De kleine vrede in de Grote Oorlog. Soldatenverzet tijdens kerstmis 1914 aan het westelijk front

December 1914, geen nieuws van het Westelijk front. Duitsers aan de ene kant en Belgen, Fransen en Britten aan de andere kant hebben zich, vaak slechts zo’n honderd meter van elkaar verwijderd, diep ingegraven in de kleigrond, afgeschermd door prikkeldraad. Deze linie loopt van de West-Vlaamse Noordzeekust tot de Zwitserse grens. In het noordelijke gedeelte van dit front gebeurt er tijdens de kerstdagen iets onvoorstelbaars: het is er kortstondig vrede.

Ron Blom

De aanzet hiertoe geven uitgerekend de Duitsers, die de oorlog in augustus begonnen waren. Borden worden omhoog gehouden, eerst door hen en dan door hun vijanden: frohe weihnachten, merry christmas, we not fight, you not fight … Het nieuws van de ‘vrede’ in Vlaanderen verspreidt zich als een lopend vuurtje door de loopgraven; de soldaten leggen de wapens neer en gaan samen kerstmis vieren. Kerstbomen worden neergezet in het niemandsland. De kaarsjes ontbreken niet. De vijanden zingen kerstliederen, de woorden ‘peace’, ‘Frieden’ en ‘paix’ zijn te horen.

De volgende dag worden de doden, die al wekenlang in het niemandsland liggen, in gezamenlijk gebed naar eeuwige rustplaatsen gebracht. En men ruilt tabak, pijpen, plumpudding, sigaren, rum, vaten bier, schnaps en wijn. De mannen tonen elkaar foto’s van hun familieleden, praten over heimwee, en dat de oorlog maar snel voorbij mag zijn. Er wordt zelfs gevoetbald.

De legerleiders, ver verwijderd van elk schot in hun generaalsstaven, worden echter onrustig van deze vrede. Er dreigt een vrede te groeien van onderop, tegen de wil van bovenaf. Zij dreigen daarom met strafmaatregelen en geven het bevel om weer te gaan schieten. Op de derde dag gebeurt dat dan ook aarzelend: de bloedige slachtpartij begint van voren af aan.

De Grote Oorlog van 1914 tot 1918 heette toen nog niet Eerste Wereldoorlog omdat niemand zich een tweede kon voorstellen. Het conflict zou zich nog jaren voortslepen en rond de negen miljoen mensen het leven kosten.

Het boek De kleine vrede in de Grote Oorlog van Michael Jürgs (25 euro) beschrijft dit ‘wonder in niemandsland’ van Kerstmis 1914. [noot] Het was de eerste belangrijke uitdrukking van soldatenverzet gedurende de Eerste Wereldoorlog. Het vormde in zekere zin de voorbode van de latere muiterijen in bijvoorbeeld Frankrijk (1917) en de beweging van soldatenraden in Rusland (1917) en in Duitsland (1918/19). Het zeer lezenswaardige boek van Jürgs levert een waardevolle bijdrage aan een begrip van het ontstaan, het verloop en het succes (of juist het gebrek eraan) van soldatenverzet.

Nederlaag socialistische arbeidersbeweging

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, ongeveer negentig jaar geleden, betekende een grote nederlaag voor de Europese arbeidersbeweging. In weerwil van plechtige uitspraken op congressen van de Tweede Internationale lieten de leiders van de socialistische partijen zich toch verrassen door nationalisme en oorlogshitsers. Niet zelden speelden ze daar zelf een stimulerende rol in. Er kwam geen oproep aan de eigen achterban om thuis te blijven, een algemene staking tegen de oorlog kwam niet van de grond en de mobilisatieoproep werd niet beantwoord met een strijdkreet om deze om te zetten in een aanval op het eigen heersende establishment.

Slechts enkele dagen voor het uitbreken van de oorlog werd in Londen nog door honderdduizenden tegen de oorlog geprotesteerd, veel meer dan in welke stad dan ook; in Parijs en Berlijn waren voor dat doel slechts enkele duizenden op de been, merendeels pacifistische socialisten of sociaal-democraten. Van de machtige SPD-fractie hield alleen Karl Liebknecht de rug recht en stemde tegen de voorgestelde oorlogskredieten.

De Sociaal-Democratische Partij Duitsland bedreef in de jaren voorafgaand aan de oorlog wel antimilitaristische propaganda en verspreidde socialistische opvattingen onder de voor dienstplicht in aanmerking komende jeugd en de soldaten. Toch stelde de partij zich uitermate voorzichtig op. Ondanks de betrachte voorzichtigheid kwam het regelmatig tot rechtszaken tegen socialistische agitatoren. Om dit te voorkomen verwees de partijpers over het algemeen naar de leiders in het parlement die onschendbaarheid genoten. De censuur zorgde naast een groeiende invloed van de parlementsleden tevens voor een toename van de machtscentralisatie en een groei van een conservatieve bureaucratische laag in de partij. Opvallend bij de opvattingen van de sociaal-democraten over het leger was, dat door de gestadige groei van de arbeidersklasse en de sociaal-democratie het leger als vanzelf steeds ‘roder’ zou worden. Het werkte een afwachtende houding in de hand. Soldatenwerk achtte de SPD minder belangrijk en het stelde dan ook niet veel voor. Toch was er nog wel iets blijven hangen van de antimilitaristische sentimenten.

In Duitsland moest de oorlog voorgesteld worden als één veroorzaakt door Russische agressie, omdat de Duitse bevolking, vooral de sociaal-democraten die bij de laatste verkiezingen veruit de grootste partij waren geworden, zich tegen een Duitse aanvalsoorlog zou keren. Ook nu was het gezegde ‘het eerste slachtoffer van elke oorlog is de waarheid’ weer van toepassing.

Geestdrift neemt af

In december 1914 was de oorlog al enkele maanden aan de gang. De gevechten waren intensief en langdurig. Er was sprake van zeer slechte weersomstandigheden. Regen en kou volgden elkaar onophoudelijk op. De bewegingsoorlog was al lang verzand in een stellingenoorlog en de legerleiding aan beide kanten bleef de soldaten opjagen om steeds opnieuw aan te blijven vallen. Regeringen en legerleiding hoopten op een snelle doorbraak en het spoedig verdrijven van de vijand. Dit alles ging ten koste van vele duizenden mensenlevens. Bovendien moesten de soldaten rekening houden met strenge strafmaatregelen. Wie tijdens de wacht in slaap viel kon rekenen op het keiharde oordeel van de militaire rechters: dood door de kogel. In december was er in heel Europa reeds sprake van een miljoen doden. Het veelgehoorde ’thuis voor de kerst’ van de augustusdagen hoorde men nu nergens meer.

Het enthousiasme voor het voortzetten van de strijd begon wat te luwen. Op veel plaatsen schoten de soldaten begin december 1914 alleen nog maar op afgesproken tijdstippen. De aanvallen vonden voornamelijk ’s nachts plaats. Af en toe spraken de tegenstanders bij de voorbereidingen voor de nachtelijke aanvallen met elkaar af zo hard te praten dat de andere kant op tijd gewaarschuwd zou zijn. Dat ging echter slechts goed totdat ze afgelost werden. De nieuwe groep wist immers niets van deze geheime afspraak. Ook schoot men niet tijdens het ontbijt en werd niet aangevallen bij een bezoek aan de latrines: sterven met de broek op je knieën was onmenselijk. Tussendoor werden hier en daar conversaties gehouden tussen de soldaten van de verschillende nationaliteiten. Dat was niet moeilijk want de strook niemandsland was op de meeste plekken minder dan 100 meter breed. De soldaten zongen liederen en soms ruilden ze van het thuisfront ontvangen goederen zoals Duitse sigaren tegen blikjes Engelse beef. Dit was vooral het geval als de Duitse regimenten uit Beieren of Saksen kwamen. Deze soldaten waren niet zo fanatiek als de Pruisische, die bekend stonden om hun genadeloze krijgslust. Aan beide zijden waarschuwde de militaire top dat dit soort verbroedering absoluut verboden was.

Dat is ook de reden waarom de legerleiding bleef aandringen op korte tactische aanvallen. De aanvalsmentaliteit van de soldaten mocht niet verminderen. Dit leidde tot vele acties waarvan de soldaten het nut sterk betwijfelden. Het ging om nachtelijke patrouilles door niemandsland zonder duidelijk doel. Het resultaat was een verdieping van de kloof tussen soldaten en militaire staf. Het zou het verbindende element vormen voor de verbroedering die op kerstavond 1914 zou plaatsvinden. De Engelse Tommy en Duitse Fritz realiseerden zich meer en meer dat ze in hetzelfde schuitje zaten.

Verbroedering rond kerst

De gewone soldaat voelde dat hij meer gemeen had met zijn broeder aan de andere kant van het front dan met zijn commandanten in de hoofdkwartieren in het achterland. De officieren behoorden tot een andere klasse dan de arbeiders en boeren die in de loopgraven stonden. De Duitse keizer Wilhelm II was familie van het Britse koningshuis. Nog tot vlak voor de oorlog onderhielden ze zeer hartelijke betrekkingen. Nu leidden beide vorstenhuizen al weer maandenlang hun eigen mannen naar de slachtbank. Terwijl de manschappen tot hun knieën wegzakten in de modder van de loopgraven, zaten de generaals aan de ganzenleverpastei.

The ones who call the shots won’t be

among the dead and lame,

and on each end of the rifle we’re the same.



Uit de ballade Christmas in the Trenches

John McCutcheon

Oorlogsmoeheid, en het verlangen naar vrede versterkt door de oorspronkelijke ideeën van het kerstfeest, brachten de soldaten dichter bij elkaar. Het eerste wat gebeurde was het begraven van de doden. De gesneuvelden, waaronder kinderen van vijftien jaar die een valse leeftijd opgegeven hadden, bleven vaak wekenlang op het land tussen de loopgraven liggen, waar de lijken in de modder tot ontbinding overgingen. Met kerstmis 1914 werden aanvankelijk de doden nog apart begraven. Spoedig gingen de soldaten over tot het zonder onderscheid naar nationaliteit begraven van de doden, waarbij ze ook gemeenschappelijke herdenkingsdiensten hielden. Daarna was het tijd voor feest. Jürgs schrijft over een kerstpicknick waarbij de Duitsers een paar in beslag genomen vaten bier leverden voor het feestmaal. Boven een kampvuur werd door de Engelsen en Duitsers een heel varken gebraden. Dergelijke ontmoetingen kwamen volgens Jürgs in de kerstdagen van 1914 op grote schaal voor. Hij deed onderzoek in tal van archieven, zoals in het Flanders Fields Museum in Ieper en in het Imperial War Museum en maakte onder meer gebruik van dagboeken, verslagen van het front, eerder verschenen studies en bandopnamen van oude veteranen. Helaas beschikt het boek niet over een notenapparaat. Jürgs getuigt in zijn boek van grote betrokkenheid en schreef in reportagestijl waardoor de lezer zich aanwezig waant.

De soldaten wisselden met elkaar van gedachten, vaak met behulp van tolken, door middel van lichaamstaal of simpelweg door het doorgeven van kiekjes van hun vrouwen, kinderen of ouders. De grote parallellen tussen hun leven van voor de oorlog werden duidelijk. Een arbeider uit de scheepsbouw in Glasgow of Liverpool voelde meer verwantschap met een collega uit Hamburg of Kiel dan met zijn eigen officieren, wier taal hij wel sprak maar die hij niet begreep. Voor het geval dat men de oorlog zou overleven, wisselden ze het belangrijkste uit: hun adressen.


[noot]. M. Jürgs, De kleine vrede in de Grote Oorlog. Kerstmis 1914 aan het westelijk front, Amsterdam 2004.

Delen: Printen: