Beginstadia van de Europese arbeidersbeweging tot de nederlaag van de revolutie van 1848

Abendroth: De Europese arbeidersbeweging

We publiceren een uitgebreid werk van Wolfgang Abendroth over de geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging. Dit boek werd geschreven in 1965 en biedt een interessante kijk op de eerste ontwikkelingen van de arbeidersbeweging in Europa. We publiceren de eerste vijf hoofdstukken. De twee laatste delen zijn interessant, maar stroken niet volledig met onze inschatting van onder meer de naoorlogse periode en de positie van het stalinisme na WO2. We beginnen vandaag met de publicatie van een hoofdstuk over de allereerste arbeidersorganisaties.

Wolfgang Abendroth

Beginstadia van de Europese arbeidersbeweging tot de nederlaag van de revolutie van 1848

De kenmerkende vorm van de vroegkapitalistische productiewijze was in de periode van het midden van de 16de tot de laatste dertig jaar van de 18de eeuw de manufactuur. In het eerste stadium van de manufactuur verrichtten een groot aantal verschillende handwerkslieden en ongeschoolde arbeiders hun werkzaamheid in een werkplaats, onder leiding van een kapitalist. Later leidde de ontwikkeling dan tot coöperatie van handwerkslieden van hetzelfde ambacht, wier voormalig arbeidsterrein voortaan in verschillende aparte bewerkingen opgesplitst, geïsoleerd en verzelfstandigd werd. Zodoende werd de productie goedkoper, doordat het aandeel van de afzonderlijke, aan de totale productie deelnemende arbeider tot enkele handgrepen gereduceerd werd. Beide vormen van de manufactuur maakten alle beroepsmogelijkheden en vooruitzichten van de handwerksgezel tot illusies. Weliswaar was ook de handwerksgezel uit de periode voorafgaande aan het manufactuursysteem objectief een afhankelijk arbeider, die zijn arbeidskracht aan zijn meester verkocht. Hij bezat echter nog de reële mogelijkheid, binnen enkele jaren zelfstandig te worden. Voorzover de gildenwetten tot dan toe beperkingen hadden opgelegd aan een dergelijk zelfstandig worden van de gezel, was het – naast de zorg om de garantie van bepaalde arbeids- en levensvoorwaarden – de officiële doelstelling van de broederschappen der gezellen, deze beperkingen te doorbreken; zo ze in uitzonderingssituaties al tot verdergaande eisen kwamen, ontwikkelde zich daaruit toch geen samenhangende ononderbroken beweging. De opkomst van het manufactuursysteem bracht in deze toestand ook op die plaatsen verandering, waar de arbeid van de afhankelijke producenten niet in een werkplaats geconcentreerd was, maar in de vorm van huisarbeid werd uitgeoefend.

Voor de massa der manufactuurarbeiders verloor het arbeidsproces het karakter van een overzichtelijke en zinvolle eenheid, dat het voor de gezel van de zelfstandige gildemeester nog had bezeten. Het proces van maatschappelijke arbeidsdeling nam vormen aan. die het individu als volslagen geïsoleerde drager van een functie ondergeschikt maakten aan dit proces. Hem bleef te allen tijde ieder inzicht in de zin van het totale proces verborgen. Hij werd onderworpen aan strenge instructies. De industriële revolutie in de laatste dertig jaar van de achttiende eeuw moest deze tendens tot zijn uiterste consequentie voeren. Want de machine – uitgangspunt en centrum van deze steeds meer sectoren bestrijkende revolutie – verving de arbeider die met één afzonderlijk gereedschap kon volstaan, door een mechanisme dat met verschillende gelijksoortige gereedschappen tegelijk werkte. Nadat de werktuigen van het menselijk organisme werktuigen van een mechanisme waren geworden, verkreeg ook de machten een vorm, die aan beperkingen van de menselijke kracht was ontheven en een revolutie teweegbracht in de gang van de productie. Was de structuur van het maatschappelijk arbeidsproces in het manifactuursysteem nog zuiver subjectief – combinatie van deelwerkzaamheden – de grootindustrie die nu opkwam, bezat daarentegen in het machinesysteem een objectief productieorganisme, dat door de arbeider als bestaande productievoorwaarde werd aangetroffen. Voor een goot deel van de arbeidskrachten was van nu af aan noch een bijzondere lichaamskracht, noch een door lange scholing ontwikkelde vaardigheid meer vereist. Daardoor kon de vrouwen- en kinderarbeid tot het uiterste opgevoerd worden – met alle ruïneuze gevolgen vandien voor de geestelijke en fysieke toestand van de bevolking. Zij kenmerkten de eerste decennia van de kapitalistische ontwikkeling in de vorige eeuw in Europa en zij herhalen zich in de 20ste eeuw bij de industrialisatie van voormalige kolonies en andere “ontwikkelingslanden” met kapitalistische eigendomsverhoudingen.

De ontwikkeling van het productieproces in de fase van de vroege industrialisatie dwong tot een permanent gebruik van de machine. Het was – gezien vanuit het belang van de kapitalisten – alleen maar consequent, wanneer zij een maximale winst wilden nastreven. Onder deze voorwaarden leidde de triomf van de machine onvermijdelijk tot de verlenging van de arbeidsdag en tot intensivering van de arbeid zelf. In de voorafgaande periode kon het systeem op zich, ondanks objectief aanwezige sociale belangentegenstellingen, door de arbeiders nog worden geaccepteerd. Dat gold voornamelijk voor de arbeiders uit boerenlagen, die door de systematisch bedreven praktijk van het onteigenen en opkopen van landbezit door de grootgrondbezitters van hun agrarisch bestaan waren beroofd en nu door de manufactuur een nieuwe levensbasis kregen. Conflicten omtrent arbeidsloon en arbeidstijd waren ook onder het manufactuursysteem voorgekomen en door deze conflicten hadden de arbeiders zich een inzicht in de sociale belangentegenstelling met hun werkgevers kunnen verwerven.

Nu echter concurreerde het machinepark als productiemiddel met de arbeiders zelf. De machine verdrong de arbeider en kweekte in iedere tak van de industrie waarvan zij zich meester maakte, telkens een industrieel reserveleger, dat na verloop van tijd in andere takken van industrie wellicht opnieuw kon worden ingezet, maar dan wel onder slechtere voorwaarden. Deze samenhang onderkennend, schreef David Ricardo: ”Dezelfde oorzaak, die het nationaal inkomen (namelijk van de grondeigenaren en kapitalisten) kan verhogen, kan tegelijkertijd een bevolkingsoverschot kweken en de positie van de arbeiders verslechteren.”

Het was derhalve verder niet verbazingwekkend, dat de eerste reactie van de arbeiders op vernieling van de machines gericht was. Reeds tijdens de 17de eeuw hadden in Europa opstanden van de arbeiders plaatsgevonden tegen de eerste machines, die dienden voor het weven van banden en boordsels. Aanvankelijk was het gebruik ervan op het vasteland van Europa verboden. Het keurvorstendom Saksen bijvoorbeeld stond de toepassing pas in 1765 toe. De eerste machines voor de wolspinnerij werden in 1758 door Engelse arbeiders vernield. Om het massaa1e oproer meester te worden, vaardigde het Britse parlement in 1769 een wet uit, die op de vernieling van fabrieken en machines de doodstraf zette. Anderzijds richtten de arbeiders steeds opnieuw petities aan het parlement, waarin zij het verbod op het gebruik van machines eisten totdat zij in de beide eerste decennia van de 19de eeuw in doorlopend herhaalde massa-acties wederom naar geweld grepen. Vanaf 1811 nam de beweging zo’n grote omvang, dat de restauratie-regering opnieuw haar toevlucht zocht in een terreurwet, die de doodstraf op machinevernieling stelde. Ook de moedige rede van Lord Byron tegen dit wetsontwerp in het Hogerhuis, in februari 1812, kon niet voorkomen dat het werd aangenomen. Terreur heeft tenslotte de objectief illusionaire, zij het begrijpelijke tegenstand van de arbeiders gebroken; nog één keer, na de terechtstelling van achttien arbeidersleiders uit York in januari 1813, laaide de tegenstand even op, zonder verderstrekkende gevolgen. Langzamerhand leerden de Engelse arbeiders, zoals Marx schreef, “de machinerie te onderscheiden van haar passing en hun aanvallen in plaats van tegen het materiële productiemiddel zelf tegen de maatschappelijke exploitatievorm te keren.” Latere vormen van deze protestbeweging kwamen evenwel nog in het Engeland van de tweede helft van de 19de eeuw voor, en in alle andere landen kwam het in de overeenkomstige fases van het industrialiseringsproces steeds tot parallelle verschijnselen: zo bijvoorbeeld in de Franse zijdeweversopstand te Lyon in 1831, en bij de Silezische weversonlusten-in 1844.

Het geringe ontwikkelingspeil van de arbeiders in de eerste fase van de industrialisatie, hun morele vernedering door de noodzaak om, wilden zij althans in leven blijven, niet slechts hun eigen arbeidskracht, maar ook die van hun vrouw en kinderen te verkopen, en wel voor steeds dalende prijzen, de noodzaak om hun kinderen naar de fabriek te moeten sturen in plaats van naar school, zodoende het eigen gebrek aan opleiding vereeuwigend, dit alles maakt de heftige reactie in de eerste fase van de industrialisatie begrijpelijk. Wetgeving en de ideologie van een rationeel natuurrecht hadden de arbeiders al sinds het einde van de middeleeuwen het recht ontzegd, om door solidair optreden invloed op hun arbeids- en levensvoorwaarden uit te oefenen. In 1731 had de rijksgildeordening in het Heilige Roomse Rijk het recht op vereniging voor handwerksgezellen bij de wet verboden, zoals toen in vrijwel alle Europese staten vanzelfsprekend was. Ook de burgerlijke revoluties brachten daar geen enkele verandering in: zowel de vertegenwoordigers van het rationalistisch natuurrecht alsook die van de fysiocratische en klassiek-liberale economie waren van mening, dat vrijheid en gelijkheid in de maatschappij het beste waren gewaarborgd, wanneer men vele kleine producenten hun eigendom, hun samenwerking en hun particuliere concurrentiestrijd garandeerde, en de aaneensluiting van “bijzondere belangen” verbood. De macht daarvan zou – zo geloofde men – de vrijheid van de anderen immers s1echts in de weg kunnen staan. Zolang de arbeiders zichzelf slechts zagen als deel van de plebeïsche lagen van hun natie, bleven ook zij in deze ideologieën bevangen. Zo kwam het, dat de schrandersten onder de arbeiders weliswaar begrepen, dat hun rechteloosheid slechts uit de weg geruimd kon worden door gelijk recht voor alle burgers te eisen om de werkzaamheid van de politieke macht inhoudelijk te kunnen bepalen opdat de staat niet misbruikt zou worden voor de belangen van enkelen; zij eisten derhalve voor zichzelf alle vrijheidsrechten op, die overeenkwamen met het natuurrechtelijk denken.

Maar ze wisten nog geen eisen te stellen, die afweken van de ideeën van de radicale burgerlijke democraten. Zo waren het, in het tijdperk van de Franse revolutie, buiten Frankrijk naast revolutionaire intellectuelen vooral de leden van de opkomende arbeidersklasse, die voor de doelstellingen van de Franse revolutie ijverden: de gedachte van internationale solidariteit in de strijd voor democratie en mensenrechten, gesteld tegenover de coalitiepolitiek van de Europese staten tegen de Franse revolutie, vond zijn sociale basis in Engeland onder de handwerksgezellen en arbeiders. Zij organiseerden zich in de Corresponding Societies, nadat Thomas Paine met “The rights of man” (1ste deel 1791, 2de deel 1792) het democratisch-natuurrechtelijk denken voor hen toegankelijk had gemaakt. De Londense schoenmaker Thomas Hardy had in 1792 de eerste genootschappen van deze aard opgericht. Binnen de tijd van twee jaar organiseerden tienduizenden Engelse arbeiders zich in deze genootschappen; ook delen van de intelligentsia en van de industriële burgerij sympathiseerden met hun doelstellingen, vooral nadat door de oorlogspolitiek tegenover Frankrijk de continentale markt voor Engeland geblokkeerd was.

In oktober 1795 kwam het tot demonstraties in Londen tegen George III en eerste minister Pitt; zij drongen aan op beëindiging van de oorlog met Frankrijk. Deze activiteit vond haar bekroning in de muiterij van de oorlogsvloot in 1797. Door de opheffing van de Habeas Act in 1794, door het verbod van de debatclubs in 1799 en door de Combination Acts van 1799 en 1800, die het recht om vakverenigingen te vormen introkken, werd zij kort daarop gebroken. Ook de “jacobijnse” activiteit in deze periode in Duitsland werd, zoals de weversonlusten in Silezië tussen 1792 en 1794 uitwijzen, door plebeïsche lagen gedragen.

De Franse revolutie had het, vooral door het democratisch kiesrecht in de grondwet van 1793 en door de plebeïsch-revolutionaire dictatuur van de jacobijnen mogelijk gemaakt, dat er in de Europese geschiedenis een wending optrad naar de invoering van de rechten van de mens en van de democratie. Maar zij resulteerde voorlopig niet in een sociaal en politiek zelfstandig worden van de arbeiders tegenover de kleinburgerlijke democratie. De industriële opbloei, het binnendringen van de nieuwe machinale productie in het manufactuursysteem begon pas tijdens de revolutie-oorlogen en het eerste keizerrijk, onder bescherming van het continentaal stelsel. De handwerksgezellen en manufactuurarbeiders golden weliswaar als de actiefste groepen in de revolutionaire gevechten van 14 juli 1789 tot de val van Robespierre op de 9de Thermidor 1794; zij konden echter, zelfs niet onder de heerschappij van het Comité de Salut Public, de opheffing van het (girondijnse) decreet van 14juni 1791 bewerkstelligen. Dit verbood alle arbeiders- en gezellenverenigingen, als zijnde een “aanslag op de vrijheid” en op de zuiver individualistisch geïnterpreteerde Déclaration des droits de l’homme et du citoyen. De 9de Thermidor en het overgaan van de heerschappij van de revolutionaire intellectuelen en kleinburgers in handen van de bourgeoisie maakte een einde aan hun politieke activiteit, terwijl de Parijse hongeropstanden in oktober 1795 hun laatste energie verbruikten. De propaganda en de geheime organisatie van Baboeuf, de Conspiration des Egaux, wilden in 1796 nog een keer de ervaring uit de periode van het Directoire, dat de democratie was gestrand op de tegenspraak tussen geproclameerde politieke en ontbrekende sociale gelijkheid, gebruiken om een agrarisch-socialistische maatschappij zonder erfrecht, door middel van een revolutionaire dictatuur te realiseren.

Het proces tegen de samenzweerders en de terechtstelling van Baboeuf vernietigden deze beweging evenwel. Buonarotti’s geschiedenis van deze samenzwering – in 1828 gepubliceerd – werd later echter een van de belangrijkste theoretische grondslagen voor de geheime organisaties van de revolutionaire democraten en de arbeidersklasse in de periode van de Juli-monarchie; haar effect bleef niet meer alleen tot Frankrijk beperkt.

Zo had het tijdperk van de Franse revolutie dan toch in ieder geval belangrijke voorwaarden geschapen voor de toekomstige ontwikkeling van de Europese arbeidersbeweging: het bewustziin van de noodzaak van politieke democratie en internationale solidariteit in de strijd voor de rechten van de mens. Uit de ervaring, geput uit het sociale conflict met de belangen van de bourgeoisie, waren eerste overwegingen voortgekomen over de vraag, op welke wijze de maatschappij veranderd kon worden; zij kregen invloed op de denkbeelden van kleine arbeiderskringen in Engeland en Frankrijk. Het kapitalistische eigendom van de productiemiddelen gold in deze kringen niet langer als de vanzelfsprekende en geheiligde grondslag van de economie.

De decennia van het Directoire, van het consulaat en van het eerste keizerrijk verlamden weliswaar de eigen activiteit van de plebeïsche lagen in Frankrijk en in de rest van het Europese vasteland. Zij waren uitgeput door de controverses ten tijde van de revolutie. Maar zowel in de periode van de heerschappij van de bourgeoisie, als – en toen pas in alle hevigheid – onder de militaire monarchie van Napoleon, breidde de nieuwe economische productiewijze zich in Frankrijk en ook in het westelijk deel van Duitsland snel uit. In deze tijd traden de gevolgen – versterking van de economische macht van de bourgeoisie en van de positie van de industrie-arbeiders binnen de plebeïsche lagen aanvankelijk nog niet aan het licht. Maar ondanks de overwinning van de Restauratie moest deze situatie tot politieke consequenties leiden, zodra de teugels iets gevierd gingen worden. Het anachronistische optreden van de Bourbons in Frankrijk, die de reële betekenis van de nieuwe klassen simpelweg negeerden, hoewel aan het herstel van de maatschappelijke structuur van voor de revolutie niet viel te denken, dwong de bourgeoisie tot liberale oppositie. En deze oppositie had de arbeiders als militante hulptroepen nodig. In de schaduw daarvan kon het sociale bewustzijn van de arbeiders zich verder ontwikkelen.

Deze situatie viel in Engeland met zijn grote industriële voorsprong nog meer in het oog dan op het continent. De concurrentie tussen de conservatieve reactie die door de overwinning op Frankrijk versterkt was enerzijds, en de industriële bourgeoisie die haar aandeel in de Politieke macht opeiste anderzijds, speelde zich af in een wezenlijk gunstiger klimaat vanwege het feit dat de positie van de burgerlijke middenklassen hier veel steviger was en hun zelfbewustzijn sterker was ontwikkeld. Zo begon in Engeland spoedig opnieuw de strijd voor hervorming van het kiesrecht. Deze werd in de eerste plaats gedragen door de industriële bourgeoisie, die erop gebrand was invloed te krijgen op de politieke beslissingen, de tolpolitiek, en die de buitenlandse politiek van het koninkrijk aan haar eigen behoeftes aan wilde passen. In de tweede plaats werd de strijd gedragen door de arbeidersklasse. Onontkoombaar verbonden de arbeiders deze nieuwe fase in hun strijd met de eerste eisen op het gebied van de sociale politiek, zoals die tijdens de massale demonstratie te Manchester in 1819 gesteld werden. De tegenstellingen binnen de politiek en economisch heersende lagen maakten in 1824 de opheffing van het verbod op het recht van vereniging mogelijk; de reeds voordien ontstane illegale vakverenigingskaders konden nu openli3k optreden. In de hoogconjunctuur van deze tijd – waarop pas na het speculatiejaar 1825 een zware crisis volgde – scheen inwilliging van het recht op vereniging in de ogen van de heersende klassen nauwelijks kwaad te kunnen. Na een stakingsgolf werd in 1825 weliswaar een deel van de concessies herroepen; het recht op vereniging zelf evenwel kon de Engelse arbeiders van nu af aan niet meer afgenomen worden. En in de crisis was voor de eerste maal gebleken, dat de arbeiders, zodra ze over functionerende vakbondsorganisaties beschikten, tenminste enkele van de in de voorafgegane periode van hoogconjunctuur behaalde verbeteringen van hun levensstandaard met succes konden verdedigen. De theorieën van Robert Owen en William King verleenden de beweging stabiliteit; sociaal kon zij steunen op de in het nieuwe tijdperk van industrialisatie benodigde geschoolde, dientengevolge beter betaalde en hoger ontwikkelde arbeiders. Onder de bescherming van de geschillen tussen bourgeoisie en grondeigenaren over de hervorming van het kiesrecht konden coöperatie- en vakbeweging zich gezamenlijk ontplooien. Zij effenden de weg voor een situatie, waarin voor het eerst een verbinding tot stand kwam tussen legale organisatie in vak- en coöperatieverenigingen enerzijds en de strijd voor politieke democratisering én de doelstelling van coöperatief-socialistische omvorming van de economische ordening anderzijds.

De eerste filantropische en op fabriekshervorming gerichte stellingen van Owen pasten zich aan deze situatie aan. Zij werden tot theoretisch hulpmiddel van de beweging, toen John Doherty in 1829 de Grand Union of Spinners organiseerde en in 1830 de National Association for the Protection of Labour ontstond. De arbeiders werden later evenwel door de Reform Bill van 1832, het nieuwe compromis van de hogere klassen, van ieder aandeel in de politieke rechten beroofd. Het was maar al te begrijpelijk, dat hun verwachtingen zich vooreerst uitsluitend op de coöperatieve en vakverenigingsactiviteit concentreerden, temeer daar zij op dit gebied nog geen ondubbelzinnige nederlaag hadden geleden. In het Report to the County of Lanark (1820) had Robert Owen zijn systeem van arbeidsbazaars ontwikkeld. Dit was een beurs waar waren tegen de waarde van de in de productiecoöperaties gemaakte arbeidsuren geruild moesten kunnen worden. Owen wilde deze nieuwe economische ordening naast de bestaande kapitalistische economie plaatsen en langzamerhand tegen deze in doorzetten. In 1833 ontstond het plan voor een General Labour Union, die door de aaneensluiting van arbeiders in productiecoöperaties arbeidskrachten moest onttrekken aan de kapitalistische ondernemingen om zo een socialistische economische ordening tot stand te brengen. In 1834 werd de Grand National Consolidated Trades Union opgericht. Owen, die geenszins in termen van klassenstrijd dacht, hoopte ook de ondernemers voor zijn plan voor een coöperatief economisch systeem te kunnen winnen, omdat hij evenals SaintSimon geloofde in de gemeenschappelijke belangen van de productief-industriële klassen tegenover grootgrondbezit en staatsapparaat. Zijn New Moral World moest in de schoonst denkbare klassenharmonie ontstaan. In werkelijkheid evenwel leidde de bloei van de vakbeweging steeds tot nieuwe strijd voor betere arbeids- en levensvoorwaarden van de arbeiders en tot energieke tegenmaatregelen van de ondernemers, die tenslotte resulteerden in het uiteenvallen van het grote verbond van vakverenigingen met zijn ideeën over productiecoöperaties.

Daar de ondernemers weigerden vakbondsleden aan te nemen, zagen de vakverenigingen zich genoodzaakt, van hun leden zwijgplicht over het lidmaatschap van de organisatie te eisen. Daarmee kreeg de staatsmacht een voorwendsel in handen, tegen de vakverenigingen op te treden, als zijnde geheime organisaties. De Grand National Union was niet tegen deze situatie opgewassen en viel snel uiteen. Slechts kleine vakbondsorganisaties van geschoolde arbeiders konden zich staande houden; de massa’s der ongeschoolde en slechter betaalde arbeiders verspreidde zich. De invloed van Owen op de Britse arbeidersbeweging was uitgedoofd, ook al traden zijn aanhangers later van tijd tot tijd nog op, niet in de laatste plaats bij de oprichting van de Rochdale Pioneers’ Society in 1844, die aan de wieg van de hele moderne beweging van de verbruikscoöperaties staat.

Langzamerhand begonnen de arbeiders te beseffen, dat de beperking tot economische acties – ook al resulteerden zij dan in sporadische sociaal-politieke concessies van het parlement, zoals de fabriekswet van 1833 – niet tot duurzame successen kon leiden. Zo kwam de strijd voor het democratisch kiesrecht opnieuw centraal te staan. De leidende mannen van de Londense Working Men’s Association die het programma voor de volgende fase in de Engelse arbeidersbeweging, de zes eisen van het People’s Charter (1838) opstelden, hadden voor het grootste deel hun ervaringen in de voorafgaande fase opgedaan: zo William Lovett, James Watson en Henry Hetherington. Hun doel was: algemeen, geheim en gelijk kiesrecht voor alle mannen; gelijke indeling van de kiesdistricten: onkostenvergoedingen voor de afgevaardigden; verkorting van de zittingsperiodes van de wetgevende macht – kortom de transformatie van Engeland tot een democratie. Daarnaast ontstond de London Democratic Association, waartoe O’Brien behoorde, de Engelse vertaler van Buonarotti’s ”Geschiedenis van de samenzwering der gelijken “. Deze bracht de ideeën van de Franse revolutie en de continentale revolutionaire samenzweerdersgroepen in de arbeidersbeweging. De petitie van Birmingham – eveneens door geschoolde arbeiders opgesteld – belichaamde in wezen dezelfde doelstellingen. De handelscrisis en de massale werkloosheid in de jaren 1839 tot 1843 verschafte de Chartistenbeweging in het gehele land grote weerklank. Maar nooit slaagde men erin, de Chartistenleiders werkelijk te verenigen, nadat het Lagerhuis een massale handtekeningenactie voor het People’s Charter, de eerste National Petition, had verworpen. De strijd tussen de beide oppositionele groepen in de leiding belemmerde iedere eensgezinde actie: aan de ene kant stond de Moral Force Party, die voor langdurige agitatie en een bondgenootschap met de liberale groepen in de Engelse industriële bourgeoisie pleitte en aan de andere kant de Physical Force Party, die massale werkstakingen als beslissend strjdmiddel beschouwde.

De massastakingsbeweging van 1842 was volledig onvoorbereid en kwam voor beide groepen volstrekt onverwacht. Toch demonstreerde het voor het toenmalige Engeland verbazingwekkende resultaat van de nieuwe petitie van 1842 met 3,3 miljoen handtekeningen de omvang van de beweging. Zij was uiteindelijk voor het parlement toch aanleiding voor de sociaal-politieke concessie van de mijnwet. De opheffing van de invoerrechten op graan in 1846 was in de eerste plaats een overwinning van de industriële bourgeoisie op de grondeigenaren, maar berustte niet in de laatste plaats op de angst van de heersende klassen voor een herleven van de Chartistische arbeidersbeweging. Sinds lang was de tien-uren-Bill het economische doel van de vakverenigingen en Chartisten, en de wet van 1847, die tenslotte de arbeidsdag tot tien uur beperkte, was het resultaat van de laatste golf van Chartistische massa-activiteit, die evenwel spoedig na het mislukken van de grote massademonstraties in april 1848 en de nederlaag van de continentale revolutie in datzelfde jaar verliep. Terecht heeft Karl Marx, in het eerste deel van Het Kapitaal, de invoering van de wettelijke gemiddelde arbeidsdag, geregeld bij de wet van 1847, gekarakteriseerd als het “product van een langdurige, min of meer verborgen burgeroorlog tussen de kapitalistenklasse en de arbeidersklasse”, waarin “de Engelse fabrieksarbeiders de voorvechters voor de moderne arbeidersklasse in het algemeen zijn geweest”. Voor hem was deze wet de eerste grote overwinning van de politieke economie van de arbeiders, op die van de bourgeoisie, omdat “de arbeiders een wet hadden afgedwongen, die hen zelf verhindert, door vrijwillige contracten zichzelf en hun generatie in dood en slavernij te verkopen.”

De beide offensieven van de Engelse arbeidersbeweging tussen de beide revoluties van 1830 en 1848 leverden ook de arbeiders van het continent het schema voor hun klassenstrijd. De Engelse arbeiders hadden door hun successen het concrete bewijs geleverd, dat het mogelijk was om het openbaar gezag door de acties van het proletariaat tot sociaal-politieke ingrepen te bewegen. Voorts toonden zij de mogelijkheid aan, om door directe vakverenigingstrijd loonpolitieke concessies af te dwingen en levensstandaard en ontwikkelingsniveau van de arbeidersklasse te verhogen, tegen de – zonder klassenstrijd “natuurlijke” – tendenties tot verpaupering van de massa’s.

In dit resultaat bracht ook de ontwrichting van de Chartistenbeweging, een nevenverschijnsel van de nederlaag van deEeuropese revolutie van 1848, geen verandering. Het inzicht in de noodzaak van internationale solidariteit tussen revolutionaire democraten en arbeidersklasse had mede de laatste fase van het Chartisme bepaald. Het genootschap der Fraternal Democrats, met als secretaris George Julian Harney, had steeds opnieuw het contact met de in Engeland verblijvende groepen van buitenlandse revolutionaire emigranten, maar ook met de revolutionaire kringen in het buitenland tot stand gebracht. Nadat de eerste Chartistische afgevaardigde in het Lagerhuis was gekozen, in juni 1847, bereidde dit genootschap een internationaal congres voor, dat in oktober 1848 in Brussel bijeengeroepen moest worden. Door de revolutie kwam er echter niets van terecht. Toen ook een derde, door de Chartisten op touw gezette massapetitie in juli 1848 (op een tijdstip waarop niet slechts de arbeidersklasse, maar de democraten als geheel op het continent reeds verslagen waren) door het parlement werd verworpen, begon een versnelde afbrokkeling van de Chartistenbeweging. De Engelse arbeiders verloren voor vele jaren een zelfstandige politieke beweging.

De continentale revolutie van 1848 was een gevolg van de economische crisis van 1847. Na het korte voorspel van de Zwitserse Sonderbundoorlog (*) in november 1847 luidden de opstanden in Italië in januari 1848 een nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis van de arbeidersbeweging in; deze kon zich door de val van de Burgerkoning in Frankrijk, op 24 februari1848, volledig ontplooien. In de voorafgaande revolutie van 1830 hadden arbeiders en kleinburgers drie dagen lang gezamenlijk in de straten van Parijs gevochten en na hun overwinning moesten zij toezien, hoe de bank- en financiële oligarchie met haar koning Louis Philippe de macht overnam. Een eigen politiek bewustzijn, dat zelfstandige programma’s en optreden mogelijk had moeten maken, bezat de Franse arbeidersklasse toentertijd niet. Haar eerste grote stakingen, die van de zijdewevers te Lyon in 1831 en 1834 waren moeiteloos neergeslagen. Weliswaar waren er al voor de juli-revolutie van 1830 revolutionair-democratische geheime genootschappen actief geweest. Zo werkten de Carbonari en andere volgens dit model opgebouwde verbonden onder de studenten en ten dele ook in de plebeïsche lagen, vooral onder handwerksgezellen. Maar pas onder de regering van de Burgerkoning begonnen zij de belangen van “le peuple” bewust tegenover die van “la bourgeoisie” te plaatsen, zoals Louis Blanc het formuleerde in zijn Histoire des dix ans. In snelle opeenvolging ontstonden de Société des amis du peuple, de Société des familles onder leiding van Louis-Auguste Blanqui en de Société des Saisons. Het was het gemeenschappelijk doel van al deze geheime bonden, om door middel van een straf georganiseerde groep van samenzweerders de politieke macht met geweld te grijpen en de – van de verkoop van haar arbeidskracht levende – arbeidersklasse te bevrijden. De revolutionaire dictatuur van de zegevierende samenzweerders moest de opvoeding van het volk tot democratie en medewerking in een utopisch communistisch georganiseerde economie veiligstellen. In de sociale samenstelling van de leden van deze geheime genootschappen trad het proletarische element meer en meer op de voorgrond. Internationalistisch denken verbond deze beweging met Duitse revolutionaire emigranten en handwerksgezellen die elkaar naar Frans voorbeeld in 1834 in de Bund der Geächteten (**) en later in de Bund der Gerechten (***) ontmoetten.

* In 1847 sloten zeven Zwitserse kantons een Sonderbund die evenwel door de hoofdzakelijk radicale Landdag ontbonden werd. De Sonderbund vroeg buitenlandse hulp. Frankrijk zegde steun toe, Engeland weigerde. Door snel optreden werd de Sonderbund onderworpen en ontbonden.

** Letterlijk: bond der ballingen

*** letterlijk: bond der rechtvaardigen.

De industriële opbloei van Frankrijk, die onder de bescherming van de tolpolitiek van de Burgerkoning inzette, legde onverhuld de tegenspraak tussen financiële bourgeoisie, industriële bourgeoisie en proletariaat bloot. Want Frankrijk was tot dan toe een overwegend agrarisch land geweest. Het legale politieke leven, waartoe de arbeiders bovendien door het vigerende kiesrecht geen toegang hadden, bleef beperkt tot een spel tussen de regerende financiële aristocratie en de officiële oppositie van industriële en ontwikkelde bourgeoisie. De boeren, trots op hun rol van bezitters, die zij aan de grote revolutie te danken hadden, vormden de qua aantal veruit sterkste klasse in het land. De meerderheid van de arbeiders was nog werkzaam in kleine ondernemingen, zij misten de strijdbare geest van de verenigde arbeiders uit de grote bedrijven. Gelet op de politieke en sociale situatie in Frankrijk lag het voor de hand, dat de arbeiders in gedrag en strijdmethode het voorbeeld van de samenzwering van Baboeuf navolgden, dat zij hoopten op een succesvolle putsch, en al hun hoop op de politiek van een revolutionair-democratische dictatuur stelden. Voortdurende voorbereidingen voor een putsch en tenslotte de poging tot opstand op 12 mei 1839 getuigden van hun revolutionaire daadkracht, die nog doorwerkte in de strijdvormen van het Parijse proletariaat tijdens de februarirevolutie van 1848 en de Parijse Commune van 1871.

Hun leider Blanqui, die tot aan zijn dood (1881) zesendertig jaar van zijn leven achter de tralies doorbracht, genoot een uitzonderlijk ontzag, zijn begrafenis werd tot een van de grootste manifestaties van de Franse arbeiders: tweehonderdduizend mensen volgden de lijkstoet. In de catastrofe van de poging tot de staatsgreep van 1839 raakte ook de Duitse Bund der Gerechten verstrikt. Een aantal van de actiefste leden, Karl Schapper, Heinrich Bauer en Joseph Moll, konden naar Engeland vluchten, en richtten daar in 1840 de Duitse vereniging voor arbeidersontwikkeling (Arbeiterbildungsverein) op, die spoedig ook democratische en proletarische emigranten van andere nationaliteiten opnam. Zij werd als Kommunistische Arbeiterbildungsverein van grote betekenis voor de verdere ontwikkeling van de internationale arbeidersbeweging, en bleef tot 1917 bestaan.

Doch naast deze communistisch-conspiratieve beweging, die de autonome activiteit en de klassenstrijd van het proletariaat wilde bevorderen, waren er ook andere invloeden werkzaam op de Franse arbeiders; hun houding in de eerste fase van de Tweede Republiek is niet te begrijpen, wanneer men geen inzicht in deze andere invloeden heeft. De sociale veranderingen in de periode van de opkomende kapitalistische industriële maatschappij hadden talrijke theoretici voortgebracht, die zich tegen de heersende tendensen in de liberale economie opstelden. Charles Fourier vestigde in zijn sociale filosofie, uit antipathie tegen het industriële kapitalistische grootbedrijf, al zijn hoop op een federatie van kleine zo goed als autarkische coöperatieve gemeenschappen (Phalanstères); zijn denken had weinig te maken met de ideeën omtrent een zelfstandige arbeidersbeweging en haar klassenstrijd. Realistischer was het systeem van graaf Saint-Simon, die wel degelijk het noodzakelijke en onvermijdelijke van de ontwikkeling naar grootindustriële productie begreep. Hij hing de gedachte aan van gemeenschappelijke planning van de maatschappij door industriële kapitalisten en arbeiders tegen de – naar zijn mening – parasitaire niet-producenten. Het denken van zowel de een als de ander heeft via hun leerlingen invloed gehad op delen van de arbeidersklasse en tenslotte op Louis Blanc. Diens “droit au travail” en “organisation du travail” werden de beslissende leuzen van het eerste grote zelfstandige optreden van de Parijse arbeiders tussen februari en juni 1848. Daarentegen kreeg Pierre Joseph Proudhon’s theorie van de “organisation du crédit” en van het mutualisme in deze fase van de ontwikkeling pas na de beslissende gebeurtenissen in juni 1848 invloed op het zelfbewustzijn van de Franse arbeiders.

De arbeiders, die – naar zij aanvankelijk meenden – in februari 1848 de overwinning hadden behaald en de opname van Blanc en Albert in de regering hadden afgedwongen, evenals de vorming van de commissie van het Luxembourg (*), waren door de economische crisis van 1847 reeds werkloos geworden en zoniet, hing dit lot hun boven het hoofd. Voor hen vormde het belangrijkste probleem derhalve de verzekering van het recht op arbeid door het openbaar gezag. Dit moest evenwel gebeuren op een manier, die zowel de herhaling van soortgelijke economische catastrofes onmogelijk zou maken, alsook een hernieuwde volledige onderwerping onder de industriële kapitalisten in het economisch leven moest voorkomen. De ateliers sociaux van Louis Blanc – een voorloper van de door de staat ondersteunde productie-associaties van Ferdinand Lassalle – leken aan deze behoefte tegemoet te komen. Zij moesten langzamerhand, met vreedzame instemming van alle bevolkingsklassen de kapitalistische economische en maatschappelijke orde overwinnen door middel van de kredietpolitiek van een nationale bank, die eigendom van de staat was. Want scheen de hoop van Louis Blanc om, in een vreedzaam compromis met de in de voorlopige regering vertegenwoordigde kleinburgerlijke democraten en industriële kapitalisten zonder klassenstrijd tot een werkelijk democratische maatschappij te komen, niet gerechtvaardigd? En was Blanqui, die deze eendracht kritiseerde, niet een door zijn gevangenschap verbitterde twistzoeker?

* Onder voorzitterschap van Louis Blanc werd in het Luxembourg een “regeringscommissie van arbeiders” in het leven geroepen, waarin arbeiders en ondernemers gezamenlijk overleg pleegden

Door hun eigen bittere ervaringen na de februari-revolutie moesten de arbeiders langzaam maar zeker leren, dat Blanqui hun wezenlijke belangen helderder dan zij zelf onderkend had. De nationale werkplaatsen, die nu ontstonden, waren in feite slechts een organisatie voor werkverschaffing: zij namen die werklozen op, die niet door de mobiele gardes geronseld waren. Na de verkiezingen voor de constituerende Nationale Vergadering trachtten de ontnuchterde arbeiders door de demonstratie van 15 mei het doel van hun revolutie te redden en parlement en regering te dwingen tot steun aan de Poolse revolutie. Maar niets lag zo ver van de kleinburgerlijke democraten en burgerlijke republikeinen als een gezamenlijke strijd van de Europese democraten tegen Pruisen en Rusland. Zo leidde de demonstratie tot de utopische poging de macht te veroveren, en liep uit op de arrestatie van de aanvoerders van de oude conspiratieve groeperingen. Daarmee was Blanqui uitgeschakeld.

Het decreet van 21 juni 1848 dat de ongehuwde arbeiders uitsloot van de nationale werkplaatsen, gaf het sein voor een spontane opstand van de Parijse arbeiders. De strijd duurde vijf dagen en bracht de beslissing niet alleen in de Franse maar ook in de Europese revolutie: de liberale burgerij in alle landen van Europa zocht vrede met de feodale reactie en juichte de massamoord op meer dan drieduizend gevangengenomen arbeiders door generaal Cavaignac toe. Karl Marx heeft in 1850 in “Klassenstrijd in Frankrijk 1848 tot 1850” de ontwikkeling van deze eerste opbloei van de Franse arbeidersbeweging geschilderd. In “De 18-de Brumaire van Louis Bonaparte” (1852) analyseerde hij de gevolgen van haar nederlaag, het afzien van de politieke macht door de schijnbaar zegevierende liberale burgerij, ten gunste van de namaak-Napoleon en zijn “Decemberbende”.

Deze analyses waren het werk van een intellectueel, die filosofie, geschiedenis en economie van het toenmalige Europa verwerkte tot een nieuwe wetenschappelijke methode. Tegelijkertijd weerspiegelden zij de eerste aanzetten en ervaringen van de Duitse arbeidersbeweging. Deze kon zich, gezien de industriële achterstand van de staten van de Duitse Bond slechts op basis van de verbindingen met de Engelse en Franse arbeidersbeweging ontwikkelen. Het uitermate tegenstrijdige samengaan van economische en maatschappelijke achterlijkheid in eigen land met de sociale en geestelijke processen in hoger ontwikkelde Europese buurlanden bleek bij de ontplooiing van het theoretische denken van de arbeidersklasse van grote betekenis.

Daarmee werd opnieuw een samenhang zichtbaar, die reeds in de eerste helft van de 18de eeuw geleid had tot de superioriteit van de Franse Verlichting boven de Engelse filosofie. Deze zelfde samenhang leidde enkele decennia later tot de superioriteit van de Duitse klassieke literatuur en idealistische filosofie ten opzichte van het Franse culturele leven van die tijd. Toentertijd lagen daarin de voorwaarden besloten voor de intellectuele bloeiperiode van de Europese bourgeoisie. Juist het feit dat de Duitse arbeidersbeweging in de eerste helft van de 19de eeuw in de praktijk onbetekenend was, maakte het Karl Marx en Friedrich Engels mogelijk, om reeds aan de vooravond van de revolutionaire opstand van 1848 voor alle Europese arbeiders de theorie van de ontwikkeling van hun zelfbewustzijn te formuleren, evenals hun ideeën en hun doel, de bovennationale klassenloze maatschappij.

Na het Hambacher Fest, het Duitse naspel van de revolutie van 1 830 in Frankrijk, en de sociale onlusten in Engeland, waren talrijke democratische intellectuelen gedwongen uit Duitsland te emigreren; zo ook de privaatdocenten Theodor Schuster en Jacob Venedey uit Göttingen. Ze begonnen in Parijs met Duitse rondtrekkende handwerksgezellen samen te werken naar het voorbeeld van de Franse democratisch-revolutionaire geheime bonden. Uit hun Bund der Geächteten vormde zich in 1836 de Bund der Gerechten. Na de nederlaag van de putsch van de Société des Saisons in 1839 moest een deel van de leden naar Londen emigreren; daar ontstond in 1840, vooreerst als legaal discussieforum de Deutsche Arbeiterbildungsverein waaruit later de Kommunistische Arbeiterbildungsverein voortkwam. Wilhelm Weitling, een rondtrekkende kleermakersgezel, had voor de Bund der Gerechten in 1838 “Die Menschheit wie sie ist, und wie sie sein soll” geschreven en in 1842 de “Garantien der Harmonie und der Freiheit” Dit waren boeken, waarin de utopische visie van een communistische maatschappij gekoppeld was aan het plan voor een revolutionaire opvoedingsdictatuur. Nu bood de Londense Arbeiterbildungsverein de mogelijkheid om de Franse ervaringen van de revolutionaire politieke samenzwering te combineren met die van de Engelse klassenstrijd, die openlijk werd uitgevochten.

Friedrich Engels was al in november 1843 in contact getreden met de Londense Arbeiterbildungsverein. Karl Marx legde er in 1845 een bezoek af, tijdens een verblijf in Londen. In Brussel vestigde zich na de emigratie van Marx uit Parijs eveneens een Duitse arbeidersvereniging. De socialistische emigranten zowel in Londen als in Brussel hadden het overwegend emotionele socialisme à la Weitling een nieuwe, nauwkeuriger vorm gegeven. De leden van de Bund der Gerechten hadden begrepen, wat het onderzoek van Engels over “De toestand van de werkende klasse in Engeland” voor de analyse van de situatie van de arbeiders betekende. Ook begrepen zij, welke betekenis de redes van Marx over loonarbeid en kapitaal en zijn polemiek tegen Proudhon’s boek “Philosophie de la Misère” toekwam voor de sociaal-economische theorie en het overwinnen van louter geconstrueerde systemen. De wending van putschistische geheime bond naar propaganda-organisatie op het Londense bondscongres in de zomer van 1847 en de omdoping in Bund der Kommunisten, waren gevolgen van deze ontwikkeling. De volgende stap was de opdracht aan Marx, op het tweede bondscongres eind 1847, om het programma van de bond te formuleren; een voorontwerp was reeds door Engels geschreven.

In februari 1848, vlak voordat de revolutie in Frankrijk uitbrak, werd het Communistisch Manifest in Londen gedrukt. Het werd toen slechts op kleine schaal verspreid, en heeft de loop der gebeurtenissen vooreerst niet beïnvloed. Na enkele decennia was het evenwel het programma van de arbeidersbeweging in alle landen geworden. In treffende en heldere bewoordingen bevat het de theorie van het historisch materialisme, een nauwkeurige beschrijving van de ontwikkelingstendensen in de industrieel-kapitalistische maatschappij, waarin volgens Marx de arbeiders – steeds binnen het kader van de nationale staten – het proces van de revolutie moeten voortdrijven tot aan de klassenloze maatschappij. Het manifest sluit met de formule, die na 1848 steeds opnieuw opduikt in de programma’s van de Europese arbeidersbeweging: Proletariërs aller landen, verenigt u! Harold Laski heeft in het voorwoord bij de herdenkingsuitgave ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Manifest, die in opdracht van de Labour Party gepubliceerd werd, terecht geschreven: “Weinig documenten in de geschiedenis van de mensheid hebben de proef op de som door de toekomst zo goed doorstaan als het Communistisch Manifest. Een eeuw nadat het gepubliceerd werd, heeft nog niemand kans gezien, ook maar één van de essentiële beweringen ervan serieus te weerleggen”.

Het Communistisch Manifest verscheen aan de vooravond van de revolutie, die het had voorzien en waarvoor het de arbeiders strategische richtlijnen had willen geven. Deze revolutie werd neergeslagen: de klassenstrijd in Frankrijk bracht de bourgeoisie in alle Europese landen ertoe, de eigen doelstellingen prijs te geven. Zij werd in de armen van de reactie gedreven. In Duitsland voerden de leden van de Bund der Kommunisten een gemeenschappelijke strijd met de meest radicalen der burgerlijke democraten: Wilhelm Wolff in Breslau, Karl Marx als redacteur van de “Neue Rheinische Zeitung” in Keulen, Friedrich Engels tijdens de opstand in Baden. Alleen in de Arbeiterverbrüderung van Stefan Bom kwamen de arbeiders even tot zelfstandige sociaal-politieke activiteiten. Deze bleven voor het totale karakter van de beweging evenwel zonder betekenis, zij hadden geen invloed op de uitslag ervan. In elk geval maakte de revolutionaire stellingname van de groep rondom de Neue Rheinische Zeitung en de superioriteit van hun strategie zoveel indruk op enige intellectuelen van de jongere generatie, dat zij de ideeën van de Bund der Kommunisten – zij het in afgezwakte vorm – op de volgende fase van de beweging konden overdragen; zo bijvoorbeeld Wilhelm Liebknecht en Ferdinand Lassalle.

Door de nederlaag van de revolutie werden de belangrijkste leden van de Bund opnieuw gedwongen te emigreren. De economische welvaart van 1850 deed spoedig iedere hoop op een nieuwe revolutie teniet en maakte eerst aan de eenheid, vervolgens ook aan het bestaan van de Bund een eind. Terwijl Wijlich en Schapper naar het denken van de samenzweerderfase van de Bund terugkeerden, wees de meerderheid van het in Londen heropgerichte centraal orgaan van de Bund met Marx en Engels een dergelijke illusionistische politiek van de hand. De vervolging door de Pruisische politie maakte een einde aan de organisatorische continuïteit van de Bund met het Keulse communistenproces van 1852. Het besluit van de Duitse Bondsdag van 13 juli 1854 om alle arbeidersverenigingen te verbieden, welk besluit de Pruisische afgezant van Bismarck had weten door te zetten, sloot de eerste periode van de Duitse arbeidersbeweging af. In de door Friedrich Engels geschreven opstellen Revolutie en contrarevolutie in Duitsland vond het Duitse revolutieproces van 1848/49 zijn beste eigentijdse beschrijving en sociale analyse.

Engeland was de bakermat van de vroege arbeidersbeweging geweest, maar weldra waren in Frankrijk en Duitsland parallelle stromingen ontstaan. Hun hoogtepunt bereikten zij tijdens de revolutiegolf, die – teweeggebracht door de crisis van 1847 – heel Europa in zijn greep nam. Slechts in de loop van een langdurig en contradictorisch proces kon de arbeidersbeweging een zelfstandig denken en handelen ontplooien. Het was voortgekomen uit pogingen, om het burgerlijk-democratische denken consequent door te denken, en toe te passen op de problemen in de economie, en uit de pogingen, om de onmenselijke verslechtering van de levensstandaard te overwinnen in de vroegste periode van de industrialisatie en de crises die daarvan het gevolg waren. Daarbij werden in vrijwel alle gevallen slechts kleine groepen van arbeiders politiek actief, meestal onder leiding van kritische intellectuelen: op coöperatief terrein of in vakverenigingen. Alleen zij slaagden erin voor langere tijd een autonoom klassenbewustzijn te ontwikkelen, dat tegen de heersende ideologie inging. Deze actieve groep werd hoofdzakelijk uit geschoolde arbeiders gerekruteerd, die op basis van hun hogere beloning meer mogelijkheden hadden om zich te ontwikkelen en kennis eigen te maken. De meer verpauperde leden van de arbeidersklasse daarentegen gaven voorlopig alleen in tijden van crisis, de culminatiepunten van de sociale geschiedenis, blijk van vastberadenheid en activiteit. Dan evenwel bewezen zij tot ongewone spontane acties in staat te zijn, zoals bij de machinebestorming, of zoals in juli 1830 in Frankrijk, zij het dat ze daar meer als hulptroepen voor de liberalen dienst deden. Daarin kwam verandering, toen zelfstandige, zij het kleine organisaties begonnen op te komen, die ononderbroken, politieke en sociale opvattingen verdedigden en de massa’s derhalve voortdurend konden beïnvloeden.

De nederlaag van de revolutionaire acties in 1848 van de arbeidersklasse in Engeland en Frankrijk, die in deze landen een zelfstandig karakter hadden, en van revolutionaire opstanden in het industrieel achterlijke Duitsland, waar de opstanden vooral onder leiding van burgerlijke democraten stonden, was bezegeld door de gevechten in juni te Parijs. De economische welvaart van 1850 had in alle landen van Europa nogmaals de politieke machtsverhoudingen gestabiliseerd. Niettemin bleef in wat er van de Europese arbeidersbeweging restte, het bewustzijn van internationale saamhorigheid bewaard. Men hield vast aan het inzicht, dat het Europa van voor de revolutie niet ongewijzigd terug kon komen en dat er in de nieuwe situatie een nieuwe fase in de arbeidersbeweging zou ontstaan. De doelstellingen van democratie, van concrete verbetering van de levensstandaard van de arbeiders door de strijd tegen de ondernemers, en het doel om de klassenprivileges in een toekomstige klassenloze maatschappij op te heffen waren gemeengoed voor haar geworden; internationale wederzijdse steun gold als vanzelfsprekende consequentie. Dit bewustzijn hield stand in een tijd, dat de politieke solidariteit van de burgerlijke democraten in Europa plaats maakte voor identificatie met de bestaande staat, en zo geparalyseerd werd door de nationale tegenstellingen. De eerste fase van de Europese arbeidersbeweging had fundamenten gelegd, waarop na de nieuwe golf van industrialisatie, die inzette tijdens de hoogconjunctuur van 1850, kon worden voortgebouwd.

Delen: Printen: