Home / Belgische politiek / Lokaal - Brussel / Focus op Brussel (2). Structureel gebrek aan werk, met alle gevolgen van dien

Focus op Brussel (2). Structureel gebrek aan werk, met alle gevolgen van dien

De werkloosheid scheert hoge toppen in Brussel. Een vijfde van de Brusselaars zit zonder werk, bijna een derde van de jongeren is werkloos. Het zijn Zuid-Europese cijfers waar de autoriteiten geen enkel antwoord op hebben. De armoede en onzekerheid nemen toe, het enige ‘antwoord’ van het establishment hierop bestaat uit repressie en sancties. Deel twee van ons dossier over Brussel.

Een structureel gebrek aan werkgelegenheid

In juli bedroeg de werkloosheidsgraad 20,4% in het ganse gewest. Deze bleef de laatste twee jaar stabiel, net zoals de jongerenwerkloosheidsgraad van 31,2%. Dat de werkloosheidsgraad nu stabiliseert nadat ze door de crisis een aantal jaren gestegen was, toont aan dat er een catastrofaal gebrek is aan werk en dat elk nieuw jobverlies de structurele werkloosheid – die al enorm was – enkel nog verder consolideert. Toen Picqué in 1989 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de macht kwam, bedroeg de werkloosheidsgraad “nog maar” 12,4%.

De massale werkloosheid in Brussel bestaat vooral uit niet- of laaggeschoolde arbeiders, waar onder vooral jongeren. Dat is het onvermijdelijke gevolg van de desindustrialisering, waarbij het jobverlies niet werd opgevangen door een andere sector. Het idee dat de horeca en handel dit tekort zouden kunnen opvangen, is een illusie die elke dag duidelijker wordt. Het aantal faillissementen in België heeft dit jaar een record bereikt met 2.011 in de eerste 9 maanden, 29% méér dan in 2012. In Brussel is de stijging het hoogst van alle gewesten. De horeca, de bouw en de kleinhandel zijn de zwaarst getroffen sectoren. In deze sectoren zijn dus niet voldoende jobs voorhanden en onder andere de arbeidsvoorwaarden zijn er precairder op geworden.

Er is dus een onevenwicht tussen de laaggeschoolde arbeidskrachten en de werkgelegenheid in Brussel want de zowat 714.000 jobs in de regio situeren zich voornamelijk in de diensten, de openbare diensten en de financiële vastgoedsector. Jobs waarvoor met andere woorden een diploma hoger onderwijs of meertaligheid vereist is. Bijgevolg klopt het argument niet dat de zowat 350.000 pendelaars de jobs van Brusselaars innemen: de kern van het probleem is het kolossaal gebrek aan werk.

Het idee om het vertrek van 1 op 3 ambtenaren niet te compenseren, spreidt zich uit naar alle machtsniveaus. Zo gebeurt het op het federaal niveau, in de gemeenschappen en gewesten en nu ook in sommige gemeenten zoals Elsene. De politiek om openbare jobs op te offeren zal niet enkel een aanzienlijk effect hebben op de arbeiders tewerkgesteld in de sector – aangezien er al een veralgemeend tekort aan personeel is, maar ook op alle Brusselse werklozen die hun toekomstperspectieven nog meer ingeperkt zien worden.

De sector van de lokale en regionale besturen in Brussel telde in 2010 48.966 agenten voor 42.227 VTE’s (voltijdse equivalenten). Vandaag zijn nog slechts 40% van de agenten vastbenoemd, tegenover 58% in 1995. Het overwicht aan contractuelen is heel duidelijk bij het personeel van de gemeenten en OCMW’s, de grootste werkgever van Brussel met meer dan 27.000 arbeiders. Bij de OCMW’s gaat het over bijna 80%. Dat wordt gestimuleerd door de politiek van het gewest die de subsidies voor de gesco’s (gesubsidieerde contractuelen) aangenomen door de gemeenten tot 25 miljoen per jaar beperkt. De politiezones zijn de uitzondering met bijna 95% vastbenoemden. Tegen het protest van de arbeiders van lokale en regionale besturen tegen de lage lonen argumenteerden de vakbondsleiding en de regering Picqué dat ze moesten wachten op de herfinanciering van Brussel voor een opwaardering van de lonen. Sindsdien werd er enkel nog meer bespaard waardoor er jobs verloren gingen en het statuut en de arbeidsvoorwaarden nog verder degradeerden.

De gemiddelde jaarlijkse groei van de uitgaven voor personeel per inwoner in de gemeenten bedroeg in de laatste legislatuur 1,8% en zat daarmee dus onder de gemiddelde inflatie van 2,4% in diezelfde periode. Van 2005 tot 2011 steeg het aantal VTE’s van 14.577,33 naar 15.056,34, wat absoluut niet beantwoordt aan de groeiende behoefte door de demografische groei. Zo feliciteerde Picqué de gemeenten met het feit dat ze “de werkloosheid goed beheerd hadden”! Sint-Gillis is ook de enige gemeente die al vóór de verkiezingen van 2012 begonnen was met beduidende besparingen, waarbij het aantal jobs daalde van 675 VTE’s in 2009 naar 647 in 2011. In het Brussels Gewest zijn 69% van de gemeentelijke arbeiders in het gewest zelf gedomicilieerd en in Sint-Gillis loopt dat aantal zelfs op tot 77%. Slechts 29% van hen zijn vastbenoemd (en in Sint-Gillis amper 17%).

Wat te doen met al die werkloosheid?

Volgens het Brussels ministerie van werk werkten in maart 2013 ongeveer 50.000 Brusselaars in Vlaanderen. Dat is een groei van 10% in 2 jaar en 43% in 10 jaar tijd. Deze verhoging betreft vooral jobs in de industriële sector in de omgeving van Brussel. Dat is een gevolg van de grotere controle op Brusselse werkzoekenden en de samenwerking tussen Actiris en de VDAB met de bedoeling om de flexibiliteit tussen de regio’s te verhogen voor de werklozen, meer bepaald door te investeren in talencursussen bij de VDAB. In 2012 heeft Actiris 7.143 taalcheques gefinancierd, dat is een verhoging met 50% ten opzichte van 2011 (4.651 cheques waarvan 58,5% voor Nederlands, 35,1% voor Engels, 6,1% voor Frans en 0,3% voor Duits). Ten opzichte van 2010 is het aantal taalcheques zelfs gestegen met 139%. In 2010 had volgens de Brusselse regering slechts 8% van de Brusselse werkzoekenden een goede kennis van een andere landstaal.

Het is een illusie te denken dat alle Brusselse arbeiders zonder werk een job zouden vinden in de Vlaamse rand. De samenwerking tussen de tewerkstellingsdiensten van de verschillende regio’s creëert geen enkele nieuwe job. Bovendien betekenen dergelijke jobs vervoer op kosten van de arbeiders en een minimale kennis van het Nederlands. In realiteit heeft deze strategie dus vooral als doel om meer druk te zetten op werkzoekenden, in het kader van de jacht op werkozen en het sanctiebeleid.

De huidige baas van Actiris, Grégor Chapelle (PS), aarzelt niet om aan te geven welke rol hij de Brusselse tewerkstellingsdienst wil geven. In een onderhoud in het dagblad ‘L’Echo’ zegt hij: “De propagandaboodschap is duidelijk: Actiris moet in dezelfde mate ten dienste staan van werkzoekenden als van werkgevers. En bovenal moeten de banden met de werkgevers verbeteren.” Gevraagd naar de aanzienlijke werkloosheidsgraad van ongeveer 20% in Brussel antwoordt de baas van Actiris dat dit een vals probleem is: “die 20% is een politieke werkloosheidsgraad, in werkelijkheid bedraagt de werkloosheidsgraad slechts 11% in het Hoofdstedelijk Gewest, wat het gemiddelde is in alle Europese grootsteden.”

Toen Rudy Vervoort voorzitter werd van de Brusselse regering zwoer hij nochtans – tegen zijn voorganger – dat met zijn aantreden alle prioriteit zou gaan naar het geven van jobs aan jongeren. Om deze communicatiecampagne kracht bij te zetten, lanceerde hij de formule “30 maatregelen, 10 miljoen euro, 4.000 jobs.” Uit de uitvoering blijkt meteen dat dit mooipraterij was: 100 gesco’s in de crèches, 4.350 stageplaatsen, volgens de behoeften van het patronaat. Met andere woorden: voor de jongerenwerkgelegenheid in Brussel doet Vervoort niets anders dan fiscale cadeaus geven aan bedrijven, zoals hij geleerd heeft van de regeringen Picqué.

Deze misselijkmakende verdoezelingen van de cijfers en deze politiek van fiscale cadeaus illustreren dat de massale werkloosheid door de traditionele politici aanzien wordt als een structureel onoplosbaar fenomeen in Brussel. Het gaat daarom niet over het aanpakken van de werkloosheid, maar om de werklozen nog efficiënter in te zetten als reserveleger voor de bedrijven door middel van sancties, zodat Brussel de 5de meest aantrekkelijke regio in Europa blijft voor investeerders.

Jongeren zonder toekomstperspectief

Deze precaire jobsituatie heeft zware gevolgen voor de levensomstandigheden van jongeren. In de wijken van de arme Brusselse halve maan bedraagt de jongerenwerkloosheid minstens 45%. In Kuregem en Molenbeek loopt dit zelfs op tot meer dan 50%. Zwart werk en precaire jobs (interims, tijdelijke jobs, dienstencheques, gesco’s,…) zijn het enige perspectief voor jongeren, waardoor het natuurlijk moeilijk is om zich klaar te stomen over de toekomst.

De afgelopen twee jaar is de situatie nog verergerd met de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en de beperking van de wachtvergoeding, waardoor armoede en sociale uitsluiting nog verder toegenomen zijn. Volgens het ABVV zijn er ongeveer 30.000 gerechtigden voor een wachtvergoeding die vanaf januari 2015 zonder boe of ba zullen uitgesloten worden. Op termijn riskeren hierdoor alleen al in Brussel meer dan 50.000 mensen en hun families in armoede en sociale uitsluiting terecht te komen.

In Spanje zijn ‘los ninis’ jongeren van 15 tot 29 jaar die geen werk hebben en geen toegang tot een beroepsopleiding of de school hebben verlaten. Ze zijn met 24% van de 15- tot 29-jarigen in Spanje en met 13,9% in België. Dit cijfer is ongetwijfeld nog veel hoger in de arme halve maan van Brussel. Volgens de OESO zijn deze ‘ninis’ een reflectie van de economische neergang van de maatschappij. Het enige dat in verband met de toekomst van jongeren in arme wijken onder traditionele politici nog bediscussieerd wordt, is welk soort repressie het beste is om een schijn van sociale controle te bewaren.

Repressie en sancties als enige antwoord op de afbrokkeling van het sociale weefsel

In Brussel, waar de meeste betogingen over de meest uiteenlopende zaken plaatsvinden, was er de laatste jaren veel repressie en politiegeweld. Zo was de wijk Matonge in de zomer van 2012 herhaaldelijk het toonbeeld van echt racistische geweldpleging van het repressief apparaat ten opzichte van de Afrikaanse gemeenschap tijdens hun betogingen. Iets sporadischer werden ook linkse militanten bij verschillende gelegenheden zwaar aangepakt, zoals de jonge Ricardo tijdens een steunfestival voor mensen zonder papieren in Steenokkerzeel.

In die context zijn de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) een gedroomd instrument van de traditionele partijen en hun repressief apparaat. De willekeurigheid van deze sancties laat een ‘à la carte-‘gebruik toe, zowel voor inbreuken als voor absurde fait-divers zoals de persoon in Schaarbeek die een pot bloemen had buiten gezet voor zijn huis, en zeker voor betogingen en protestacties, zoals die aan het ‘banket der rijken’ in oktober 2012.

De gemeenten Elsene en Brussel zijn de lansbrekers van deze politiek. Freddy Thielemans (PS) heeft een rendabel systeem opgezet. In de nieuwe gemeentelijke legislatuur werd 1 miljoen euro voorzien voor het verhogen van agenten die GAS-boetes kunnen uitdelen, met 3 miljoen euro als beoogde opbrengst. Zo wordt in de nieuwe begroting een onderscheid gemaakt tussen ‘boetes voor inbreuken’ en ‘belastingen op inbreuken’ (die verantwoordelijke uitgevers moeten betalen als ze gaan wildplakken). Elk van die posten moet jaarlijks 500.000 euro opbrengen voor de gemeente. Een zelfde politiek geldt in Elsene: honderden GAS-boetes werden uitgedeeld tijdens ‘operatie kaakslag’: de meerderheid voor het weggooien van sigarettenpeuken, maar ook voor het uitlaten van de hond zonder een leiband of voor te luide muziek in de auto.

In mei 2013 deed de minister voor gelijke kansen Joëlle Milquet (CDH) een wetsvoorstel om de GAS-boetes te gebruiken tegen seksistisch gedrag op straat, om deze plaag te bestrijden. Dit wetsvoorstel was nog een echo van de reporage ‘Femme de la rue’ die de problematiek van groeiend seksisme in een heel aantal arme wijken in Brussel aankaartte. Gaat Milquet dan ook iets doen aan de multinationals die met hun reclame vrouwen als objecten voorstellen op elke hoek van de straat? Gaat zij het gat vullen tussen het loon van mannen en dat van vrouwen? Gaat ze iets doen aan de precaire sociale situatie die de basis vormt voor deze discriminaties? Nee! Deze wet is enkel pure hypocrisie die dient om het ‘pro-vrouwen’-imago van Milquet in stand te houden, terwijl verschillende maatregelen van haar regering juist vrouwen bijzonder hard treffen. De werkloosheidsuiterkeringen dalen het sterkst bij ‘samenwonende’ werklozen (vooral vrouwen en jongeren die nog bij hun ouders zonen), waardoor deze werklozen helemaal afhankelijk worden. Tegelijkertijd legt ze de verantwoordelijkheid voor het seksisme dat inherent is aan het kapitalisme bij mannen als individu en ontkent ze elke band met het systeem dat ze verdedigt.

Als links er echter niet in slaagt om vooruit te gaan en een alternatief naar voor te schuiven, dan kunnen extreemrechtse groupuscules zich sterker profileren (zoals Nation, het FN,…). Door ‘oplossingen’ naar voor te brengen die niet ingaan tegen de fundamenten van het kapitalistische systeem en tegen de verantwoordelijken voor de crisis, moeten ze de aandacht afleiden naar thema’s als de criminaliteit. Het resultaat van Nation bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Evere (4,47%) en Vorst (1,24%) en de ervaring van andere landen zoals Griekenland toont dat het gevaar van extreemrechts ernstig moet genomen worden, zeker in een periode van crisis zoals we die vandaag kennen.

Armoede en sociale uitsluiting als gevolg van de kapitalistische crisis veroorzaken een verhoogde vervreemding onder een laag van de bevolking. Dat is de voedingsbodem voor criminaliteit, spanningen en discriminatie. De heersende klassen gebruiken de reactionnaire krachten in de samenleving (racisten, religieuze fundamentalisten,…) in deze context om de aandacht af te leiden van de echte onderliggende problemen. Alles wordt eraan gedaan om de minste feiten of acties van rechtse, islamitische, hysterische groupuscules à la Sharia4belgium te gebruiken om er een hele gemeenschap mee te stigmatiseren.

Een continue ontwikkeling van precariteit en armoede

In mei 2013 telden de OCMW’s in heel België om en bij de 150.000 mensen die hulp van hen ontvangen, wat een record is. In Brussel gaat het over 32.000 mensen, 5% van de 18- tot 64-jarigen en 14% meer dan in 2008. Dat is 3 keer meer dan in de rest van het land en in de arme halve maan is het zelfs 5 keer meer. De samenstelling van mensen die bij het OCMW komen aankoppen, verandert en toont de precaire situatie van de samenleving: meer en meer zijn jongeren betrokken (een derde van degenen die een “leefloon” krijgen, is jonger dan 25 jaar) en vrouwen vormen de meerderheid, vooral alleenstaande moeders.

Terwijl de sociale behoeften bij de OCMW’s stijgen, keurde de federale regering tijdens de begrotingsaanpassing in februari 2013 een besparing op de uitgaven voor de OCMW’s goed van 37,4 miljoen euro. De gemeenten, die het tekort in het budget van hun OCMW moeten bijpassen, worden zo geconfronteerd met een meerkost die direct op hen afkomt. Bovendien constateert de openbare dienst voor sociale integratie ook een kloof tussen rijke en arme gemeenten die de afgelopen 10 jaar nog dieper geworden is. In de gemeenten met een hoog doorsnee inkomen is het aantal OCMW-steuntrekkers van 7,8 naar 5,5 gegaan, terwijl dat in de gemeenten met een laag doorsnee inkomen van 19,7 naar 29,6 gegaan is. In Brussel betekent dit alles een vergroting van het begrotingstekort en tekorten voor de gemeenten in de stadskern, waar de arme wijken geconcentreerd zijn.

Volgens het Brussels forum voor de strijd tegen de armoede zouden er in 2013 ongeveer 1900 ‘aftelbare’ daklozen zijn (volgens verschillende hulporganisaties gaat het zelfs over 2500, waarvan er 500 bijkwamen tijdens het laatste jaar), waarvan ongeveer 40% vrouwen, een proportie die nog toeneemt. Bij Samu Social verdrievoudigde hun aantal tussen 2002 en 2011, van 300 naar 1000. In 1999 vertegenwoordigde de vrouwen nog maar 1% van de daklozen bij Samu Social. In de opvanghuizen zijn 96% van de eenoudergezinnen gescheiden moeders. Deze groeiende aanwezigheid van vrouwen onder de daklozen, net als bij het OCMW, is een reflectie van de precarisatie van de levensomstandigheden van vrouwen in de samenleving en het is een direct gevolg van politieke besparingen op infrastructuur en collectieve diensten.

Leave a Reply