De uitbreiding van de nationale arbeiderspartijen en vakverenigingen op het Europese vasteland

Het derde deel van Abendroth’s boek "De Europese arbeidersbeweging" gaat dieper in op de ontwikkeling van sociaal-democratische massapartijen vanaf het einde van de 19e eeuw en de vestiging van vakbonden met een grote aanhang en een serieuze organisatiestructuur. Dit was geen rechtlijnig proces, en in de verschillende landen waren er specifieke kenmerken bij de ontwikkeling van partijen en vakbonden.

Wolfgang Abendroth

3. De uitbreiding van de nationale arbeiderspartijen en vakverenigingen op het Europese vasteland

Toen de resolutie van de Internationale Arbeiders Associatie in 1871 aan de arbeiders van de industrieel ontwikkelde landen de aanbeveling deed, nationale arbeiderspartijen op te richten, waren er in Duitsland reeds twee aanknopingspunten voorhanden voor deze nieuwe strijdvorm van de arbeidersbeweging. Ook het recht van vereniging en vergadering, de belangrijkste voorwaarde voor de ontplooiing van de vakbeweging, had men de arbeiders toegestaan in de arbeidswet van de Norddeutsche Bund in 1869. De beide Duitse arbeiderspartijen – de door Lassalle opgerichte Allgemeine Deutsche Arbeiterverein en de door August Bebel en Wilhelm Liebknecht geleide Sozialdemocratische Arbeiter Partei – bestreken slechts een klein gedeelte van de Duitse arbeidersklasse, die door de industrialisatiegolf snel in aantal groeide. Bij de verkiezingen voor de Duitse Rijksdag van 1874 behaalde ieder van de elkaar bestrijdende partijen slechts ongeveer 3 procent van de uitgebrachte stemmen.

Pas nadat zij zich in 1875 te Gotha tot één partij verenigd hadden, nam de invloed van de Socialistische Arbeiders Partij toe: bij de verkiezingen voor de Rijksdag in 1877 behaalde zij reeds 9 procent van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. De socialistenwet, die het jaar daarop werd uitgevaardigd kon de partij wel verbieden, maar niet vernietigen. Na een zeer korte crisis als gevolg van de omschakeling, steeg haar invloed ook tijdens de vervolging met iedere verkiezing; de organisatorische verbindingen konden in stand worden gehouden. De pogingen tot aanpassing van de zijde van enkele intellectuelen enerzijds en de anarchistische tendensen van sommige leden en voormalige aanvoerders van de Lassalleanen anderzijds werden spoedig overwonnen. Het platform waarop de partij zich groepeerde, bestond uit een gesimplificeerde vorm van marxistisch denken. Het door Eduard Bernstein geredigeerde en illegaal verspreide centraal orgaan van de partij de “Sozialdemocrat” en de door Karl Kautsky legaal uitgegeven “Neue Zeit” vertolkten haar politiek naar buiten. Dat ze zich als enige partij inzette voor de gelijkberechtiging van de vrouw, ook in het kiesrecht, maakte haar aantrekkelijk voor kritische minderheden in de intellectuele kringen.

Om de toenemende invloed van de sociaal-democratie te kunnen terugdringen, nam de Rijksregering in de jaren na de keizerlijke beschikking van 1881 enkele maatregelen aan op sociaal gebied. Men kwam met een invaliditeits-, ongevallen- en ziektekostenverzekering. Het beoogde effect bleef evenwel uit. Weliswaar werden de vakverenigingsorganisaties door de uitzonderingswetten ernstig in hun werk belemmerd, naar na de spontane massastaking van de mijnwerkers in 1889 viel er aan hun positie niet meer te tornen. Zo strandde de uitzonderingswetgeving tegen de arbeidersbeweging in het Duitse Keizerrijk. In 1890 werd de socialistenwet niet meer verlengd.

De Duitse sociaal-democratie had getoond, dat zij door haar strategie, die bestond in het organiseren en scholen van arbeiderskaders die meestal uit de laag van de geschoolde arbeiders voortkwamen, en dankzij de medewerking van socialistische intellectuelen, sterk genoeg was geworden om de regering te dwingen tot forse concessies op sociaal terrein. Zodoende kon zij de situatie en de levensstandaard van arbeidersklasse in haar geheel ten tijde van hoogconjunctuur verbeteren en in crises stabiliseren. Een dergelijk succes was alleen maar mogelijk geworden doordat de partij enerzijds vasthield aan haar doel, politieke democratie, socialistische ordening van de economie en de overdracht van de essentiële productiemiddelen in maatschappelijke eigendom. Anderzijds buitte zij consequent iedere mogelijkheid tot legale strijd uit: zij had geleerd elke verleiding tot zinloze gewelddadigheden te weerstaan. Zij had geleerd, het parlement als tribune voor politieke discussie, de politieke verkiezingen als graadmeter voor haar invloed en de verkiezingsstrijd als propagandamiddel te gebruiken. Op deze wijze gaf zij de vakbondsorganisaties, die – in tegenstelling tot de liberale vakverenigingen van Hirsch-Duncker – de staking als middel in de klassenstrijd aanvaardden, de mogelijkheid tot legale activiteiten. In 1891formuleerde de partij dit concept in het program van Erfurt; de conspiratieve organisatie werd omgezet in een massapartij. De zogeheten vrije (d.w.z. socialistische) vakverenigingen hadden de nadelen van hun versnippering in talloze lokale categorale bonden leren kennen, toen zij zich gezamenlijk tegen een uitsluiting door de ondernemers van Hamburg verzetten Deze uitsluiting was gericht tegen het recht van vereniging en vergadering en tegen de meidemonstratie van 1890.

Na het vakbondscongres in Halberstadt in 1892 voerden zij daarom een systeem in van centrale bonden die op categorale basis opgebouwd waren Deze laatste waren in een centrale commissie vertegenwoordigd. De betrekkelijk zwakke oppositie van de “lokalisten” in de vakbonden liep parallel met de oppositie van “die Jungen” in de SPD. Zij vertegenwoordigden die groepen, die de overgang van de semi-legaliteit onder de socialistenwet naar de openlijke legale strijd en het organiseren van grote delen van de arbeidersklasse niet begrepen en meegemaakt hadden. In Duitsland werden ze tot de kiem van een vrijwel onbetekenend anarchosyndicalisme.

De vakbonden groeiden snel. Hadden ze in 1892 pas 300.000 leden, in 1899 waren het er met inbegrip van de zwakke christelijke vakverenigingen – al 600.000 en in 1913 2,5 miljoen. Het grootste deel van de onbezoldigde functionarissen was tevens actief in de SPD. Rondom deze beide organisaties vormden zich talrijke culturele arbeidersverenigingen, sportclubs en coöperaties. Nu was het mogelijk om althans voor de georganiseerde arbeiders het loonpeil te verhogen, zij het met terugslagen ten tijde van economische crises. De arbeidsovereenkomsten tussen vakbonden en ondernemers namen sinds het einde van de vorige eeuw voortdurend in betekenis toe. De door de overheid ondersteunde concurrerende organisatie van de christelijk-nationale vakverenigingen konden slechts in gesloten katholieke woongebieden in het piëtistische Pruisen tot massa-organisaties uitgroeien. Om levensvatbaar te blijven moesten ook zij na aanvankelijk tegenstribbelen het stakingswapen gaan hanteren. Deze successen maakten de Duitse arbeiderspartij en de met haar gelieerde vakbonden tot een lichtend voorbeeld voor de arbeidersbeweging in de andere staten op het Europese vasteland.

