd het verslagen door het Rode Leger, onder leiding van de jonge generaal Toechatsjewsky. Tegen het advies van Toechatsjewsky en de stem van Trotski in, zette Sovjet-Rusland de oorlog na deze eerste overwinningen voort. Verleid door het voorbeeld van het revolutionaire Frankrijk na 1789 hoopte men de Poolse arbeiders te winnen om het Rode Leger te steunen, om zodoende een nieuwe periode van revolutionaire acties in Duitsland te kunnen inluiden. Dit bleek evenwel een utopie te zijn. Ontstaan uit het ineenstorten van de Duitse, Oostenrijkse en Russische monarchie, was Polen nu – na vele generaties weer een zelfstandige staat. Daardoor beschouwden de meeste Poolse arbeiders de tegen Warschau oprukkende troepen als een Russisch, en niet als een socialistisch-revolutionair leger. Zo werd in augustus 1920 met Franse steun, de Poolse zege aan de Weichsel bevochten. Uitgestrekte gebieden met een Wit-Russische en Oekraïnsche bevolking bleven na het vredesverdrag van 1921 in Poolse handen. Voor lange jaren verloor de Poolse arbeidersbeweging haar openbare invloed. De revolutionaire groepen van de voormalige SDKPiL (Sociaal-democratische Partij van het Koninkrijk Polen en Litouwen), van de linkervleugel van de PPS en van de Bund waren geïsoleerd en konden geen rol spelen in de volgende sociale crises. Ze sloten zich aaneen tot de Communistische Partij Polen. De PPS zelf werd naar rechts gedrongen. De nationaal-democraten, de partij van de chauvinistisch-antisemitische kleinburgerij, won aan invloed. Daarmee waren fundamenten gelegd voor de beslissing van 1926, fundamenten waaraan nauwelijks nog viel te wrikken. De enige keuze die men had, was tussen de anti-semitisch-fascistische dictatuur van de nationaal-democraten en die van de officieren rond Pilsudski. De Poolse democratie had opgehouden te bestaan.

Het einde van de Pools-Russische oorlog was tevens het einde van de revolutieperiode na de Eerste Wereldoorlog. In de loop van deze periode had de arbeidersklasse voor de eerste keer in de geschiedenis in alle landen van het Europese vasteland massale acties gevoerd voor zijn eigen socialistische doeleinden. Ingeluid was deze periode door de Russische oktoberrevolutie, haar overwinning had als katalysator gewerkt. Aan het einde van deze periode was de revolutionaire arbeidersbeweging echter in alle landen, uitgezonderd het vroegere Tsarenrijk, verslagen. In de hooggeïndustrialiseerde West- en Centraaleuropese staten kon de kapitalistische maatschappijstructuur zich weer stabiliseren, ook al was ze er dan meestal toe gedwongen, haar politieke machtsstelsel te democratiseren. De arbeidersbeweging had vrijwel overal aanzienlijke sociale concessies verkregen. De achturige werkdag was in de meeste landen een feit, de vakbonden waren erkend als overlegpartners bij het sluiten van CAO’s, en de eerste beginselen van sociaal medebeslissingsrecht waren bevochten. De politieke macht in de grote industriële landen lag evenwel in de handen van partijen, die zowel in hun binnenlandse als in hun buitenlandse politiek voor de belangen van de grootbourgeoisie opkwamen. De oorlog was in 1919 beëindigd met imperialistische verdragen, die nauwelijks minder meedogenloos waren dan het vredesverdrag van Brest-Litovsk van 1918. De oppositie van de arbeidersbeweging tegen deze politiek was vruchteloos gebleven.

In Frankrijk en Engeland had de overwinningsroes politiek rechts aan de macht geholpen. De Duitse republiek was aan de invloed van de arbeidersklasse ontglipt. Zelfs haar meerderheids sociaal-democratische leiders, die voor 1914 reformistisch waren geweest, en daarna pro-imperialistisch werden als dank voor de hulp die zij bij het neerslaan van hun eigen kiezers hadden verleend, na de juni-verkiezingen van 1920 uit de Rijksregering gestoten. In Italië kwam het verbond van grootgrondbezitters uit het zuiden, grootindustriëlen uit het noorden, hoge clerus en delen van het leger en de staatsbureaucratie tot stand, dat niet lang daarna de politieke macht aan Mussolini toespeelde. Alleen in de Scandinavische landen behaalde de reformistische arbeidersbeweging vrij grote successen en kwam het tot een duurzame deelname aan het staatsbewind, zonder dat daardoor de economische machtsstructuur van de kapitalistische maatschappij ook maar ter discussie gesteld werd.

Vanaf begin 1925 werd dit systeem in West- en Centraal-Europa vervolgens definitief gestabiliseerd door de VS. Daarbij bleek, dat de VS de eigenlijke overwinnaars in de Eerste Wereldoorlog waren geweest. Hun productieapparaat draaide op volle toeren, en zij maakten hun zegevierende bondgenoten tot hun schuldenaars. Het werd duidelijk, dat de eeuwenlange suprematie van Europa in de wereld teloor gegaan was. Tegelijkertijd kwam het einde in zicht van de koloniale uitbuiting van de niet-Europese werelddelen door de heersende klassen van Europa; de revolutionairen in de koloniën begonnen hun opmars. De revolutionaire beweging in Europa had dan wel de Russische revolutie van de interventies gered, maar was zelf verslagen. Daarin konden ook de jaren van de inflatiecrisis in Duitsland en de controverses om de herstelbetalingen geen verandering meer brengen.

De revolutionair-socialistische delen van de Europese arbeidersbeweging wensten zich niet bij dit resultaat neer te leggen. Op uitnodiging van de Bolsjewiki vond begin maart 1919 in Moskou het oprichtingscongres plaats van de Communistische Internationale. Er waren wel vele kleine revolutionaire groepen vertegenwoordigd, maar nauwelijks georganiseerde arbeiderspartijen die over een massabasis beschikten. Alleen de linkse meerderheid van de Noorse arbeiderspartij en de linkse Bulgaarse en Finse sociaal-democratie representeerden grote delen van de arbeidersklasse in hun land. Anders lag de situatie bij de Duitse communisten. Zij vormden slechts een kleine groep, die bovendien met syndicalisten vermengd was, en zolang geen van de machtige partijen tot de Communistische Internationale toe wilde treden, aarzelden zij om met een dergelijke oprichting in te stemmen. Daarmee gaf het Centraal Comité het standpunt weer van de toen reeds vermoorde Rosa Luxemburg. Hugo Eberlein, de Duitse afgevaardigde op het congres, liet zich er evenwel toe brengen, zich bij de oprichtingskwestie van stemming te onthouden. Dat betekende, dat de Communistische Internationale zich kon constitueren. Als zetel van haar Executieve werd Moskou aangewezen, de eerste voorzitter was Zinovjev. Toen het tweede wereldcongres van de Komintern plaatsvond, eind juli 1920, was het lot van het verdere verloop van de revolutie in Europa reeds beslist, hoewel dit nog niet doorgedrongen was tot het bewustzijn van de arbeiders uit de grote industriële naties. Evenmin tot het bewustzijn van een groot deel van hun leiders uit het voormalige “marxistisch centrum”, en van de rechtervleugel van de beweging van Zimmerwald, en zeker niet tot de leiders van de Russische revolutie. Zij allen beschouwden de nederlaag van de West-Europese revolutionaire arbeidersbeweging als een tijdelijke terugslag in het revolutionaire proces, en niet als het einde hiervan. De successen bij de realisatie van sociale hervormingen schenen de hoop op een volledige overwinning te wettigen.

In februari 1919 kwam het tiende congres van de Tweede Internationale bijeen in Bern. Het werd gekenmerkt door de poging, de grote socialistische partijen uit de beide oorlogskampen en uit de neutrale landen opnieuw te verenigen op basis van een wederzijds generaal pardon voor hun capitulatie voor de Eerste Wereldoorlog. De volgende conferentie van de Tweede Internationale, in augustus 1919, protesteerde tegen het systeem van de Parijse vredesverdragen en tegen de interventie-veldtochten tegen Sovjet-Rusland en Hongarije. Maar de leiders van de sociaal-democratische partijen van de Entente-landen zetten dit protest niet om in acties van hun achterban. Niet in de laatste plaats om die reden maakten enkele van de grote partijen zich nog voor het volgende congres, in augustus 1920 te Genève, los van de Internationale: de USPD, de socialistische partijen van Oostenrijk, Zwitserland, Italië, Frankrijk, Noorwegen en Spanje.

Rond 1920 hadden de partijleidingen van de KPD in Duitsland en van de CPN in Nederland te kampen met een links-radicale stroming in eigen rijen. Als woordvoerders kwamen vooral de Nederlanders Herman Gorter en Anton Pannekoek naar voren. Deze ‘linkse communisten’ weigerden deel te nemen aan parlementsverkiezingen en te werken in de reformistische vakverenigingen. Zij verwachtten alles van de spontane strijd der arbeiders die organisatorisch vorm zou krijgen in direct gekozen arbeidersraden in de bedrijven. Zowel in Duitsland als in Nederland splitsten deze ‘radencommunisten’ zich van de communistische partij af en vormden een eigen organisatie: de Communistische Arbeiders Partij (KAP). Deze schismatieke beweging schrompelde weldra tot een linkse sekte ineen die onder wisselende namen lange tijd het bestaan wist te rekken. Tegen dit links-radicalisme, syndicalisme en putschisme waar ook andere communistische partijen in steeds andere gedaante mee te maken hadden schreef Lenin zijn brochure “De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme” Lenin keerde zich tegen dit illusionaire radicalisme en versterkte zodoende het vertrouwen van de grote socialistische partijen in de Communistische Internationale. Deze beseften weldra, dat de leiding van de Communistische Internationale afwijzend stond tegenover de utopische opvattingen van een deel van hun aanhangers in West-Europa. Zo besloten vooreerst de partijcongressen van de USPD, van de Zwitserse, Franse en Italiaanse socialisten, te gaan onderhandelen over toetreding tot de Communistische Internationale.

Deze ommekeer bevestigde schijnbaar de verwachting, dat de revolutie in West-Europa aan de vooravond van een nieuwe opgang stond. De bolsjewiki plantten hun eigen ervaring, dat de verovering van de macht te danken was aan de leiding van de arbeiders door een gedisciplineerde partij onbevangen over op de situatie in de geïndustrialiseerde landen. Zij schreven de nederlagen, die tot dan toe in het Westen waren geleden, toe aan een gebrek aan theoretisch inzicht in dit probleem. Vandaar dat zij op het tweede wereldcongres van de Derde Internationale de onvoorwaardelijke centralisatie en strenge disciplinering van de communistische partijen eisten. Deze eis zetten zij door in de besluiten over de statuten en in de 21 toetredingsvoorwaarden voor nieuwe partijen.

Deze voorwaarden dwongen de West-Europese massapartijen, die zich nu aan wilden sluiten, tot een verandering in hun structuur. Ze moesten zich aan de besluiten van het Executieve Comité van de Internationale onderwerpen, en zich ontdoen van de sociaal-pacifistische of radicaal-reformistische groeperingen in de leiding. Praktisch betekende dit een oproep tot splitsing van deze partijen, omdat deze voorwaarden door een groot deel van hun leiders als onaanvaardbaar werden beschouwd, en in tegenspraak waren met de traditie van de West-Europese arbeidersbeweging. Desondanks was het enthousiasme voor de zegevierende sovjetrevolutie voorlopig nog zo sterk, dat het partijcongres van de Duitse USP in oktober 1920 in Halle haar toetreding proclameerde, tegen de stem van haar bekendste leiders (Hilferding, Ledebour, Dittmann) in. Dezelfde uitspraak deed het partijcongres van de Franse SFIO in Tours in december 1920, tegen de wil van Longuet en Paul Faure. Betrekkelijk sterke minderheden scheidden zich daarop van beide partijen af. Op het partijcongres van de Italiaanse socialisten in Livorno, in januari 1921, wist Serrati weliswaar zijn wil door te zetten, en de eenheid in de partij te handhaven, maar de minderheid rond Antonio Gramsci en Amadeo Bordiga bleek sterk genoeg om een eigen communistische massapartij te organiseren. In de Zwitserse sociaal-democratie waren de aanhangers van de Derde Internationale aanzienlijk minder sterk. En in de Independent Labour Party bleven zij volstrekt onbeduidend. Begin 1921 leek de Communistische Internationale evenwel een grote macht te belichamen: in Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Bulgarije en Tsjecho-Slowakije beschikte zij over legale massapartijen. Haar illegale of half legale partijen in Finland en Polen genoten een aanzienlijk steun onder de arbeiders. In alle andere Europese landen onderhield zij kleinere secties, waarvan de zwakste de Engelse sectie was.

Toen evenwel de Duitse Communisten in maart 1921 de massa’s trachtten te bewegen tot een revolutionaire actie, kwam onmiddellijk de praktische machteloosheid aan het licht. De instemming met de Russische revolutie kon slechts onvoldoende worden omgezet in strijdbaarheid. De vastberadenheid van de partij kon het ontbreken van spontane bereidheid tot actie bij de arbeiders niet compenseren. De KPD verloor door deze putsch (die ook door Lenin afgekeurd werd) haar belangrijkste leider, Paul Levi, die via de Rest-USP terugkeerde naar de SPD en daar aanvoerder werd van de linkervleugel. De KPD wist zich onder de nieuwe leiding van Heinrich Brandler en August Thalheimer trouwens spoedig van de tegenslag te herstellen, zodat haar invloed in de inflatiecrisis toenam; dit niet in de laatste plaats dankzij een handige politiek van overgangseisen en eenheidsfrontaanbiedingen aan de socialisten; maar zij was niet in staat, de crisis aan te grijpen voor de strijd om de macht. Na de volledige stabilisatie van de kapitalistische economie, begin 1924, nam de invloed van de communistische partijen in alle landen snel af. De oorzaak daarvan lag voor een groot deel in een politiek, die gebouwd was op de illusie, dat de crisis spoedig moest herleven.

Tot het moment waarop de Duitse Communisten zich zonder strijd terugtrokken, nadat de communistisch links sociaal-democratische regeringen van de deelstaten Saksen en Thüringen in 1923 afgezet waren, was in alle secties van de Communistische Internationale de interne partijdemocratie gehandhaafd. De verschillende tendensen in de afzonderlijke communistische partijen voerden onderling een openlijke discussie in de partijpers en op de partijcongressen, zonder dat dit hun prestige of de eenheid van actie in gevaar bracht. In de ogen van de industriearbeiders van die tijd golden interne controverses in de partij geenszins als teken van verval. Het gemeenschappelijk verzet van de Duitse en Franse communisten tegen de Franse bezetting van het Ruhrgebied in 1923 en het separatisme van het Rijnland getuigde van de ernst van hun internationalistisch denken. Dit verzet evenwel isoleerde de Franse communisten. Zij zagen zich tegenover een sterke golf van chauvinisme geplaatst, waaraan de Franse socialisten grote concessies deden. Na de monetaire stabilisatie in Duitsland en de consolidatie van het Europese kapitalisme met behulp van Amerikaanse kredieten in 1924 kwam de “linkervleugel” binnen de meeste Europese communistische partijen in de meerderheid. Zij bepaalde het verloop van het vijfde wereldcongres van de Komintern en hield vast aan de illusie, dat spoedig een nieuwe crisis haar intrede zou doen. Om de klaarblijkelijke tegenspraak tussen deze verwachtingen en de daarop afgestemde tactiek van de Executieve van de Komintern enerzijds, en de werkelijke belangen van de arbeiders anderzijds te versluieren, moest men al spoedig beperkingen opleggen aan de vrijheid van meningsuiting binnen de West-Europese partijen. Organisatorisch werden ze in kleine eenheden opgesplitst: men verlegde het accent naar betrekkelijk kleine bedrijfs- en straatcellen en beperkte het onderling contact tussen de leden tot kleine, gemakkelijk te manipuleren groepen. In plaats van samen met de socialisten te vechten voor actuele eisen in de dagelijkse strijd, leefde men uitsluitend in de verwachting van een nieuwe revolutionaire situatie.

De ledentallen van alle communistische partijen in Europa en van de onder hun leiding staande vakverenigingen, die in 1921 aaneengesloten waren tot de Rode Vakbewegings Internationale liepen snel achteruit. De invloed van de communistische cellen in de reformistische vakverenigingen ging verloren. De afhankelijkheid van de West-Europese partijen van de wensen en behoeften van de leiding van de communistische partij van de Sovjet-Unie (KPdSU) op het gebied der buitenlandse politiek nam in hetzelfde tempo toe, waarin het interne partijleven en het zelfbewustzijn afnamen. Het vertrouwen in de staat van de Russische revolutie werd omgefunctioneerd tot de mythe van de onfeilbare Sovjet-Unie. In plaats van het ontwikkelen van een eigen, zelfstandig democratisch besliste politieke strategie, wachtte men passief op de revolutie en aanvaardde men braaf iedere instructie van bovenaf. Daarbij werden de vroegere leidende groepen één voor één opgebruikt of geroyeerd, aanvankelijk als “rechtse”, daarna als “linkse opportunisten”. In Duitsland Brandler en Thalheimer, een jaar daarna hun “linkse” opvolgers, Ruth Fischer, Maslow, de historicus Arthur Rosenberg en de jurist en filosoof Karl Korsch; de invloed van Clara Zetkin werd aan banden gelegd. In Zweden ondergingen Höglund, in Nederland Wijnkoop, in Frankrijk Frossard, daarna Souvarine, Rosmer, Loriot en Monatte, in Italië Bordiga en in Tsjecho-Slowakije Smeral en Neurath hetzelfde lot.

Een apart geval vormde de fractiestrijd in de Nederlandse CP. Daar deze partij niet pas na de Russische revolutie ontstond, maar zich als kleine links-socialistische sekte reeds in 1909 had geformeerd, zagen Wijnkoop en Van Ravesteyn, die een uiterst persoonlijk bewind voerden, zich gedwongen hun gezag en politieke lijn te verdedigen tegen de nieuw geworven ethisch-idealistische jongeren, de syndicalisten en de verwoede Komintern-aanhangers. De Komintern bleef lang naar een compromis streven totdat duidelijk bleek, dat Wijnkoop en Van Ravesteyn niet van plan waren om althans één parlementszetel in te ruimen voor een Communistische vakbondsman. Toen koos zij voor de oppositie. Wijnkoop en de zijnen vormden in 1926 een eigen partij die zich naast de officiële CPN, waarin Louis de Visser en Alex de Leeuw nu sterk op de voorgrond kwamen, wist te handhaven met een ongeveer even grote aanhang. Pas in 1930 ontbond Wijnkoop zijn partij en sloot zich met vele van zijn volgelingen weer bij de geheel gereorganiseerde CPN aan.

Deze koers van bureaucratische “bolsjewisatie” had beslist zeer weinig te maken met de theorieën die Lenin destijds had ontwikkeld over de structuur en besluitvorming van de revolutionaire partij van het proletariaat. Maar ze beantwoordde aan bepaalde tendensen in de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, tendensen die voortkwamen uit het isolement van de Russische revolutie. De Raad van Volkscommissarissen, die na de oktoberrevolutie de macht in Rusland overnam, was aanvankelijk een coalitieregering van bolsjewiki en linkse sociaal-revolutionairen. Maar deze coalitie viel uiteen n.a.v. de controverse over het vredesverdrag van Brest-Litowsk. In de bolsjewistische partij was na langdurige discussie de meerderheid voor de ondertekening van het verdrag. De linkse sociaal-revolutionairen wezen het resoluut van de hand. Dat de heerschappij door één enkele partij werd uitgeoefend, was derhalve het resultaat van het debat over de strategische en tactische vraagstukken van de revolutie, en geen doel dat uit de bolsjewistische theorie kon worden afgeleid. In de Russische burgeroorlog waren grote delen van het toch al zwakke industrieproletariaat tot het Rode Leger toegetreden. Een ander deel van de arbeidersklasse was naar het platteland teruggekeerd om mee te werken aan de verdeling van het grootgrondbezit. In de loop van de strijd waren belangrijke sectoren van het industriële productieapparaat vernietigd, en was de productie zelf aanzienlijk gedaald. Tijdens de burgeroorlog, die zo hard was, dat de terreur tot systeem kon worden, waren alle andere partijen eerst uit het openbare leven van het land, daarna uit de legaliteit verdrongen. De economische politiek vertoonde de eerste elementen van planning, maar voorlopig kon het alleen maar om een planning van de schaarste gaan en nauwelijks om een systematische opbouw.

Tot het einde van deze periode bestond er in de Communistische partij van Rusland een discussievrijheid, die was uitgebreid tot de vrijheid om binnen de partij fracties te vormen. Lenin’s partijtheorie was in oorsprong alleen ontworpen voor een strikt illegale partij, en na de revolutie was de partij van beroepsrevolutionairen bewust omgevormd tot een massapartij. Nu, na afloop van de burgeroorlog, moest begonnen worden met de systematische opbouw in de eerste plaats van de industrie. Voorwaarde daarvoor was, dat men de centrale instanties van staat en partij versterkte (ten koste van de regionale autonomie) en de industrie-arbeiders opvoedde tot arbeidsdiscipline (ten koste van het zelfbeheer in de bedrijven en de vakbonden). Over deze doeleinden waren alle groepen in de partij het eens, met uitzondering van de fractie van de Arbeiders-Oppositie. Zo kwam het tot het besluit van het tiende partijcongres, dat de interne fractievorming verbood. De gewelddadige conflicten met de arbeiders en matrozen van Kronstadt in 1921 toonden aan, hoe groot de tegenstelling was, die op grond van deze objectief noodzakelijke economische politiek tussen partij en bevolking ontstaan was.

De Nieuwe Economische Politiek (NEP), die deze periode kenmerkte, moest, zo hoopte de partij, buitenlands kapitaal aantrekken voor deelname aan de wederopbouw. De aaneensluiting van de tot dan toe soevereine nationale Sovjet-Republieken tot de USSR zou ertoe moeten bijdragen, deze politiek te systematiseren en coördineren. Maar de hulp van buitenlands kapitaal bleef uiterst gering. De voor de wederopbouw en de expansie van de industrie zo noodzakelijke investeringen moesten ook in het verdere verloop opgebracht worden, enkel en alleen door de consumptie van de werkende bevolking te beperken – zoals dat ook ten tijde van de kapitalistische industrialisatie in de West-Europese landen in de negentiende eeuw was gebeurd. Daar kwam nog bij, dat de investeringen in de eerste plaats naar de productiegoederen- en zware industrie vloeiden, en pas in de tweede plaats naar de consumptiegoederenindustrie. Dit verscherpte de tegenstelling tussen de arbeiders en de partij; de mogelijkheden voor democratisch zelfbeheer slonken. De radendemocratie werd een vlag, die de lading van de partijdictatuur moest verbergen. Partij en staat konden de groei van de economie niet afdwingen met dezelfde barbaarse middelen van de uitbuiting van kinderarbeid, waardoor voorheen de industrialisatie van West-Europa bereikt was.

Derhalve maakte men gebruik van administratieve dwang. De terreur was ontstaan als onvermijdelijk gevolg van de periode van de burgeroorlog. Nu werd zij geïnstitutionaliseerd. Dat was slechts mogelijk ten koste van de geestelijke vrijheid. De culturele bloei van de revolutietijd verstarde binnen dogmatische perken. Onderwijs en cultuur bleef men weliswaar stimuleren, maar voor kritisch denken was nauwelijks nog plaats. Het was onvermijdelijk, dat het antagonisme tussen de pretentie van de partij, socialistische doeleinden en marxistische ideeën te vertegenwoordigen, en de onmiddellijke realiteit tot scherpe controverses moest leiden. Zolang het gezag van Lenin, de leider van de oktoberrevolutie nog in staat was, de tegenstellingen binnen de leidinggevende kaders overtuigend te overbruggen, was er nog ruimte voor openlijke discussie binnen de partij. Maar toen Lenin in mei 1922 ernstig ziek werd en tenslotte op 24 januari 1924 stierf, ontkwam ook de partijtop niet meer aan de tendens, kritische discussies te verdringen door administratieve besluiten. Tegelijkertijd kwamen de kapitalistische economie en de politieke machtsverhoudingen in West-Europa tot stabiliteit. De hoop van de bolsjewiki, dat de benarde positie van de Sovjet-Unie spoedig opgeheven zou worden door een socialistische omwenteling in een grote industriële natie, ging niet in vervulling. De Russische Communisten negeerden echter vooralsnog dit inzicht en deelden de illusies van de verslagen revolutionaire vleugel van de West-Europese arbeidersbeweging. Anderzijds was het begrijpelijk, dat de revolutionaire fractie van de West-Europese arbeidersbeweging Rusland idealiseerde als het enige land, waar de socialistische revolutie gezegevierd had. Men spon een mythe, zonder kritisch te analyseren, in hoeverre de in Rusland opkomende vormen van heerschappij ontsproten aan de bijzondere situatie van politiek isolement, en in hoeverre zij overgeplant konden worden op de industrieel ontwikkelde landen. In 1925 beseften ook de Russische Communisten, dat het isolement voor lange tijd gehandhaafd zou blijven door de relatieve stabilisatie van het kapitalisme in de rest van de wereld en door de zich aankondigende nieuwe periode van hoogconjunctuur. Stalin bedacht in de tweede druk van zijn boekProblemen van het leninisme de formule van de “opbouw van het socialisme in één land”. Daarmee werd de gangbare voorstelling opgegeven, dat men in Rusland wel de politieke fundamenten en de economische voorwaarden kon scheppen voor een socialistische maatschappij, maar dat voor de verwerkelijking van het socialisme de samenwerking van meerdere industrieel ontwikkelde landen nodig was, Hiermee werd theoretisch gerechtvaardigd, dat de kritische solidariteit van de West-Europese Communistische partijen met de Sovjet-Unie was veranderd in een abstract geloof in de leiding van de Sovjet-Unie en de verplichting tot onvoorwaardelijke trouw en gehoorzaamheid. Onvermijdelijk vloeide hieruit vervolgens het recht van de sovjet-leiding voort, om deze partijen in de eerste plaats te gebruiken als tactische werktuigen voor de Russische buitenlandse politiek, desnoods zonder rekening te houden met de eigen behoeften van de arbeiders in de geïndustrialiseerde kapitalistische landen.

Reeds na het tweede wereldcongres van de Derde Internationale hadden de tegenspraken in deze ontwikkeling tot de consolidatie van de sociaal-democratische partijen geleid en hun hernieuwde internationale aaneensluiting. De herinnering aan de capitulatie van de Tweede Internationale voor de imperialistische oorlog en de medewerking van de rechtse sociaal-democratische leiders aan het instandhouden van de kapitalistische maatschappij maakte het vele socialistische partijen eerst nog onmogelijk om in de Tweede Internationale te blijven. Deze partijen sloten zich in februari 1921 in Wenen na lange onderhandelingen aaneen in de Internationale Werkgemeenschap van socialistische partijen. De socialistische partijen van Oostenrijk en Frankrijk, evenals de Duitse Unabhängige Sozial Demokratie waren hierbij aangesloten. Na het derde wereldcongres van juli 1921 luidde de Komintern een eenheidsfrontpolitiek in, om in bondgenootschap met de andere partijen beperkte gemeenschappelijke doeleinden te realiseren. De Labour Party verlangde onderhandelingen over de heroprichting van een onverdeelde arbeidersinternationale. Deze aanzetten deden voor een ogenblik de hoop ontstaan, dat het tenminste tot een eenheid van actie tussen de drie internationales zou kunnen komen. Maar doordat het Rode Leger het door mensjewiken geregeerde Georgië binnentrok, en door het proces tegen de Russische sociaal-revolutionairen kwamen de betrekkingen tussen de communisten en de andere arbeiderspartijen onder zware druk te staan. Zo kwam het weliswaar begin april 1922 in Berlijn tot een gezamenlijke zitting van de Executieven der drie Internationales met de Italiaanse socialisten, die bij geen enkele internationale organisatie aangesloten waren. Maar de daar ingestelde commissie ter voorbereiding van een internationale arbeidersconferentie strandde op de tegenstellingen tussen de beide socialistische internationale organisaties enerzijds, en de Komintern anderzijds.

De weg naar het samengaan van de Weense Werkgemeenschap en de Tweede Internationale in de Socialistische Arbeiders Internationale (SAI) in mei 1923 was zodoende geëffend. USPD en SPD waren reeds op het partijcongres van Neurenberg in 1922 herenigd, nadat de terreur van de reactie in Duitsland zich niet meer alleen op de communistische en links-socialistische arbeidersfunctionarissen richtte, maar ook naar de burgerlijk-republikeinse politici oversloeg. De aanleiding hiertoe was de aanslag op de minister van buitenlandse zaken, Walter Rathenau, geweest. Van toen af aan stonden in vrijwel alle Europese landen twee grote partijen tegenover elkaar. Beide beschouwden zich als vertegenwoordiger van de arbeidersbeweging; beide waren gebundeld in aparte internationale organisaties, de Socialistische Arbeiders Internationale en de Communistische Internationale. Klaarblijkelijk was het beslissende probleem voor langere tijd niet meer actueel: het probleem, op welke wijze de politieke macht veroverd diende te worden – door revolutionaire instelling van de dictatuur van het proletariaat in de vorm van het radensysteem, of door het veroveren van de parlementaire meerderheid in de burgerlijk-democratische staten. Niettemin was de splitsing scherper en het wederzijds wantrouwen dieper geworden. De mythologisering van de Sovjet-Unie in de communistische partijen versterkte de socialistische arbeiders in hun scepsis. Tegen deze achtergrond was het mogelijk, dat de rechtse sociaal-democratische leiders hun falen in de Eerste Wereldoorlog handig naar de achtergrond konden dringen, dat ze de sociale en politieke successen uit de revolutieperiode als resultaten van hun politiek deden voorkomen en de tegenslagen uit de erop volgende periode van reactie als consequentie van de splitsing door de communisten af konden schilderen. Aan het begin van de conjunctuurgolf representeerden dientengevolge de sociaal-democratische partijen in alle grote Europese landen de meerderheid van de arbeidersbeweging. Alleen in de Balkanstaten, in Joegoslavië, Bulgarije en Griekenland, waar de rechtsstaat en de democratie waren afgelost door militaire dictaturen, hadden de communisten de meerderheid van de klassenbewuste arbeiders op hun hand. Ook in Italië bleken zij – ondanks hun zware tactische en strategische fouten in de strijd tegen het fascisme – beter tegen de situatie van de illegaliteit opgewassen dan hun socialistische concurrenten. Na de dood van Gramsci werd Togliatti de erkende leider van de partij.

De nieuwe opleving van het Europese kapitalisme werd ondersteund door de kapitaalexport en de krediethulp van de Verenigde Staten. De enorme winsten in de Eerste Wereldoorlog hadden de Amerikaanse concerns in staat gesteld om op nieuwe productiemethoden over te schakelen. De demobilisatie- en inflatiecrisis van het Europese kapitalisme had evenwel ook hier de concentratie en centralisatie van het kapitaal versneld, en de betekenis van kleine en zelfstandige producenten aanmerkelijk verminderd. De VS waren nu sterk genoeg om de productiemethoden van de nieuwe wereld (bijv. de productie aan de lopende band) op Europa over te planten, en met “rationalisatie” te beginnen. Hoewel New York Londen als financieringscentrum van de wereld had verdrongen, hoopten de Europese concerns en grote banken toch, dat zij hun oude positie nog konden heroveren. Hadden zij als permanente raadsleden van de Volkerenbond niet de hele wereld onder controle, nadat de Verenigde Staten zichzelf buiten spel gezet hadden? En was het Europese concert na het toetreden van het Duitse Rijk niet weer in volle gang? Bovendien was men erin geslaagd, de koloniaal-revolutionaire bewegingen die de fundamenten van hun macht bedreigden, onder de duim te houden. De Chinese revolutie werd teruggeslagen door de compromissen tussen de militaire machthebbers in het noorden, de feodale heren en de geldoligarchie. Zou het zodoende misschien niet mogelijk zijn, de economische macht van de VS te compenseren met de politieke macht van de Europese imperialistische staten, als die er maar in zouden slagen, de productiemethoden te moderniseren?

De economische opbloei vergrootte vooreerst de kansen van de linkse burgerlijk-democraten die in 1924 de Franse verkiezingen wonnen, maar ook die van de reformistische arbeidersbeweging die in 1923 in Engeland aan de macht kwam door de verkiezingsoverwinning van de Labour Party. Maar het lot van de – van de liberalen afhankelijke – Labourregering toonde de grenzen van een reformistische arbeiderspolitiek. Na tien maanden werd zij ten val gebracht, ondanks aanzienlijke successen in de buitenlandse politiek. Zij had de Sovjet-Unie erkend, had bemiddeld in het Duits-Franse conflict, en de beslissende formuleringen van de protocollen van Genève doorgezet. Een dergelijke politiek ging evenwel de maat te boven, die de heersende klassen toelaatbaar scheen. Deze waren wel bereid, aan het algemeen verlangen naar vrede dat na afloop van de Eerste Wereldoorlog heerste tegemoet te komen, door de instelling van de Volkerenbond en het openen van min of meer vrijblijvende ontwapeningsonderhandelingen. Maar zij wilden het recht om imperialistische oorlogen te ontketenen niet serieus ter discussie laten stellen door een ondubbelzinnige definitie van de agressieoorlog. Zodoende werd het eerste Labour-kabinet tot aftreden gedwongen door een door de hele burgerlijke pers opgehitste antibolsjewistische hysterie, die aanknoopte aan een wat onhandig artikel in de communistische Daily Worker. De daaropvolgende verkiezingsstrijd van het jaar 1924 werd door de conservatieven gewonnen, doordat zij juist die hysterie wisten uit te buiten, waarbij men er zelfs niet voor terugschrok een brief van Zinovjev bewust te vervalsen.

In deze verandering van de politieke situatie in Engeland kwamen de consequenties aan het licht van een wijziging in de sociale stratificatie die sinds het laatste decennium van de 19e eeuw, en als gevolg van de ontwikkeling van het moderne oligopoliekapitalisme alle industrieel-kapitalistische landen had gekenmerkt. Door de rationalisatie en de uitbreiding van de taken van de staat in de sector van de bewapening en de sociale politiek trad deze structuurwijziging versneld op de voorgrond. Het procentuele aandeel, dat de afhankelijke arbeiders in de totale beroepsbevolking hadden stagneerde; het procentuele aandeel van bedienden en ambtenaren in particuliere of openbare dienst steeg daarentegen snel. Deze laag leeft weliswaar eveneens van de verkoop van haar arbeidskracht, waarover ofwel het kapitaal beschikt, ofwel de door het kapitaal gecontroleerde overheid. Maar zij valt gemakkelijker te manipuleren dan de laag der industriearbeiders, doordat zij de traditie van de klassenstrijd mist, en doordat zij aanspraak maakt op een hoger sociaal prestige dan de industriearbeiders, wat oppervlakkig bekeken lijkt te worden gerechtvaardigd door de geringe privileges in hun rechtspositie. Het illusionaire geloof in promotiekansen vormt bovendien een belemmering voor het solidariteitsgevoel dat voor de industriearbeiders een vanzelfsprekende zaak is. Deze “kaders” – zoals ze in de Franse sociologie genoemd worden – verschillen weliswaar niet in sociaal-structureel opzicht van de industriearbeiders, maar wel in sociaal-psychologisch opzicht. Zolang zij op grond van een ontbrekend besef van hun eigen maatschappelijke positie niet inzagen, dat hun belangen in principe gelijk waren aan die van de industriearbeiders, neigden zij ertoe, hun vertrouwen steeds in die maatschappelijke kracht te stellen die het meest doortastend optrad. Aangezien de Labour Party verstrikt was in de reformistische ideologie, kon zij geen partij bieden tegen de anti-socialistische agitatie van de gehele pers. De employees en ambtenaren werden in de verkiezingsstrijd voor de conservatieven gewonnen.

De economische bloei die nu intrad, maakte in alle landen van het Europese kapitalisme grote concessies aan alle lagen der loonafhankelijken mogelijk op het gebied van de lonen en de sociale voorzieningen. Maar steeds waren zij het resultaat van vakbondsstrijd en de politieke druk van de arbeiderspartijen. Deze konden hun politiek gewicht aanmerkelijk verzwaren, sinds de Komintern tot de eenheidsfrontpolitiek tegenover de sociaal-democratische organisaties teruggekeerd was en sinds de sovjet-leiding de zogenaamde “relatieve stabilisatie” van het kapitalisme erkend had. Gezamenlijk ingezette strijd voor sociale hervormingen deed tijdens de periode van hoogconjunctuur de verloren gegane invloed van hun grote partijen al spoedig herleven. Deze “wending” van de Komintern kwam evenwel tot stand door mechanische instructies van bovenaf en niet in vrije discussies tussen de leden; hetgeen een verdere ont-democratisering van de partijstructuur inhield, die zich vroeg of laat moest wreken, namelijk op het moment dat het bureaucratisch centralisme niet meer toereikend zou zijn om de partijen te leiden.

Voorlopig echter steeg het levenspeil van de arbeiders en konden er belangrijke concessies verkregen worden op sociaal gebied. In Duitsland moest de coalitieregering van alle burgerlijke partijen aan de twee arbeiderspartijen en de vakverenigingen de wet op de werklozenverzekering en de wet op de arbeidsgeschillen inwilligen, omdat de grootbourgeoisie en haar politieke partijen anders een groot deel van hun kiezers zouden hebben verloren. Want sedert de volksbeweging voor onteigening van de voormalige regerende Duitse dynastieën — waaraan onder druk van de KPD ook de SPD moest deelnemen vertegenwoordigde de arbeidersbeweging weer een reële politieke macht, vooral voor het bewustzijn van de katholieke industriearbeiders en employees in het Christelijk Vakverbond. De stijging van het levenspeil van de loonafhankelijken hield echter hoogstens gelijke tred met de stijging van de productiviteit dankzij de technische vooruitgang. Hun aandeel in het nationaal product was t.o.v. de periode voor de Eerste Wereldoorlog niet gestegen. De verkiezingen voor de Duitse Rijksdag in 1928, die tijdens het hoogtepunt van de conjunctuur werden gehouden, werden tot een groot succes voor de arbeidersbeweging. Zowel de sociaal-democraten als de Communisten konden hun stemmen- en zetelaantal aanzienlijk verhogen. Voor het eerst sinds lange jaren werd er weer een regering gevormd, die door sociaal-democraten geleid werd.

In de andere grote industriële landen verliep de ontwikkeling in deze conjunctuurperiode op vergelijkbare wijze. Nadat Moskou zijn koers had gewijzigd en een eenheidsfrontpolitiek was gaan volgen, onderhandelden de Engelse en de sovjet-vakverenigingen over de aaneensluiting van de Vrije en de Rode Vakbewegings Internationale (RVI). Deze onderhandelingen stagneerden, doordat talrijke reformistische vakcentrales tegenstand boden en de RVI slechts schoorvoetend tot concessies bereid was. Men vormde een permanent Engels-Russisch vakbondscomité. De loonpolitiek werd geactiveerd. De samenwerking vond zijn hoogtepunt in de Britse mijnwerkersstaking van 1926, die door solidariteitsvergaderingen en -stakingen ondersteund werd. In mei 1926 groeide deze beweging uit tot een algemene staking, uitgeroepen door de Trade Unions Council. De Engelse vakbondsleiders weigerden uit angst voor de “publieke opinie” de geldelijke steun aan te nemen, die om redenen van solidariteit door de Russische vakverenigingen werd aangeboden. Een algemene staking zonder dat een concreet politiek doel nagestreefd wordt, en die op vastberaden tegenstand van de staatsmacht stuit heeft echter nauwelijks kans van slagen. Na negen dagen moest hij zonder resultaat afgebroken worden. Maar ondanks deze nederlaag was ook in Engeland de arbeidstijd verkort, en waren de lonen verhoogd. De verkiezingen van mei 1929 brachten de Labour Party als sterkste partij in het parlement, en leidden tot de vorming van het tweede kabinet MacDonald.

Deze periode van hoogconjunctuur stond alom in het teken van de verdere centralisatie van het kapitaal en de versterking van de macht van de concerns. Maar door allerlei fusies ontstonden ook de eerste internationale concerns. Daardoor ontstond niet alleen in het management van de kapitalistische mammoetconcerns zelf, maar ook in de bureaucratische apparaten van de grote arbeidersorganisaties de illusie, dat er een tijdperk van internationaal plankapitalisme aangebroken was, dat het probleem van recessies of zelfs crises niet meer zou kennen. Derhalve zag de vakbewegingsbureaucratie het onder deze omstandigheden als haar enige taak, vooruitgang op sociaal gebied na te streven d.m.v. compromissen met het management. De politieke vertegenwoordigers van het management zouden alleen reeds uit eigenbelang wel voor verdere ontwikkeling en stabilisatie van de economie zorgen. De compromissen dacht men het gemakkelijkst te kunnen bereiken louter door overeenstemming tussen vakbewegingsbureaucratie en management.

Al te snel vergat men, dat de laatste verkiezingssuccessen van de arbeiderspartijen in Engeland en Duitsland het gevolg waren geweest van de Duitse referendumbeweging en de Britse massastaking, d.w.z. twee machtige, zij het uiterlijk vruchteloze sociale acties, die het zelfbewustzijn van de arbeiders hadden versterkt en de weifelende lagen aan hun kant gebracht hadden. De rede van Rudolf Hilferding op het partijcongres van de SPD in Kiel, in 1927 was de duidelijkste formulering van deze denkbeelden. Men beschouwde het enkel als onbeduidende schoonheidsfout, dat de structurele werkloosheid, ontstaan door de rationalisatie, ondanks de hoogconjunctuur bleef voortbestaan (zoals de huidige structurele werkloosheid in de VS die door de automatisering wordt veroorzaakt), dat de crisis in de landbouw voortduurde en de kleine producenten langzaam maar zeker werden verdrongen. Zo ontstond een situatie vol scherpe tegenspraken: in Duitsland en Engeland stagneerde nog tijdens de hoogconjunctuur de vooruitgang op het gebied van de lonen en de sociale voorzieningen. En dat gebeurde op hetzelfde moment, waarop de grootste partijen van de Tweede Internationale in de belangrijkste industriestaten van Europa aan de regering gingen deelnemen. Zij waren nu in de eerste plaats aan burgerlijke partijen gebonden: de SPD aan haar coalitiepartners, de Labour Party aan de liberalen, waarvan zij bij iedere stemming in het parlement afhankelijk was. Ten tweede voelden zij zich de representanten van een abstract, zogenaamd democratisch staatsbelang, dat zij niet opvatten in de zin van het gegeven constitutionele recht, maar zoals het door de burgerlijke rechts- en staatswetenschap geïnterpreteerd werd, zonder dat het vanuit een klassenstandpunt geanalyseerd werd. Maar juist ook daardoor wisten zij de arbeidersmassa’s te binden, die op hen hadden gestemd. Want de meerderheid van de arbeiders stelde aanvankelijk nog steeds hun vertrouwen in hen: zij hoopten dat de socialistische ministers nu in de regering datgene voor hen gedaan zouden krijgen, waarvoor zij tevoren zelf actief hadden moeten vechten. In Duitsland sloeg de vooruitgang op sociaal gebied voordat de grote crisis haar intrede deed, reeds om in het verloren gaan van al verworven sociale rechten, namelijk tijdens de massale uitsluiting van de metaalarbeiders in 1928.

Hun mislukte pogingen om de toon aan te geven, werden de in de regering zittende reformistische arbeiderspartijen nog vergemakkelijkt doordat de Komintern intussen weer van de eenheidsfrontpolitiek afgestapt was. Zij voerde een steeds scherper wordende polemiek tegen de leiders van de sociaal-democratie en hun politiek, maar ook tegen hun organisaties, ja zelfs tegen hun individuele leden. Tot dan toe hadden de sociaal-democratische arbeiders opengestaan voor deel- en overgangseisen van de communisten. De nieuwe, voor de arbeiders onbegrijpelijke “wending” bevrijdde de sociaal-democratische leiders verregaand van deze druk die op hen door hun achterban werd uitgeoefend.

Deze wending was ingeluid door een overeenkomst tussen de Duitse en de Sovjet-delegatie op het IX-de plenum van de Executieve van de Komintern in februari 1928. Eind maart 1928 werd zij consequent voortgezet door het IV-de congres van de Rode Vakbewegings Internationale en in juli en augustus 1928 door het VI-de congres van de Komintern. In plaats van de leuze: eenheid van actie van de vakbonden, kwam nu de nauwelijks verhulde koers van de vakbondsscheuring. De Revolutionaire Vakverenigings Oppositie (RVO) in de reformistische vakverenigingen hoefde zich niet meer gebonden te voelen aan de organisatiediscipline, en moest eventueel zelfstandige stakingen leiden. Noodzakelijk gevolg hiervan was, dat de RVO uit de bedrijven werd verdreven, zodat de communistische partijen nog voor her aanbreken van de economische crisis werklozenpartijen werden. Het tegen de rechts-socialistische leiders gerichte parool “dwing de bonzen”, werd vervangen door de simpele eis, de leiding af te lossen en door het illusionaire doel, de massa’s te verenigen in een “eenheidsfront van onderop”.

Aan deze wending lag een juiste prognose over het verloop van de conjunctuur ten grondslag. Eugen Varga, de belangrijkste marxistische econoom van die tijd, had voorspeld, dat er spoedig een zware economische crisis zou uitbreken. De burgerlijke academische economie in alle landen daarentegen geloofde – evenals de reformistische economische theorie – nog steeds in het onbeperkt aanhouden van de hoogconjunctuur. Had men de veroverde sociale posities willen verdedigen, die in een crisis onvermijdelijk zouden worden bedreigd, en had men nieuwe socialistische overgangseisen willen doorzetten, had men de democratie tegen het fascistische gevaar willen verdedigen, dan was het noodzakelijk geweest, dat alle groepen voor de strijd werden gebundeld. Maar de communistische leiders verwachtten, dat de arbeiders zich onmiddellijk achter hén zouden scharen, wanneer het “verraad” van de sociaal-democraten maar vroeg genoeg aan de kaak gesteld werd. Zodoende werden de aanbiedingen aan de leidende groepen van de sociaal-democratie en de vakbeweging om tot een eenheidsfront te komen niet meer verder gezet.

De communistische wending naar “links” was voor een groot deel het gevolg van de economische en sociale crisis, waarin Sovjet-Rusland aan het einde van de NEP-politiek terecht was gekomen. De NEP-politiek had de sociale differentiatie onder de kleine landbouwproducenten versterkt. De industriële productie had zich maar langzaam ontwikkeld en was nog niet omvangrijk genoeg om de landbouwcoöperaties met zoveel machines uit te rusten, dat het voor de boeren aantrekkelijk werd op collectieve productie over te gaan. De afzet van landbouwproducten verliep nog volgens het marktmechanisme, en dit mechanisme volgde nog altijd zijn eigen logica, de logica van de winst en dus van de bevoordeling van de grote boeren. Ze was nog niet omgezet in een instrument van de geplande economische groei. Zo waren er forse discrepanties ontstaan in het proces van economische opbouw: discrepanties die in de partijtop tot steeds nieuwe wisselingen in de groeperingen leidden. De groep Zinovjev-Kamenev-Stalin, die destijds Trotski had verslagen, was uiteengevallen. Stalin, de leider van de partijbureaucratie, was tijdelijk een pact aangegaan met Boecharin en de vakbondsleider Tomsky. Zinovjev en Kamenev hadden een nieuwe linkse oppositiegroep gevormd, die na enige tijd een bondgenootschap met Trotski aanging, die de mogelijkheden van de West-Europese arbeidersbeweging het meest realistisch beoordeelde. Maar toen kwam het bij de voorbereiding van het eerste vijfjarenplan, in 1927, het jaar waarin Trotski uit de partij geroyeerd werd en naar Alma Ata verbannen, tot een conflict tussen Boecharin en de voluntaristisch denkende groep rondom Stalin. Stalin hield vast aan de attractieve wensgedachte dat het revolutionaire proces in het Westen snel zou voortschrijden. Deze verwachting stelde voor de gecompliceerde situatie van de Sovjet-Unie een aanzienlijke verlichting in het vooruitzicht. Uit de nederlaag van de Chinese arbeidersbeweging – waarvoor Stalin medeverantwoordelijk was doordat de coalitiepolitiek met Tsjang Kai-tsjek te lang voortgezet werd – trokken de bureaucraten prompt de omgekeerde conclusie, dat iedere bondgenotenpolitiek met onzekere bondgenoten tot catastrofale tegenslagen moest leiden. Parallel aan de “linkse” wending in de politiek van de Komintern vond ook in de binnenlandse politiek van de Sovjet-Unie een abrupte voluntaristische wending plaats in de economische politiek, toen het eerste vijfjarenplan van kracht werd. Dit plan maakte een einde aan de NEP-politiek en betekende het beging van de industriële opbloei van de Sovjet-Unie. Het was zeker gewenst, de overgang van burgerlijk-democratische vormen van kapitalistische klassenheerschappij naar fascistische ontwikkelingstendensen van te voren te onderkennen. Maar het was nonsens, achter iedere beslissing van burgerlijke staten tegen de arbeidersbelangen reeds het fascisme te vermoeden en spoedig de gehele sociaal-democratie als “sociaal-fascistisch”, als “links bruggenhoofd van de fascisering” te belasteren. Dit maakte ieder bondgenootschap met haar aanhangers om tegen dit gevaar te strijden, objectief onmogelijk. Deze politiek heeft een vrijwel onoverbrugbare kloof geschapen tussen sociaal-democratische en communistische arbeiders.

Noch de reformistische, noch de communistische partijen bleken opgewassen tegen de economische crisis, die medio 1929 uitbrak. Deze crisis en de daaruit voortvloeiende massale werkloosheid maakte het de ondernemers in alle landen mogelijk, een energieke aanval op het bestaande loonpeil en de sociale rechten van de loonafhankelijken te ondernemen. De reformistische arbeidersorganisaties konden daar geen effectieve tegenstand tegen bieden. Zij vertrouwden immers op de legaliteit van de burgerlijk-democratische staat en waren afkerig van buitenparlementaire massa-acties die in een dergelijke situatie maar al te gauw in revolutionaire strijd konden omslaan. De communisten waren vervreemd van de door reformisten geleide fabrieksarbeiders, doordat zij tegen hun organisaties polemiseerden en omdat hun abstracte oproepen tot actie geen weerklank vonden. Ook waren zij voordien al voor een groot deel uit de bedrijven verdrongen vanwege hun splitsingspolitiek in de vakbonden. Nu werd de KP, met name in Duitsland, tot zuivere werklozenpartij. Maar met werklozen alleen kan men wel straatdemonstraties houden, maar geen werkelijke strijd om de macht voeren. Omdat de verdeelde arbeidersbeweging aan de middenlagen, de bedienden en ambtenaren die door de crisis werden bedreigd, geen effectieve bescherming van hun sociale belangen bood, en zij geen werkelijke macht meer leek te vertegenwoordigen, vestigden deze middenlagen al hun hoop op het fascisme. In alle Europese landen deden zich parallelle ontwikkelingen voor.

In Duitsland, dat het hardst getroffen werd door de crisis, viel de sociaal-democratisch geleide coalitieregering in maart 1930 als gevolg van deze tegenspraken uiteen. De vakbonden konden niet akkoord gaan met de verlaging van de werklozenuitkeringen. Onder kanselier Brüning begon de ontbinding van de democratische staatsinrichting. Een rigoureuze politiek van loons- en salarisverlagingen en van verhoging van de massabelastingen begon. Na de verkiezingen in september 1930, die de eerste verkiezingsoverwinning van de nationaal-socialistische NSDAP brachten, steunde de SPD het kabinet-Brüning in het parlement. De bevolking beschouwde haar toen als medeverantwoordelijk voor de vruchteloze politiek van de regering. Een socialistische uitweg uit de crisis was alleen mogelijk geweest door gemeenschappelijke acties van alle arbeiders voor het herstel van de democratie, voor afschaffing van de presidentiële dictatuur en door een socialistische productiecontrole. Dit wilde de reformistische leiding niet, omdat ze het risico van een massale actie niet wilde aangaan. Toen Brüning’s opvolger als rijkskanselier, Von Papen, op 20 juli 1932 d.m.v. een openlijke staatsgreep de sociaal-democratische regering van de deelstaat Pruisen afzette, durfde de SPD haar aanhang niet op te roepen tot acties.

De KPD behaalde in de vele verkiezingen tussen 1930 en 1933 het ene succes na het andere. Werden er industriearbeiders werkloos, dan gingen zij als kiezers over naar de communisten, omdat de schijnradicale polemiek tegen de sociaal-democratie hen juist leek. Maar de fascistische massabeweging groeide veel sneller. Daar zochten de vroegere kiezers van de burgerlijke partijen hun toevlucht. Toen de NSDAP bij de verkiezingen voor de Rijksdag in november 1932 een terugslag te verwerken kreeg, eisten invloedrijke personen uit het Duitse bedrijfsleven, dat Adolf Hitler tot rijkskanselier zou worden benoemd. Ze zagen in het bestaan van de nationaal-socialisten een tegenwicht tegen de arbeidersbeweging. Bovendien wisten zij, dat de NSDAP zijn aanhang alleen bij elkaar kon houden door het geloof in een spoedige overwinning van de partij. Zo werd na het kort intermezzo van de regering van generaal von Schleicher, op 30 januari 1933, Adolf Hitler benoemd tot rijkskanselier. Ook nu weer zagen de sociaal-democratische leiders af van iedere actie, en troostten zij zichzelf en hun aanhang met de komende verkiezingen. Maar ook de communisten begrepen de betekenis van deze gebeurtenissen eerst niet; in hun ogen waren alle voorafgaande presidentiële regeringen al fascistisch geweest.

De vijandschap tussen beide arbeiderspartijen had het mogelijk gemaakt, dat het nationaal-socialisme in het belangrijkste land van Centraal-Europa de overwinning behaalde. Het was niet tot een serieuze poging gekomen zich openlijk tegen het fascisme te verzetten. De Duitse arbeidersbeweging; die tot 1914 de modelpartij van de Tweede Internationale geweest was, was met stille trom ten onder gegaan. Daarmee was de kapitalistische uitweg uit de economische crisis veiliggesteld: de deur naar bewapening en voorbereiding van de volgende imperialistische oorlog stond open.

In de daaropvolgende weken werd de legale structuur van de arbeidersorganisaties systematisch vernietigd. Het was tevergeefs, dat Otto Wels in zijn overigens zo moedige rede tegen de Ermächtigungsgesetz (machtigingswet, waarbij de wetgevende bevoegdheid van de Rijksdag gedelegeerd werd aan de rijksregering onder leiding van Hitler) in de Rijksdag, zweeg over de terreur tegen de KPD en over de ongrondwettige arrestatie van haar afgevaardigden. Het baatte de vakbewegingsleiders niet, dat ze zich van de SPD afscheidden en de nationaal-socialistische manifestatie op 1 mei 1933 ondersteunden. Ze werden gearresteerd en hun organisaties vernietigd. Het hielp de SPD niets, dat zij uit de Socialistische Arbeiders Internationale trad, om daarmee te protesteren tegen de kritiek van deze Internationale op de maatregelen van de Duitse regering. Het was tevergeefs, dat de sociaal-democratische fractie in de Rijksdag op 17 mei 1933 Hitler’s “vredes-resolutie” goedkeurde en haar eigen geëmigreerde leden van het partijbestuur verloochende. De partij werd verboden, haar zetels in het parlement vervallen verklaard.

Talloze functionarissen uit de sociaal-democratie en de vakbeweging, de leden van kleine tussengroepen van de arbeidersbeweging die door de steriele politiek van de twee grote partijen waren ontstaan, en de functionarissen van de KPD begonnen het illegale verzet tegen het nieuwe regime te organiseren. Het duurde nog lang, voordat de massa der industriearbeiders zich geestelijk aan het nationaal-socialisme had onderworpen. De verkiezingen voor de ondernemingsraden van 1933 leverden de nationaal-socialisten maar 25% van de stemmen op, voor het merendeel afkomstig van de employees. Het regime heeft het nooit aangedurfd de resultaten van de verkiezingen voor de bedrijfsvertrouwensraden van 1934 openbaar te maken. Maar ook in het verzet bleef het wederzijdse wantrouwen bestaan. Nog steeds beschouwden de communisten zelfs de in de illegaliteit werkzame arbeiders en intellectuelen van andere groepen als hun tegenstanders, niet als bondgenoten.

Van bijzondere betekenis werd de houding van Dimitrof tijdens het Rijksdagbrandproces. Deze brand was gesticht door de Nederlandse radencommunist Rinus van der Lubbe in de hoop hierdoor de Duitse arbeiders wakker te schudden zodat zij buiten alle partijen om tegen Hitler in opstand zouden komen. Het tegendeel gebeurde. Hitler greep de brand aan om de terreur te verscherpen, de communisten ervan te beschuldigen en deze buiten de wet te stellen. Ook Dimitrof werd ervan beschuldigd. Onverschrokken en zelfbewust verdedigde hij zichzelf en de Komintern tijdens het Rijksdagbrandproces dat met de terechtstelling van Rinus van der Lubbe eindigde en hierdoor groeide het prestige van de communisten weliswaar bij de andere illegale groepen en in het buitenland, maar de kloof, die de “linkse” wending van de Komintern in 1928 had geschapen, werd niet overbrugd. Ook nu nog geloofden de communistische leiders, dat het fascistisch regime niet principieel verschilde van de politieke machtsvormen van de kapitalistische maatschappij die eraan voorafgegaan waren, Zij rekenden op een spoedig ineenstorten van het fascisme. De successen van de Rijksregering in de binnenlandse politiek en het teruglopen van de massale werkloosheid in de nu opkomende bewapeningsconjunctuur droegen er na 1936 toe bij, dat de illegale resten van de arbeidersbeweging van de massa der arbeiders geïsoleerd werden.

In de andere landen van het continent werd door de successen van het Derde Rijk de ontplooiing van fascistische bewegingen gestimuleerd. De rechtse burgerlijke partijen van de andere Europese staten waren nog niet bereid om in de buitenlandse politiek grote concessies aan het Duitse fascisme te doen. Maar onder de gegeven omstandigheden in Duitsland zagen zij geen acceptabel alternatief voor het fascisme. Bovendien hoopten zij de expansiedrift van het Derde Rijk tegen de USSR te kunnen richten. Het Vaticaan had in 1929 een Concordaat met de Italiaanse, en in 1933 met de Duitse fascistische regering gesloten en daarmee getoond, dat het geenszins principieel afwijzend stond tegenover dit soort machtsvormen. Daarmee oefende het invloed uit op de politiek van katholiek rechts in alle Europese landen.

De internationale arbeidersbeweging daarentegen was door de catastrofe in Duitsland geactiveerd. De arbeiderspartijen waren onmiddellijk met de neus op het fascistisch gevaar gedrukt. Ook in de communistische partijen groeide de druk van leden, die geen herhaling wensten van de fouten, die in Duitsland waren begaan.

In Engeland was sinds de verkiezingen van mei 1929 een arbeidersregering aan de macht. Door het uitbreken van de wereldomvattende economische crisis werd zij voor de volgende keuze gesteld: zij kon in de eerste fase van de crisis ofwel met de traditionele middelen van de deflatiepolitiek opereren en de werklozenuitkeringen verlagen, dan wel – zoals JM. Keynes en G.D.H. Cole bepleitten – het afschaffen van de gouden standaard combineren met handelsprotectie en controle op de import. Maar deze weg zou automatisch tot socialistische oplossingen hebben geleid, als men hem niet wenste te combineren met bewapeningsexperimenten. In Duitsland hadden de ondernemers in 1930 op soortgelijke wijze bij de sociaal-democratische kanselier Hermann Müller aangedrongen op deflationistische maatregelen en op een verslechtering van de werklozenuitkeringen. De Duitse kanselier wilde wel toegeven, maar zijn partij stelde zich hiertegen teweer. Ook in Engeland paste premier MacDonald zich aan de eisen van de ondernemers aan, terwijl de partij en de vakverenigingen weigerden hiermee in te stemmen. Anders evenwel dan de Duitse rijkskanselier Hermann Müller onderwierp MacDonald zich niet aan zijn partij. Samen met de conservatieven en liberalen vormde hij in augustus 1931 een coalitiekabinet tegen zijn eigen partij. In deze conflictsituatie tussen de Labour Party en haar voormalige leiding, leverden de nieuwe verkiezingen een grote meerderheid voor de conservatieven op. Maar anders dan de Duitse sociaal-democratie had gedaan met haar politiek van toegevendheid aan de noodmaatregelen van Brüning, maakte de Labour Party zich niet medeverantwoordelijk aan een verlaging van de lonen en de werklozenuitkeringen, maar streed hiertegen. Op deze wijze wist zij te vermijden, dat de middenlagen naar fascistische groeperingen weggezogen werden. De eenheid van de arbeidersbeweging bleef gehandhaafd en de burgerlijke democratie werd gered in de crisis. De afscheiding van de ILP van het partijblok leidde in deze situatie tot haar isolement; zij werd een sekte.

Alleen in Frankrijk en Spanje had de eerste fase van de wereldomvattende economische crisis het politieke zwaartepunt voorlopig naar links verlegd. De militaire dictatuur van generaal Primo de Rivera, die sinds 1923 in Spanje aan de macht was, stortte eind januari 1930 onder de druk van de arbeiders, intellectuelen en middenlagen in. Bij de gemeenteraadsverkiezingen op 12 april 1931 behaalde het republikeinse blok van socialisten en linksburgerlijke partijen zo’n duidelijke overwinning, dat ook de monarchie afgeschaft werd. In plaats daarvan kwam er met de grondwet van 9 december 1931 een democratisch-sociale republiek, die een strenge scheiding van kerk en staat afkondigde. De onvoldoende doorvoering van de landbouwhervormingen en het feit dat de anarchisten en de syndicalistische massavakbeweging CNT terugkeerden tot de politiek van onthouding van verkiezingen, maakten evenwel in november 1933 de verkiezingsoverwinning van een coalitie van katholieke en grootburgerlijke partijen mogelijk. De door hen gevormde regering bleef dankzij de steun van het leger en de hoge clerus sterk genoeg om in oktober 1934 de opstand van de Catalaanse autonomisten en de mijnwerkers in Asturië neer te slaan. De militaire dictatuur, die Portugal sinds 1926 in zijn greep had, had zich in 1933 omgevormd tot de Estado Novo van Salazar, die geen enkele door een rechtsstaat verzekerde democratische wilsvorming van de arbeidersklasse en de onderste maatschappelijke lagen toestond. De Spaanse regering wist zich weliswaar verzekerd van politieke steun in de rug door haar buurland op het Iberisch schiereiland, maar zij was niet sterk genoeg om de democratische grondrechten buiten werking te stellen. De Spaanse arbeiders hadden de ervaringen opgedaan van de verkiezingsnederlaag van 1933 en de mislukte opstand van 1934. Zij eisten nu van de elkaar onderling bestrijdende richtingen binnen de Spaanse arbeidersbeweging, dat ze zich tenminste zouden verenigen tot gemeenschappelijke acties tegen de regering. Het ging om vier richtingen: (1) de anarcho-syndicalistische groep in de FAI en de CNT (2) de vrijwel even sterke sociaal-democraten en hun vakbeweging, de UGT (3) de kleine communistische partij, en (4) de oppositioneel-communistische POUM. Het verzet van de Catalaanse en Baskische burgerlijke democraten tegen het centralisme van Madrid maakte hen tot potentiële bondgenoten.

Ook in Frankrijk hadden de verkiezingen van mei 1932 een meerderheid opgeleverd voor het kartel van burgerlijk-radicale socialisten en de SFIO. Maar door de economische crisis en de zege van het fascisme in andere Europese landen waren de radicale regeringen zeer wankel. Ze konden niet effectief optreden tegen de economische crisis. Zo begonnen teleurgestelde kleine producenten, kleine zakenlieden en rentetrekkers zich te verzamelen in fascistische groepen, het Croix de Feu van overste de la Roque, de Jeunesses Patriotes, de oude royalistisch antisemitische Action Française van Charles Maurras, de Solidarité Française en de Camelots du Roi. Ze waren nog niet onder één leiding verenigd, toen een financieel schandaal hun de gelegenheid bood een frontale aanval op de parlementaire democratie in te zetten. De arbeiders van de SFIO, evenals die van de PCF, drongen aan op gezamenlijk verzet. De communisten weigerden echter, en royeerden één van hun leidende representanten, Jacques Doriot, uit de partij, toen deze zich voor gezamenlijke actie inzette.

De fascistische organisaties hielden op 6 februari 1934 in Parijs een massale betoging. Zij trachtten tot in het parlement door te dringen. De politie kon weliswaar de bestorming van het parlementsgebouw verhinderen, maar de volgende dag trad Daladier af als minister-president. Hij werd als regeringsleider opgevolgd door de leider van de rechtervleugel van de radicalen, Gaston Doumergue. Het gevaar voor de republiek was dus geenszins geweken. De leiding van de socialistische vakcentrale CGT nodigde daarom de leiding van de twee arbeiderspartijen en de communistische vakcentrale CGTU uit, om afspraken te maken voor een gemeenschappelijke algemene werkstaking van één dag. De PCF nam aan deze bespreking deel, hoewel zij nog niet afgestapt was van het officiële parool, elk eenheidsfront met de leiding van sociaal-democratische organisaties af te wijzen. Eens te meer leed de overeenstemming voor een gemeenschappelijke staking schipbreuk. De PCF en de CGTU kondigden voor de 9-de, de SFIO en de CGT de 12-de februari 1934 de algemene werkstaking af. De communistische demonstraties werden door de regering-Doumergue verboden en door de politie uiteengedreven. Daarop besloot de PCF toch aan de op 12 februari geplande actie van de SFIO en de CGT deel te nemen. Alleen al in Parijs namen meer dan een miljoen arbeiders, bedienden en ambtenaren aan de staking deel. Dit succes verstevigde de invloed van diegenen in de PCF, die in afwijking van de heersende koers, met de socialisten wilden samenwerken.

In Oostenrijk had de corporatief-katholieke richting van het fascisme, die in de vorm van de Heimwehren (rechts-radicale “burgerwachten”) over een sterke militaire organisatie beschikte alsmede de buitenlandse rugdekking van Italië genoot, de verkiezingsoverwinning van Hitler op 5 maart 1933 aangegrepen voor een staatsgreep tegen de democratisch-republikeinse staatsinrichting. De invloed van de nationaal-socialistische vleugel in het fascisme was daar vooreerst uiterst gering. Op 7 maart 1933 proclameerden staatspresident Miklas en bondskanselier Dollfuss de opheffing van de grondwet. Het parlement werd uitgeschakeld, waarna er een standenstaat werd geconstitueerd, naar het model van de encykliek Quadragesimo Anno van 1931. De SPÖ bond de strijd niet aan, hoewel het programma van Linz van de sociaal-democratie in 1927 had aangekondigd, dat de arbeiders, desnoods met geweld hun dictatuur zouden instellen, indien hun klassentegenstanders de democratie zouden ontbinden. Tot haar verontschuldiging kon zij niet eens wijzen op een verdeeldheid van de arbeidersbeweging in Oostenrijk: de communisten vormden er een machteloze sekte. De sociaal-democratie daarentegen had ruim 600.000 partijleden en 40% van de stemmen bij de parlementsverkiezingen. Daarnaast beschikte zij in de vorm van de Schutzbund over een eigen militaire organisatie. Maar zij deinsde terug voor het risico, haar legaliteit op het spel te zetten in een burgeroorlog. Otto Bauer, haar belangrijkste leider, heeft dit opzijgaan later een ernstige fout genoemd. De partijleiding schrok terug voor de strijd, omdat Oostenrijk ingeklemd zat tussen het nationaal-socialistische Duitsland en het fascistische Italië, en omdat Dollfuss zowel door Mussolini als door het Vaticaan ondersteund werd. Maar in maart 1933 was Tsjecho-Slowakije nog een democratie en met Frankrijk verbonden. Deze twee landen hadden een strijdende Oostenrijkse arbeidersbeweging terzijde kunnen staan.

De besluiteloosheid van de partijleiding van de SPÖ liet toe, dat Dollfuss stap voor stap de organisatorische fundamenten van de Oostenrijkse arbeidersbeweging vernietigde. Pas toen de Heimwehren begonnen, de Schutzbund systematisch te ontwapenen, de regeringen van de deelstaten af te zetten, de sociaal-democratische partij-organisaties te ontbinden, pas toen stelde, op 11 februari 1934, de Schutzbund in Linz zich tenslotte teweer; deze probeerde het plaatselijke partijgebouw te verdedigen tegen een aanval. Dat was het signaal voor de strijd. Maar nu vond de oproep voor een algemene staking geen gehoor meer onder het volk; het was te laat. De Schutzbund vocht alleen. De weinige communisten sloten zich erbij aan. Na drie dagen had het leger de opstand in de arbeiderswijken van Wenen, Linz en Stiermarken neergeslagen. De overwinnaars lieten negen leiders van de Schutzbund ophangen. De Oostenrijkse partijleiding emigreerde naar Tsjecho-Slowakije. Delen van de arbeidersbeweging streden illegaal verder als Revolutionaire Socialisten, of sloten zich, teleurgesteld in de sociaal-democratie aan bij de communisten. Maar zij allen eisten gemeenschappelijke acties van alle arbeidersorganisaties.

De periode van de Europese arbeidersbeweging die was begonnen met de geslaagde revolutie in Rusland, leidde in de andere Europese landen wel tot revolutionaire bewegingen, maar niet tot de overwinning. Men had wel grote sociale successen geboekt, maar de arbeidersbeweging was gesplitst. De positie van de USSR was en bleef de oorzaak van deze scheuring. De leiding van de ene richting maakte de Russische revolutie tot een mythe, zonder de bijzondere omstandigheden waaronder in een industrieel onontwikkeld land het socialisme geïsoleerd opgebouwd moest worden, aan een nader onderzoek te onderwerpen. De besluiten van de leiders van de Russische Communistische Partij werden telkens weer onfeilbaar verklaard. Intussen verdoemde de andere richting de revolutie, eveneens zonder nader onderzoek. Na het uitbreken van de wereldomvattende economische crisis was daarop een golf van fascistische contrarevoluties ontstaan. De scheuring van de arbeidersbeweging die uitliep op bittere vijandigheid tussen de beide kampen, had hen tegenover het fascisme weerloos gemaakt. Verder oprukken van het fascisme was klaarblijkelijk slechts tegen te houden, indien beide richtingen elkander tenminste vonden bij de verdediging van democratische instellingen.

Delen: Printen: