Home / Belgische politiek / Lokaal - Brussel / Focus op Brussel (5). Harde besparingen vereisen hard verzet!

Focus op Brussel (5). Harde besparingen vereisen hard verzet!

De financiën van zowel de gemeenten als het Gewest zien er rampzalig uit. In Brussel zijn er tal van machtsniveaus vertegenwoordigd, maar allen hebben ze gemeen dat ze tot besparingen overgaan. De harde besparingen moeten beantwoord worden met hard verzet. Dat vereist een programma met een duidelijk alternatief. In de laatste focus op Brussel staan we stil bij de besparingen en brengen we algemene conclusies.

PDF van de volledige tekst

De gemeentefinanciën in het rood, werkenden en hun gezinnen betalen het gelag…

Volgens een analyse van de gemeentebegrotingen door Belfius, zouden 13 van de 19 Brusselse gemeenten een tekort op de begroting realiseren voor 2013. Deze cijfers zijn veel slechter dan in andere Belgische gewesten. Na de bestuursperiode 2000-2006, gekenmerkt door een systematische verslechtering van de budgettaire situatie van de gemeenten, sprak Charles Picqué, toen ook Brussels minister bevoegd voor lokaal bestuur, over een “financiële stabilisering” van de gemeenten “via het initiatief van het gewest, en een nauwgezet begrotingsbeleid door de gemeenten in 2006-2012”.

Met het “initiatief door het gewest” verwijst Picqué in de eerste plaats naar de bijkomende toelage van 30 miljoen € per jaar sinds 2007 om het tekort op de gemeentebegrotingen te helpen dichtrijden. Zonder die extra steun zou slechts één van de negentien Brusselse gemeenten uit de rode cijfers blijven. Picqué koppelde deze steun aan het voorleggen en respecteren van een driejaarlijks begrotingsplan door de gemeenten. Deze maatregel zou de inspiratie kunnen zijn van latere maatregelen zoals de nieuwe Europese maatregelen binnen de Six-Pack. Het doel van de maatregel was “loodgieter” te spelen voor de gemeenten, maar tegelijkertijd besparingen en tekorten te organiseren. Onder “nauwgezet begrotingsbeleid” verstaat hij de politiek van lokale besparingen via dewelke de groei van de uitgaven per hoofd van de bevolking systematisch lager waren dan de inflatie, hetgeen enkel maar bijdroeg tot de tekorten. En dit ondanks een jaarlijkse stijging van de dotaties aan de politiezones met 5%, en deze aan het OCMW met 5,5%.

We zagen al dat het rendement van de gemeentelijke belasting op immobiliën sterk fluctueert van gemeente tot gemeente. De inkomsten uit de opcentiemen op de personenbelasting wegen jaar na jaar minder in de inkomsten van de gemeenten (van 15% in 2006 naar 11% in 2012), getuige van de verarming van de bevolking. Inkomsten vanuit tussenkomsten door het gewest stegen jaarlijks van 5% tot 22,5% in dezelfde periode. Subsidies vanuit de federale overheid, de gemeenschappen en de gemeenschappelijke Gemeenschpscommissie vertegenwoordigen zo’n 13,5% van de gemeentelijke inkomsten.

De inkomsten uit financiële beleggingen zijn sinds 2005 in vrije val, ten gevolge van de liberalisering van de energiesector (verlies van inkomsten uit de intercommunales) en sinds 2009 ook door de liquidatie van de Gemeentelijke Holding (verdwijnen van de dividenden uit Dexia). De inkomsten uit schuldenaars (enerzijds interesten op uitstaande sommen, maar ook de dividenden uit participaties in intercommunales zoals Sibelga, Hydrobru en Brutélé) vertegenwoordigen slechts 3,7% van de inkomsten van de gemeenten, tegenover 8,5% tien jaar eerder.

In de energiesector, ooit verantwoordelijk voor belangrijke dividenden, hebben de gemeenten zich tevreden gesteld met inkomsten uit de activiteiten van de netbeheerders. De verliezen uit het verdwijnen van inkomsten op de elektriciteitsvoorziening werden in Brussel gecompenseerd door een wegennetretributie (zowel voor gas als voor elektriciteit) die een netto rendement oplevert van 30 miljoen €. De dividenden op gas en elektriciteit zijn geëvolueerd van 70 miljoen € per jaar in 2002 naar 55 miljoen € vanaf 2005, en naar 50 miljoen vanaf 2011. Interfin, het financieel vehikel waarmee de gemeenten participeren in Sibelga, betaalde de gemeenten in 2010 echter een uitzonderlijk dividend uit van 32 miljoen €, afkomstig van inkomsten uit een te hoge aangerekende kost voor energiedistributie aan de consumenten. De gemeenten hebben besloten om steeds meer inkomsten te onttrekken uit Sibelga. Terwijl de winst van het bedrijf voor 2012 nog steegt tot 87,3 miljoen € tegenover 66,5 miljoen in 2011, stegen de uitbetaalde winsten tot 79,6 miljoen € (waarvan 75% naar de gemeenten gaat, en 25% naar Electrabel).

De maatregelen die de federale overheid heeft genomen om de hoge prijzen van de energieleveranciers enigszins te temperen, kwamen veel te laat en zijn veel te beperkt. Bovendien had de CREG (Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas) reeds in haar rapport van januari 2012 aan de alarmbel getrokken, waarbij ze uitlegde dat de distributietarieven in België veel te hoog liggen in vergelijking met de ons omringende landen. Het klopt dat, op het geheel van de energiefactuur, het vooral de distributiekosten zijn die zijn toegenomen sinds 2008: ze vertegenwoordigen vandaag ongeveer 40% van de gas –en elektriciteitsfactuur, en kosten zo’n 600€ per jaar aan een gemiddeld gezin! Merkwaardig genoeg is de distributiekost in Brussel ook een stuk hoger dan in Vlaanderen en Wallonië, terwijl het grondgebied, en de dus ook de netkost, veel kleiner is.

Tussen 2008 en 2012 heeft de gemeente Sint-Gillis haar jaarlijkse inkomsten op het gebied van gas en elektriciteit zien stijgen van 2,6 miljoen € naar 5,3 miljoen €. Deze inkomstenverhogingen (wegennetretributie, openbare dienstverplichtingen, dividenden en “uitzonderlijke verkoop” van gemeentelijk patrimonium aan Sibelga in 2011), worden uiteraard verhaald op de gebruikers. Gemiddeld betekent dit 110€ per jaar per inwoner van Sint-Gillis aan verdoken belastingen. Dit bedrag komt ongeveer overeen met de kostprijs van de verliezen uit Dexia.

Dankzij de Gemeentelijke Holding hadden de Belgische gemeenten zo’n 14% van Dexia in handen. Met het faillissement van de bank, zijn de dividenden (nog 25 miljoen in 2008) ondertussen tot 0 herleid in 2009. Alle traditionele partijen hebben deelgenomen aan deze speculatieve orgie. De Raad van Bestuur van Dexia zat vol politici terwijl de bank verder de risico’s bleef maximaliseren om zo hoog mogelijke rendementen te behalen.

In 2008 werden de gemeenten gevraagd geld op tafel te leggen om de noodlijdende bank te redden. Sint-Gillis heeft haar participatie in het kapitaal van de bank verhoogd met 4 miljoen €. Samen met Sint-Gillis, verhoogden ook de gemeenten Anderlecht, Brussel-Stad, Elsene en Schaarbeek hun participatie. Later zouden Sint-Joost, Molenbeek, Etterbeek, Ukkel en Jette volgen. In zijn financieel verslag 2002-2011 schreef Picqué dan ook “dankzij de herkapitalisatie van de groep, hebben de gemeenten het verlies aan inkomsten samen weten te beperken tot 8 miljoen € per jaar”. Niet lang daarna gingen alle geïnvesteerde sommen verloren, omdat de herkapitalisatie de val niet kon tegenhouden. Het uiteindelijke jaarlijkse verlies komt neer op 2 miljoen € voor Sint-Gillis, en 4 miljoen € voor Elsene. De gemeenten gingen zelfs een lening aan bij Dexia om deze investering te doen! Zo betaalt Sint-Gillis nu jaarlijks, en tot in 2019, 500.000€ afbetalingen af voor de schuld die ze aanging bij de herkapitalisatie.

Nu ook beparingen via de gemeenten

Om te tekorten op de gemeentebegroting op te vangen, zijn verschillende besturen overgegaan tot besparingen op het lokale niveau. Ze doen dit onder meer door de verhoging van allerlei belastingen en taksen. Deze verhoging bedraagt zo’n 8,7% voor het volledige Brussels Hoofdstedelijk Gewest in vergelijking met 2012, en komt neer op zo’n 130€ per inwoner. Deze belastingen gaan vooral over bureau’s en hotelkamers, maar de sterkste stijging zien we in de domeinen mobiliteit en parkeerbeleid. Voor de begrotingen voor 2013 van de 19 Brusselse gemeenten rekende Belfius uit dat de inkomsten uit parkeren ongeveer 51 miljoen € bedragen, 9,2 miljoen € of 25% meer dan 3 jaar geleden. Deze inkomsten zullen nog verder stijgen vanaf 2014 met de invoering van het nieuw gewestelijk parkeerbeleid dat in voege treedt vanaf 1 januari. Deze hervorming loopt samen met de hervorming van het reglement rond de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS-boetes), een beslissing van de federale overheid. Hierdoor zullen meer ambtenaren overtredingen kunnen vaststellen en verhoogt de maximale boete tot 350€.

Voor de Belgische burgerij zijn de gewesten en gemeenschappen erg bruikbare instrumenten om verschillende besparingen door te voeren. De Belgische politieke kaste is expert in dit soort tactieken. Eén beleidsniveau wordt naar hun oordeel nog niet voldoende gebruikt om besparingen door te voeren: de gemeenten. Eén van de doelstellingen van de gewestelijke regering is de besparingen op openbare diensten te verspreiden, en deze diensten te gebruiken om de bevolking en de werkenden nog verder uit te melken.

Elsene heeft de aftrap gegeven in de grote besparingscompetitie 2013 met de begroting die ze in februari voorstelde. De nieuwe meerderheid (PS-MR-Spa) voorziet 18 maatregelen, waaronder het verminderen van het aantal gemeenteambtenaren (door één op drie vertrekkers niet te vervangen), sluiten van twee sociale resto’s, afschaffen van de helft van de subsidies aan verenigingen, sluiten van het gemeentelijk containerpark, verhoging van de kosten voor gemeentelijke voorzieningen met gemiddeld 15%, en bijkomende taksen. Zoals Picqué reeds deed in het Gewest, wil ook de gemeente Elsene de crisis laten betalen door het gemeentepersoneel en de inwoners.

De situatie in Sint-Gillis lijkt daartegen redelijk paradoxaal. Meer dan één jaar na de verkiezingen is de nieuwe meerderheid nog steeds niet met haar beleidsverklaring voor de dag gekomen. Terwijl de begroting voor 2013 in april door de gemeenteraad werd gestemd (met een tekort van 3 miljoen €), heeft de meerderheid haar verplichte driejarenplan voor het gewest nog niet voor de gemeenteraad gebracht, hoewel in dit plan de algemene orientatie van de gemeentelijke begroting voor de komende drie jaren moet bevatten. Sint-Gillis is de enige gemeente die dit alsnog niet deed, heeft dit iets te maken met de terugkeer van Charles Picqué als burgemeester?

Een Gewest gekenmerkt door tekorten en ongelijkheden, met dank aan Picqué

Toen hij het Gewest verliet, publiceerde de krant « Le Soir » een eerbetoon aan Picqué. De krant noemde hem de beste verdediger van de Brusselse belangen tegen Vlaanderen. Op die manier heeft de “uitvinder” van het Gewest tijdens de 6de staatshervorming een herfinanciering van 461 miljoen € verkregen. Zal de regering hiermee eindelijk kunnen voldoen aan de behoeften van de verschillende bevolkingsgroepen in Brussel?

Niets is minder zeker. In juli stelde de Brusselse regering de grote lijnen voor het gewestelijk budget voor 2014 voor. Op het menu: 120 miljoen euro besparingen of 4% van het budget. Die eerste besparingen o.l.v. Vervoort zijn een pak hoger dan die van 2013 (83 miljoen euro). De details van de budgetkortingen en de belastingsverhogingen zijn nog niet gekend, een conclaaf werd voorzien voor eind september. Het is zeer waarschijnlijk dat de traditionele salami opnieuw aan de beurt zal zijn voor het realiseren van de besparingen, waarbij eveneens gebruik zal gemaakt worden van het gemeentelijke niveau om het besparingsbeleid toe te passen.

De zesde staatshervorming voorziet parallel met de herfinanciering ook de transfer van een serie bevoegdheden op het vlak van arbeidsbeleid, gezondheidszorg, kinderbijslag,… naar de gewesten. Die nieuwe bevoegdheden maken bijna 25% uit van de volledige sociale zekerheid. Het is waarschijnlijk dat deze diensten even goed te maken zullen krijgen met onderfinanciering als de bevoegdheden die het Gewest vandaag al uitoefent. Bovendien dreigen die nieuwe thema’s de communautaire complicaties te intensifiëren, evenals het gebruik van de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Moet men de publieke administratie in Brussel versimpelen? Als een dergelijke vereenvoudiging er komt ten koste van de middelen, zal de situatie niet beter worden gezien de tekorten de conflicten en discriminaties doen toenemen. De enige echte oplossing is het aanpakken van de wortel van het probleem: de diensten en infrastructuur organiseren in functie van de behoeften eerder dan het gebruiken van de verschillende niveaus van de macht om de verschillende tekorten te beheren.

Het is nochtans deze laatste logica die achter de federale staatshervorming en achter de interne hervorming van het Gewest zit. In 2010 brachten Verdonck, Taymans en Ector, drie professoren van het regionale Brusselse studiecentrum van de universitaire faculteit van Saint-Louis een studie uit die een nood aan bijkomende financiering ter hoogte van 720 miljoen euro berekende, gebaseerd op de hogere kosten en de tekorten aan inkomsten die het gewest moet ondergaan in vergelijking met de andere gewesten. De som die door het institutionele akkoord wordt voorzien, bedraagt echter slechts 461 miljoen euro.

Volgens de studie is het verschil tussen die behoeften en de bekomen herfinanciering in de verschillende budgetten als volgt: 56 miljoen euro noodzakelijk voor veiligheidspolitiek tegenover 30 miljoen dat verkregen is; voor de kosten verbonden aan de tweetaligheid en de politieke administratieve structuren is er een behoefte van 89 miljoen tegenover 68 miljoen euro dat bekomen werd, waarvan 40 miljoen via de gemeenschapscommissies. Het gebrek aan inkomsten dat voortvloeit uit de afwezigheid van solidariteit vanwege het Brusselse hinterland wordt geschat op 430 miljoen euro, terwijl de nieuwe financieringswet maximum slechts 44 miljoen euro voorziet vanaf 2015 op basis van het belang van de pendelaars. De studie berekent een meerkost voor het OCMW ten gevolge van de aantrekkingskracht van de hoofdstad op achtergestelde bevolkingsgroepen op 89 miljoen euro, terwijl op dat vlak niets wordt voorzien.

Wat betreft de mobiliteit en de gemiste inkomsten die te wijten zijn aan fiscale vrijstellingen die de internationale instellingen en ambtenaren verkregen hebben, werden de nodige middelen door de studie berekend op respectievelijk 122 en 127 miljoen euro. Op deze vlakken dekt de herfinanciering de aangehaalde sommen. Maar we moeten begrijpen dat dit niet gaat over een studie die werd uitgevoerd door socialisten en gebaseerd is op de echte behoeften. Het gaat om een vergelijking van Brussel met de rest van het land (bij gelijk blijvende politiek) om op deze basis de nadelen van de oude en de nieuwe financierings wet voor het Brusselse Gewest te berekenen. Deze studie plaatst zich in het kader van een meer ‘evenwichtige’ herverdeling van de tekorten over het hele land en niet in het kader van een oplossing van de tekorten. De reële behoefte, vertrekkend van de verdediging van het recht op een degelijk leven voor iedereen, vereisen uiteraard veel meer middelen.

Het forfetaire karakter van de bijkomende dotaties riskeert op termijn een nieuwe onderhandeling noodzakelijk te maken indien de objectieve behoeften sustantieel toenemen ( wat het meest waarschijnlijke perspectief is). Bovendien kan de helft van de voorziene dotaties niet vrijelijk gebruikt worden, maar zijn ze voorzien voor specifieke materies (“geen blanco cheque”, zoals de Vlaamse partijen zeiden). Het gebrek aan financiering om de gemiste inkomsten voor het Gewest, verbonden aan het feit dat de mensen die in Brussel werken hun belastingen in een andere regio betalen, en de meerkost die te wijten is aan de sterke aantrekkingskracht van de hoofdstad voor armere bevolkingsgroepen te compenseren, zal de Brusselse regering nog meer in haar logica dwingen om rijkere lagen aan te trekken en armere bevolkingslagen weg te drukken.

In Brussel heeft de Belgische burgerij kunnen rekenen op een zoveelste institutionele loodgieter in haar dienst. Recent verklaarde Picqué nog: “we hebben niet kunnen anticiperen op de demografische boom, het is een factor waarop we geen greep hebben”. Indien de demografische groei naar voor komt als hét probleem van Brussel die de tekorten veroorzaakt, is het omdat de demografische groei de gevolgen in de verf zet van decennia van onderinvestering in de collectieve diensten en infracstructuur, gevolg van de neoliberale politiek van de regeringen onder Picqué. Om het hoofd te bieden aan deze tekorten wisselen de ‘oplossingen’ tussen tijdelijke knutselplannen, verhoogde taksen, boetes. In alle gevallen is het de Brusselse bevolking en de arbeidsklasse die de kosten ervan draagt. Die twintig jaar van regeringen onder Picqué illustreren uiteindelijk zeer goed het proces van verburgelijking van de sociaaldemocratie.

Tegelijkertijd heeft de olijfboomregering toegestaan dat de bevoorrechte banden tussen de vakbondsleiding en de traditionele regeringspartijen volop konden spelen, om op die manier een veralgemeende beweging te vermijden ondanks de druk aan de basis. De retoriek van de syndicale leiders, die er een was om iedere eis te verbinden aan het verwerven van een herfinanciering van het gewest, is een uitdrukking geweest van deze banden. Zoals dat werd uitgelegd in het kader van de arbeidsomstandigheden van de regionale en lokale ambtenaren, was deze retoriek zeer geliefd terwijl vandaag blijkt dat de herfinanciering niet wordt gebruikt om de verworvenheden te verbeteren, noch om de tendens tegen te gaan van de toename van de tekorten. Het breken van de banden met de traditionele partijen en een nieuwe massapartij die de belangen van de arbeiders verdedigt, is noodzakelijk.

De toenemende ongelijkheid die voortvloeit uit de tekorten wordt geilustreerd door de evolutie van de inkomsten van de 10% rijksten in Brussel tegenover de evolutie van de inkomsten van de 10% armsten, en dat tussen 1985 en 2007. Terwijl de inkomsten van de 10% rijksten verdubbeld zijn 1985, zijn de inkomsten voor de 10% armsten gehalveerd. Deze grafiek houdt niet eens rekening met de crisis en de effecten ervan in de laatste 5 jaar. Deze “sociale breuklijn” is een illustratie van het resultaat van 20 jaar regeringen o.l.v. Picqué.

Conclusie

Zoals de recente massabewegingen in Turkijen rond het Taksimplein en in Brazilië tijdens de FIFA Confederations Cup hebben geïllustreerd, kan een stadspolitiek die prestige voor een minderheid combineert met tekorten voor een meerderheid het effect hebben van een vonk die de woede doet ontbranden en het startpunt vormt van het in vraag stellen van het hele systeem. Het type van strijd zoals dat van de gemeentelijke arbeiders in Ath en recenter nog in Sint-Niklaas, die de steun van de bevolking hebben gemobiliseerd tegen het afstoten van vuilnisophaling, kan zich op termijn ook in de Brusselse gemeente ontwikkelen.

De arbeiders van Net Brussel of zij van de Horta-site hebben al aangetoont dat ze in actie kunnen gaan. De gemeentelijke arbeiders in Sint-Gillis hebben hun acties in de gemeente heropgestart, zoals met ket piket op 14 november vorig jaar. Ze legden toen uit dat ze opnieuw willen aansluiten bij de meerstrijdbare syndicale tradities. Met LSP en de campagne ‘Herover onze Gemeente’willen we de syndicalisten en de inwoners van Brussel begeleiden in dit proces op die plaatsen waar we over een inplanting beschikken.

Het vertrekpunt voor de begrotingen moet de noden van de bevolking zijn en niet te beperkte opgelegde middelen. De rijkdom bestaat immers in de samenleving, het moet gezocht worden daar waar het zich bevindt, zowel op het gemeentelijke als op het gewestelijke niveau. Een radicaal plan van massale openbare investeringen is noodzakelijk om op massale schaal sociale woningen, scholen, creches, openbaar vervoer, kwaliteitsvolle verzorgsinstellingen, degelijke jobs en koopkracht te creëren.

Dit maakt het noodzakelijk een deficitair budget op te stellen. Een socialistische meerderheid zou in dat geval een massale campagne voeren in de gemeente of de stad, samen met de lokale en regionale ambtenaren, om een breed mobilisatieplan op te stellen die de nodige maatregelen ondersteunt en een dergelijk budget oplegt. Dat zou een front openen tegen de besparingsregering Di Rupo en zijn opvolger zoals het voorbeeld van de socialistische meerderheid en de inwoners van Liverpool in de jaren ’80 met hun strijd tegen Thatcher hebben aangetoond.

Dat radicale plan kan niet beperkt worden tot het gemeentelijke of gewestelijke niveau, maar moet verbonden worden aan de kwijtschelding van de schuld en aan de nationalisatie onder democratische arbeidscontrole van de banken, de energiesector en de andere sleutelsectoren van de economie en aan socialistische transformatie van de samenleving.

Leave a Reply