Het ontstaan van de Oostenrijkse sociaal-democratie voltrok zich analoog aan de ontwikkeling in Duitsland, zij het dat de interne contradicties hier groter waren en de tegenslagen beslissender. In 1869 hadden de decemberdemonstratie in Wenen het recht van vereniging en vergadering afgedwongen. In 1872 vestigde de sociaal-democratie zich als partij. Zij breidde zich snel uit in de industriecentra van de Oostenrijkse multinationale staat. De gecompliceerde nationale structuur van de Oostenrijkse staat vergrootte ook de problemen van de sociaal-democratie. Daar kwam nog bij, dat de leden van Slavische nationaliteiten, vooral de Tsjechen en Kroaten, in het bewustzijn van de Duitstalige arbeiders nog steeds belast waren met de contrarevolutionaire rol, die zij in de jaren 1848/49 hadden gespeeld. De inhoudelijk vage formule over het zelfbeschikkingsrecht der naties, die de Oostenrijkse partij aannam, kon in 1872 de verschillen tussen de nationaliteiten nog verdoezelen. Niet te verdoezelen waren daarentegen de tegenstellingen tussen de “gematigden” onder leiding van Heinrich Oberwinder en de “radicalen” onder Andreas Scheu. De eersten bepleitten een strategie om samen met de liberale bourgeoisie strijd voor hervormingen te voeren tegen de feodaal bureaucratische bovenlaag, de laatsten wilden een strategie van een volstrekt autonoom gevoerde klassenstrijd. In 1874 emigreerden de leiders van beide fracties. Onder aanvoering van Joseph Peukert gingen de Weense arbeiders na 1881 meer en meer tot anarchistische strijdmethodes over. Deze vernietigden de eenheid en deden de socialistische invloed op de Oostenrijkse arbeidersbeweging teniet. De ontwikkeling in de industriecentra in Bohemen en Moravië daarentegen verliep ongestoorder.

Pas rond de jaarwisseling van 1888/89 slaagde Viktor Adler er op het partijcongres van Hainfeld in, de versnippering ongedaan te maken op basis van een voor alle groepen aanvaardbare marxistische beginselverklaring. Vanaf dat moment nam het aantal leden en aanhangers van de Oostenrijkse sociaal-democratie toe. In november 1905 organiseerde zij vervolgens de grote demonstratieve staking voor het kiesrecht, zonder welke de hervorming van het kiesrecht van 1907 niet mogelijk zou zijn geweest. De arbeidsverdeling tussen partij, vakbonden en coöperatieven de oprichting van andere arbeidersverenigingen stemde overeen met het Duitse voorbeeld.

In de andere helft van de dubbelmonarchie, Hongarije, bleven de aanzetten tot industrialisatie voorlopig tot Boedapest beperkt. De kleine socialistische en revolutionair-democratische groepen bleven lange tijd geïsoleerd, de machtsposities van het feodale grootgrondbezit ongebroken. In 1880 werden de vakbonden gebundeld en gaven zichzelf een socialistisch programma. Een socialistische partij kwam pas in 1890 naar het voorbee1d van de Oostenrijkse partij van de grond.

De Franse arbeidersbeweging herstelde zich pas laat van de gevolgen van de nederlaag van de Commune. De economische crisis van 1873/74, die de opbloei van de Duitse sociaal-democratie in de hand gewerkt had, werkte in Frankrijk niet bevorderend op de organisatorische aanzetten van de socialistische organisaties. De belangrijkste arbeidersleiders waren vermoord, zaten achter de tralies of hadden naar het buitenland moeten uitwijken. Pas na de amnestie voor de communards maakte de eerstvolgende crisis van 1879 een herstel van de Franse arbeidersbeweging mogelijk. Rond Jules Guesde vormde zich nog hetzelfde jaar in Marseille de Fédération du Parti des Travallieurs Socialistes. Het jaar daarop nam zij een programma aan, dat door Guesde en Paul Lafargue was ontworpen en door Karl Marx geredigeerd. Inhoudelijk anticipeerde het in hoge mate op het programma van Hainfeld van de Oostenrijkse, en het program van Erfurt van de Duitse sociaal-democratie. Maar al in 1882 viel de jonge partij uiteen. De “possibilisten” onder leiding van Paul Brousse – waar de aanhangers van Jean Allemane zich later weer van afscheidden – wilden een systematische politiek van stembusakkoorden met de burgerlijke democraten, en de indeling van Frankrijk tot een federatie van gemeenten. Op deze manier hoopten zij zonder de staatsmacht te veroveren stap voor stap langs evolutionaire reformistische weg socialistische doelstellingen te kunnen verwezenlijken Weldra reorganiseerden ook de Blanqui-aanhangers onder leiding van Vaillant zich als zelfstandige partij.

