Mugabe drijft repressie op in Zimbabwe

Na de Zimbabwaanse verkiezingen van 31 maart, waarbij de regerende Zanu-PF partij "overtuigend" won, heeft president Mugabe een nooit geziene repressie opgestart tegen straathandelaars en de bewoners van krottenwijken. Er worden bulldozers ingezet om duizenden "illegale" woningen af te breken en wijken "op te kuisen".

Dave Carr

Hierbij gaat het om een nieuwe golf van staatsrepressie om de politieke tegenstand tegen Mugabe te verzwakken. Duizenden potentiële aanhangers van de oppositie moeten noodgedwongen verhuizen naar landelijke gebieden waar de regering de volledige controle heeft over de voedselvoorziening. Daarmee wil de regering haar greep op de samenleving versterken.

Minstens 22.000 Zimbabwanen werden opgepakt en zo’n 200.000 woningen werden vernietigd. Dat blijkt althans uit cijfers van de Verenigde Naties. Deze opkuisoperatie heeft ook een school in Hatfield met de grond gelijk gemaakt, alsook een tehuis voor achtergestelde kinderen, het Batsirai Children’s Centre, waar 100 wezen werden opgevangen waarvan velen getroffen zijn door HIV/Aids.

Zelfs de ‘oorlogsveteranen’ die door Mugabe als stoottroepen werden ingezet tegen blanke commerciële landbouwbedrijven in 2000, ontkwamen de vernietigingsdrang niet. Op de voormalige Leaf Tobacco boerderij in Kambuzma werden twee coöperatieves vernietigd.

Er kwam als reactie tegen de repressie een staking van twee dagen georganiseerd door een brede alliantie van kerken en burgerlijke groepen. Die staking was echter niet effectief. Dit komt deels door de massale werkloosheid en de angst voor politierepressie, maar ook door de rechtse koers van de oppositiepartij Movement for Democratic Change. Heel wat Zimbabwanen verzetten zich tegen Mugabe, maar hebben geen illusies in slecht georganiseerde protestacties.

De repressie versterkt de economische en sociale crisis in het land. De economie kent er een vrije val, de voorbije vijf jaar is de economie met 30% gekrompen. Er is bovendien een nijpend tekort aan brandstof en voedsel. Het toerisme en de buitenlandse investeringen blijven weg en het land heeft onvoldoende middelen om goederen te importeren. Deze factoren hadden geleid tot een migratie van het platteland naar de steden.

Op 19 mei werd de munt met 32% gedevalueerd in een wanhopige poging om de export toch wat op te krikken. Dit bleek echter een tevergeefse poging te zijn.

Zimbabwe kent de ergste politieke crisis sinds de onafhankelijkheid van het land in 1980. Deze crisis komt voort uit het kapitalistisch beleid van de jaren 1990. In 1990 werd onder druk van het IMF en de Wereldbank een ‘economisch structureel aanpassingsprogramma’ (ESAP) doorgevoerd dat door de bevolking algemeen omgedoopt werd tot ‘Eternal Suffering for African People’ (eeuwig lijden voor het Afrikaanse volk). Dit programma heeft geleid tot een inkrimping van de industrie met 40% tussen 1990 en 1995, waardoor de levensstandaard drastisch gedaald is.

In 1996 was er een algemene staking in de openbare diensten tegen een loondaling en het schrappen van 25.000 jobs. Het jaar daarna waren er acties van de landloze en verarmde oorlogsveteranen die compensaties eisten van Mugabe. Uiteindelijk moest Mugabe toegeven en een pensioen betalen aan de duizenden veteranen.

Om dat te betalen voerde Mugabe een sterke belastingsverhoging door en werd de inflatie opgedreven. Dit verscherpte het protest verder, wat leidde tot ‘Rode Dinsdag’ op 9 december 1997 toen 1 miljoen mensen deelnamen aan een algemene staking tegen de regering.

Tijdens deze periode van strijd moest de vakbondsfederatie ZCTU onder druk van de basis breken met de regerende partij van Mugabe. Hierdoor ontstond een politiek vacuüm, wat leidde tot het oprichten van de Movement for Democratic Change (MDC).

De MDC was actief in de oppositie tegen de grondwetshervormingen van Mugabe in februari 2000. De partijleiding maakte echter snel een draai naar rechts en nam samen met lokale kapitalisten deel aan een rechtse ‘denktank’ uit de VS, de Freedom Foundation, waarvan het 1 miljoen dollar kreeg. De MDC nam hierop een neoliberaal programma aan, ondanks het feit dat dit eerder leidde tot verwoestende effecten in het land.

Na de verkiezingsnederlaag in 2000, werd Mugabe plots de kampioen van de armen. Hij mobiliseerde oorlogsveteranen om witte boederijen over te nemen. De kwestie van de landbouwgrond is een belangrijk thema. Het vormde een belangrijk aspect van de bevrijdingsstrijd. Maar na de onafhankelijkheid in 1980 veranderde er weinig. In 2002 bezaten 4.400 blanke boeren 32% van de beste landbouwgrond, terwijl 1 miljoen arme boerengezinnen samen 38% van de landbouwgrond controleerden.

De bezettingen van de boerderijen na 2000 vormden geen onderdeel van een boerenopstand of een programma van landverdeling op basis van een nationalisatie van de grote boerenbedrijven. De beste boederijen kwamen in handen van aanhangers van Mugabe. De oorlogsveteranen daarentegen kregen slechtere grond en geen middelen om die grond te bewerken. Nu worden de oorlogsveteranen van hun grond verdreven door de politie.

De afgelopen jaren werden de arbeiders en boeren in het land het slachtoffer van het regime van Mugabe. Het ontbreken van een socialistische partij met een revolutionair en internationalistisch programma is daarbij een belangrijk gebrek. Socialisten in Zimbabwe zullen daaraan moeten werken.

Delen: Printen: