Home / Recensies/Cultuur / Tegen Van Reybrouck

Tegen Van Reybrouck

Met de titel ‘Tegen verkiezingen’ zoekt David Van Reybrouck bewust de controverse op. Het boek zelf is geen pleidooi tegen verkiezingen, maar voor institutionele aanpassingen als antwoord op de ondermijning van het vertrouwen in de huidige gang van zaken. Het ‘democratische vermoeidheidssyndroom’ wil de auteur oplossen met het invoeren van loting. Van Reybrouck brengt interessante vaststellingen maar dringt niet door tot de kern van het probleem waardoor hij al evenmin oplossingen aanbiedt.

Geert Cool

Neen, wij zijn niet tegen David Van Reybrouck. Maar net zoals zijn boek ‘Tegen verkiezingen’ vooral wijst op de zwakheden in ons huidige democratische bestel, willen we hier vooral wijzen op enkele fundamentele zwakheden in het voor het overige interessante betoog van Van Reybrouck. De kritiek die hij op Occupy brengt, gaat ook voor dit boek zelf op: “Occupy toonde meer de malaise dan een remedie. De diagnose van de representatieve democratie klopte, maar het alternatief was te zwak.”

Met het uitgangspunt zijn we het eens: er is een afkalving van het draagvlak van het huidige systeem. Er is steeds minder enthousiasme voor alle gevestigde instellingen. Het aantal leden van politieke partijen neemt af, in ons land van 9% van de bevolking in 1980 tot 5,5% vandaag. Het aantal mensen dat niet gaat stemmen neemt ook bij ons toe en dat ondanks de kiesplicht. De resultaten zijn minder voorspelbaar, de volatiliteit neemt sterk toe. Bovendien heerst de ‘waan van de dag’. “Het onvermogen om structurele problemen aan te pakken gaat gepaard met een overbelichting van het triviale, aangewakkerd door een dolgedraaid mediabestel dat, de marktlogica getrouw, het opkloppen van futiele conflicten belangrijker is gaan achten dat het inzicht bieden in reële problemen.”

De vraag is van waar de ondermijning van het vertrouwen in het systeem komt. Van Reybrouck brengt enkele terechte kritieken op mogelijke antwoorden, maar hij slaagt er niet in om de vinger op de wonde te leggen. De vraag of het gebrek aan vertrouwen niet bij het gevoerde beleid moet gezocht worden, komt niet aan bod. Neen, aan de neoliberale uitgangsprincipes van het beleid dat politici van diverse pluimage voeren, wordt niet geraakt. De kritiek van Van Reybrouck op pakweg de technocratische regimes van onverkozen bestuurders in onder meer Italië onder Monti of in China, beperkt zich tot de vraag van de legitimiteit. Met de kritiek op diegenen die directe democratie als alternatief zien, komt Van Reybrouck nog het dichtst in de buurt van een omvattende kritiek. Hij stelt dat een beweging als Occupy te veel is blijven steken in “de cultus van de participatie” met de horizontale cultuur als hoogste stadium van de strijd. Hoe deze beperkingen konden overkomen worden, wordt niet uitgeklaard.

Voor Van Reybrouck ligt de kern van het probleem bij het electoraal fundamentalisme dat vandaag dominant is. Aangewakkerd door de commerciële media en de diverse partijbelangen tegen de achtergrond van een volatiel kiespubliek, krijgen we een permanente verkiezingskoorts die het stelsel ondermijnt. “De efficiëntie lijdt onder de electorale calculus, de legitimiteit onder de permanente profileringsdrang. Door het electorale stelsel moeten de lange termijn en het algemeen belang keer op keer het onderspit delven tegenover de korte termijn en het partijbelang.” Daar tegenover plaatst hij dan maar de cultus van de loting met deze methode als hoogste stadium van de strijd. Ons kan het alvast niet overtuigen.

In het hoofdstuk over de diagnoses van het ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ verwijst Van Reybrouck naar Lenin die in Staat en Revolutie kritiek gaf op het parlementaire stelsel. Lenin schreef in dat boek: “Een keer in de zoveel jaren beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement onder de duim zal houden en onderdrukken — daarin bestaat het wezen van het burgerlijke parlementarisme, niet alleen in de parlementair-constitutionele monarchieën, maar ook in de meest democratische republieken.”

We moeten effectief nadenken over alternatieven op het parlementarisme, marxisten wijzen daarbij op de ervaring van de Commune van Parijs met het “het veranderen van de vertegenwoordigende lichamen van kletscolleges in ‘werkende’ lichamen. ‘De Commune moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’.” (Staat en Revolutie). Bij de Commune van Parijs werd persoonlijk gewin aan de kant geschoven door politici te laten leven aan een gemiddeld loon van geschoolde arbeiders. Vertegenwoordigers waren permanent afzetbaar door diegenen die hen verkozen hadden. De wetgevende macht moest haar verantwoordelijkheid nemen en de besluiten zelf uitvoeren.

Marxisten zien de staat en de instellingen van de staat niet los van het systeem waar ze deel van uitmaken. In onze strijd voor het behoud en uitbreiding van democratische rechten (denk maar aan het recht op protest dat vandaag steeds meer onder GAS-druk staat), botsen we op een tendens van toenemende repressie die in verschillende door crisis getroffen landen aanwezig is. Dat zit ingebakken in het systeem. Onze strijd voor meer democratische rechten kan niet los gezien worden van de strijd voor een socialistisch alternatief op het kapitalisme met zijn private eigendom van de productiemiddelen.

Het alternatief van de ‘deliberatieve democratie’ weegt bijzonder licht. Het is een uitdrukking van een bestaande malaise en het invraagstellen van de gevestigde orde. Maar zal die malaise echt verdwijnen indien we enkele mensen uitloten om zich te verdiepen in alle actuele dossiers om van daaruit beleidsvoorstellen te doen? Neem dat deze deliberatieve democratie voorstelt om de banken aan banden te leggen teneinde de alles verschroeiende speculatie te kortwieken. Over welke maatschappelijke kracht beschikken onze lotelingen dan om effectief tegen de macht van de bankiers in te gaan?

De idee die aan de basis van loting ligt – het betrekken van een grotere groep van de bevolking en van ‘gewone’ mensen – zijn wij uiteraard genegen. Maar de uitbouw van een alternatief vereist de opbouw van een kracht die in staat is om dat alternatief op te leggen en zelf te organiseren. Het vereist een massale betrokkenheid in strijdbewegingen waarbij doorheen deze bewegingen instrumenten van democratische betrokkenheid, controle en coördinatie van essentieel belang zijn. Het betekent dat we onze toekomst en alle hefbomen ertoe in eigen handen nemen. Wat kan er democratischer zijn dan dat?

Leave a Reply