Deze versnippering was ten dele een gevolg van de binnenlandse politieke situatie in de eerste periode van de Derde Republiek. De grondwet bleef vele jaren ongewijzigd, louter en alleen omdat de beide grote monarchistische groeperingen het niet eens konden worden over een dynastie. Ondanks deze organisatorische chaos nam de invloed van de arbeidersbeweging voortdurend toe. In 1884 werd het verbod van vereniging en vergadering uit de Code Civil geschrapt, en reeds twee jaar later werd met steun van de Parti Ouvrier Français van Guesde de Fédération Nationale des Syndicats gevormd. Doch ook in Frankrijk traden maar al te vlug scherpe tegenstellingen in de vakbeweging aan het licht tussen de marxistisch socialistische minderheid enerzijds, die naar Duits voorbeeld parlementaire activiteit van de partij wilde combineren met vakverenigingsactiviteit en anderzijds de syndicalistische meerderheid, die alle hoop stelde op “action directe”, de tot mythe verheven algemene staking. Daarnaast bestond nog een orthodox proudhonistische, principieel anti-politieke minderheid. Ondanks de toenemende vervreemding tussen de socialistische partij en de vakbonden kon de levensstandaard van het industrieproletariaat ook in Frankrijk opgetrokken worden. De garantie ervan door sociale wetgeving kwam evenwel slechts schoorvoetend tot stand: in 1894 werd een uitgebreide sociale verzekeringswet voor de mijnen uitgevaardigd, in 1898 een arbeidsongevallenwet.

In Italië was de industrialisatie maar langzaam van start gegaan. De traditie van de nationale democratische revolutie had ook haar stempel op de beginfase van de Italiaanse arbeidersbeweging gedrukt. Samenzweringen en staatsgrepen lagen meer op haar weg dan systematische legale politieke en syndicale strijd. In 1872 was de Italiaanse federatie van de Internationale Arbeiders Associatie zo onder invloed van Bakoenin-aanhangers gekomen, dat zij niet meer aan het Haagse congres van de 1e Internationale deelnam. Zij trad toe tot de “anti-autoritaire” Internationale van Bakoenin. In de economische crisis van 1873/74 ondernam zij pogingen tot een putsch in Bologna en andere grote steden, maar nergens kreeg zij grote delen van de proletarische of plebeïsche beweging achter zich. In 1877 werd dit experiment onder leiding van Cafiero en Malatesta in het Zuid-Italiaanse dorp Letino herhaald. Het werd een welkome aanleiding voor de regering om niet alleen tegen de anarchisten, maar ook tegen hun legaal-socialistische tegenspelers in te grijpen.

Na een meer intensieve industrialisatie van Noord-Italië, na de poging om een kleine sociaalreformistische partij op te richten, en na het ontstaan van het theoretisch tijdschrift van de Italiaanse socialisten, La Critica Sociale, duurde het nog vele jaren voordat in 1892 tenslotte de latere Partito Socialista Italiano werd opgericht. Boerenopstanden, gepaard gaande met een staking van de arbeiders in de zwavelmijnen van Italië leidden in 1894 tot een Italiaanse imitatie van de Duitse socialistenwet. Het resultaat ervan was volstrekt identiek aan dit voorbeeld: een gewelddadige actie van de politie tegen stakende arbeiders in Sicilië lokte een massastaking in Noord-Italië uit onder leiding van de linkervleugel van de partij en de vakbonden onder Arturo Labriola. Daardoor werd de regering-Giolitti gedwongen tot de toezegging in de toekomst van het inzetten van militairen bij stakingen te zullen afzien.

In Spanje zag de arbeidersbeweging zich in haar eerste begin voor soortgelijke problemen geplaatst, zij het dat hier de industrialisatie nog meer was achtergebleven dan in Italië. De anarchistische invloed bleef daardoor ook sterker. De tegenstelling tussen de anarchistische FAI en de anarcho-syndicalistische CNT, die vooral landarbeiders en ongeschoolden achter zich schaarde enerzijds en de door de mijnwerkers van Asturië en geschoolde industrie-arbeiders gevormde UGT anderzijds is tot op heden blijven voortbestaan in het illegale verzet tegen het Franco-regime. Aan de zijde van de UGT stond de in 1879 door Pablo Iglesias opgerichte Socialistische Partij. De controverses, veroorzaakt door de ontbinding van de burgerlijke revolutie van 1868, hadden de afkeer van grote delen van de Spaanse arbeidersklasse tegen alle legale en vooral parlementaire strijdvormen versterkt. De onderdrukking van de Baskische en Catalaanse minderheden door de regering in Madrid had de federalistische tendensen in de arbeidersorganisaties in de hand gewerkt. De haast middeleeuwse sociale positie en de mentaliteit van de katholieke bisschoppen en de kloosters, hadden evenals het omvangrijk grondbezit van de kerk, een scherp, soms gewelddadig anti-klerikalisme tot conditio sine qua non gemaakt voor geestelijke vrijheid. Om deze redenen bleef Spanje het enige land in Europa, waar een anarchistische massabeweging kon standhouden tot op de dag van vandaan. In dezelfde periode begint de arbeidersbeweging ook in de kleinere Europese staten tot ontplooiing te komen.

De industrialisatie in België begon reeds vroeg. Aanvankelijk lag het land in de invloedssfeer van Bakoenistische en Blanquistische opvattingen, die vooral onder de Waalse arbeiders weerklank vonden. In het Vlaamse taalgebied gold de Duitse sociaal-democratie als voorbeeld. Beide richtingen verenigden zich in 1885. Tijdens de economische crisis tussen 1880 en 1890 kwam het tot de grote staking van 1886, die de Waalse arbeiders voor de verovering van het algemeen kiesrecht mobiliseerde. Zij werd door het leger neergeslagen. Daarop scheidden de Blanquistische groeperingen zich weer van de partij af en trachtten in 1888 de staking te herhalen. In 1889 werd definitief de eenheid hersteld van politieke beweging, coöperatieve beweging en vakbeweging – alle in federatief verband in de partij ondergebracht. In 1892 werd opnieuw opgeroepen tot een algemene staking voor het algemeen kiesrecht. Maar pas een derde algemene staking kon althans het aantal kiesgerechtigden voor het parlement vergroten; de heersende klassen behielden de macht in de senaat en werden geprivilegieerd met meervoudig stemrecht. Nochtans hadden de stakingen van 1886, 1892 en 1893 effect gehad en gezorgd voor eerste overwinningen op sociaal-politiek gebied. Vanaf 1894 was de Belgische arbeiderspartij, onder leiding van Emiel Vandervelde en Edouard Anseele met een aanzienlijke fractie in het parlement vertegenwoordigd.

De algemene ervaring van deze periode was, dat de langzame verbetering van de economische positie van de arbeiders tegen conjuncturele schommelingen slechts veiliggesteld kon worden door sociaal-politieke ingrepen van de staat en door een op politiek en vakverenigingsterrein sterke arbeidersbeweging en dat deze ingrepen van de staat het resultaat zijn van de activiteit van de arbeiders. Deze ervaring werd ook bevestigd door de ontwikkelingen in Nederland. De Nederlandse sectie van de Eerste Internationale overleefde de hetze die met de nederlaag van de Parijse Commune inzette. H. Gerhard verdedigde de Commune op gematigde wijze in zijn brochure “De Internationale en haar beoordeelaars” en zelfs daar was, gezien de hetze, moed voor nodig. Haar toch al geringe vat op de snel gegroeide vakverenigingen verloor de Nederlandse sectie nu geheel. Voorlopig lukte het de liberalen de vakorganisatie onder hun hoede te nemen. De voormannen van de Eerste Internationale zagen echter nog enige jaren kans een proletarische massabeweging te organiseren. In een openbare straatdemonstratie protesteerden in augustus 1872 duizenden tegen de duurte waarbij Klaas Ris één van de leiders was. In de georganiseerde arbeidersbeweging nam echter het in 1871 opgerichte Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond de leiding over. Tegen het einde van de jaren zeventig is het echter met de bloei van dit liberale verbond gedaan. In 1878 zette de Amsterdamse smedenvereniging “De Volharding” zichzelf om in een sociaal-democratische vereniging op de grondslag van het program van Gotha van 1875. H. Gerhard, K. Ris en andere ‘Internationale-mannen’ vinden we in deze eerste sociaal-democratische vereniging terug. In Haarlem, Den Haag en Rotterdam ontstaan soortgelijke verenigingen die samen in 1881 de Sociaal-Democratische Bond vormen. F. Domela Nieuwenhuis die in 1879 zijn ambt als luthers predikant had neergelegd en in hetzelfde jaar begon met het uitgeven van het blad “Recht voor Allen”, trad weldra tot de SDB toe. In 1888 nam de SDB aan de kamerverkiezingen deel. Met de stemmen der anti-revolutionaire kleine boeren die voor alles geen liberaal wilden, versloeg de socialist Domela Nieuwenhuis de liberale arbeider Heldt bij de herstemmingen (1167 tegen 1063 stemmen). Domela Nieuwenhuis kreeg direct gelegenheid de massa-actie met zijn parlementaire werk te ondersteunen. Tijdens de felle veenstakingen in Friesland ging het niet alleen tegen de lage lonen en de lange werktijden maar ook tegen de gedwongen winkelnering. Domela Nieuwenhuis diende een wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering in. Al kreeg dit geen enkele steun in het parlement, hiermee was toch de weg aangegeven die de sociaal-democratie zou gaan: de staat dwingen in te grijpen in de arbeidsverhoudingen ten gunste van de arbeiders. De SDB raakte, nadat Domela Nieuwenhuis niet herkozen werd, zeer verdeeld over de vraag of zij al of niet moest deelnemen aan de verkiezingen en het werk in de vertegenwoordigende lichamen. Domela Nieuwenhuis sloot zich tenslotte bij het groeiend anti-parlementarisme in zijn partij aan, maar het zou nog een aantal jaren duren voor hij openlijk anarchist werd en de sociaal-democratie de rug toekeerde. In 1894 traden de ‘parlementairen’ uit de SDB en stichtten onder leiding van intellectuelen als P.J. Troelstra, H. v. Kol en F. v.d. Goes naast arbeiders als W. Vliegen, J. Schaper, W. Heisdingen, H. Spiekman, H. Polak en J. Fortuyn, de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. Deze oriënteerde zich geheel op de Duitse sociaal-democratie en groeide in het eerste decennium van de 20-ste eeuw uit tot een massale socialistische arbeiderspartij met een actieve parlementaire vertegenwoordiging en een eigen vakcentrale: het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (opgericht in 1906).

Denemarken was het eerste Scandinavische land waar aanzetten tot een zelfstandige arbeidersbeweging zichtbaar werden. De bouwvakstaking van 1871 was op massale arrestaties uitgelopen en op een uitzonderingswet tegen de Internationale Arbeiders Associatie. Een herleven van deze aanzetten had de politieke politie weten te verhinderen. Door betaling van sommen geld, wist zij de arbeidersleiders ertoe te bewegen, het land te verlaten. Maar in 1880 slaagde men er tenslotte toch in, de tegelijk met de voortschrijdende industrialisatie opgekomen plaatselijke politieke arbeidersverenigingen en vakbonden samen te voegen tot een partij. In 1889 telde deze reeds 20.000 leden.

August Palm, die als handwerksgezel in Duitsland gewerkt had, bracht de ideeën van de arbeidersbeweging naar Zweden over, waar zij vooral onder de houtwerkers verspreiding vonden. Hjalmar Branting sloot zich bij hem aan, en in 1889 kon er een sociaal-democratische arbeiderspartij naar Deens voorbeeld opgericht worden. Zij omvatte ook de vakbondsorganisaties. Pas in 1898 kwam het tot de oprichting van een zelfstandige vakbondscentrale.

In Noorwegen knoopte de arbeidersbeweging bij de plebeïsche democratische beweging van het jaar 1848 aan. In 1883 werd het verbond van vakverenigingen opgericht, in 1887 de arbeiderspartij. De arbeidersbeweging van dit land – toen nog samen met Zweden door één koning geregeerd nam later de marxistische opvattingen van de Duitse sociaal-democratie over.

In Zwitserland was in de Romaanse kantons de aanvankelijke invloed van Bakoenin weldra teruggelopen. Deze invloed was op den duur niet in overeenstemming met het politieke klimaat van een land, waar de kleinburgerlijke democratie aan de macht was, nadat de duurzame institutionalisering van een constitutionele democratie was afgedwongen. Onder leiding van Hermann Greulich sloten de vakbonden zich in 1873 aaneen tot de Schweizer Arbeiterbund. In 1878 sprak de Grütli-Verein, een sinds 1838 actieve burgerlijk-radicale organisatie voor steun aan zieken en voor arbeidersontwikkeling, zich eveneens uit voor reformistisch-socialistische eisen. De Arbeiterbund sloot zich vervolgens aan bij de in 1888 opgerichte sociaal-democratische partij. Zij nam in wezen het marxistisch denken van de andere Europese landen over. De functionerende burgerlijke democratie van Zwitserland en de sterke sociale positie van de middenlagen – kleinburgers en boeren – oefenden evenwel een permanente invloed op de ideologie van de arbeidersbeweging in dit land uit.

Onder veel moeilijker omstandigheden moesten de Poolse arbeiders hun organisaties creëren. De hogere klassen van dit tussen Pruisen, Rusland en Oostenrijk opgedeelde land hadden na het neerslaan van de opstand van 1863 het denkbeeld van de nationale onafhankelijkheid van hun land opgegeven. De jonge arbeidersbeweging, vooral in het Russische deel van Polen, knoopte daarentegen bij deze revolutionair-democratische traditie aan. De eerste poging om de geheime organisaties te bundelen in 1882, liep uit op een conspiratieve catastrofe en massale arrestaties. In 1892 werd in Parijs de PPS (Polska Partia Socjalistyczna) opgericht. In 1894 kon zij haar eerste partijcongres in Warschau bijeenroepen. Onder leiding van Joseph Pilsudski streefde zij naar een soevereine en democratische Poolse staat. Dit nationale doel verbond zij met de belangenbehartiging van de arbeiders en met de doelstellingen van de internationale arbeidersbeweging. De Jiddisch sprekende arbeiders sloten zich daarentegen in 1897 aaneen in de Bund, die zichzelf als deel van de revolutionair-socialistische beweging in Rusland beschouwde. Zij nam dan ook in 1898 deel aan het oprichtingscongres van de Russische Sociaal-Democratische ArbeidersPartij. In 1895 kwam de sociaal-democratie van Russisch-Polen tot stand, waarin zich de Poolse intellectuelen en arbeiders die onder hun invloed stonden, aaneensloten. Zij streefden naar een socialistisch-democratische Russische federatieve republiek, waarin alle volkeren van het Tsarenrijk, ook de Polen, hun nationale autonomie zouden behouden. Uit deze groep kwam in 1900 de Sociaaldemocratie van Polen en Litouwen voort onder leiding van Leo Jogiches en zijn leerlinge Rosa Luxemburg.

Evenals de Bund beschouwde ook deze organisatie zich als een onderdeel van de jonge arbeidersbeweging van het Tsarenrijk, waar de industrialisatie juist op gang gekomen was. Maar noch de vertaling van het Communistisch Manifest door Alexander Herzen, noch die van het eerste deel van liet Kapitaal door Nicolai Danielson in 1872 konden vooreerst verhelpen, dat de narodniki hun hoop op terroristische methodes en agrarisch-socialistische doeleinden vestigden, in plaats van op de organisatie van de arbeidersklasse. Pas in 1883 stichtten Georg Plechanow, Paul Axelrod, Vera Sassulitsch en Leo Deutsch, allen in ballingschap in Genève, de marxistische groep “Bevrijding der Arbeid”. Zij leverde de theoretische basis voor het ontstaan van sociaal-democratische en syndicale centra in Rusland. Hoewel er na het oprichtingscongres van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in 1898 te Minsk een groot aantal afgevaardigden en partijfunctionarissen gearresteerd werd, kon de nieuwe partij nu niet meer worden vernietigd.

De industrialisatiegolf na de Frans-Duitse oorlog had in de meeste staten op het vasteland van Europa de voorwaarden geschapen voor het ontstaan van zelfstandige arbeiderspartijen en vakbonden. Doordat de sociale problemen internationaal met elkaar overeenkwamen, werden zij tot politiek internationalisme gedreven en knoopten zij aan bij de ideeën van de Internationale Arbeiders Associatie. Tegelijkertijd namen de nationale spanningen in Europa voortdurend toe. Zodoende moest deze situatie bijna automatisch tot een nieuwe internationale organisatorische aaneensluiting van de Europese arbeidersbeweging leiden.

Delen: Printen: