Bolivië: arbeiders in verzet tegen privatiseringen en imperialisme

In Bolivië wordt strijd gevoerd tegen het neoliberaal beleid van de regering die gesteund wordt door het Westers imperialisme. De voorbije vijf jaar werd reeds een president omvergeworpen en werd de privatisering van het water tegengehouden. De huidige president, Carlos Mesa, werd nu onder druk van de massale beweging tot ontslag gedwongen. De massale beweging eist de nationalisatie van de gasindustrie.

Dave Carr

Bolivië kent een diepe politieke crisis. President Carlos Mesa lag daarbij zwaar onder vuur en in een wanhoopspoging om het verzet van de arbeiders en boeren te stoppen, kondigde hij verkiezingen aan voor 16 oktober. Het parlement dat daarbij moet worden verkozen, zou een nieuwe grondwet schrijven.

Daarmee wilde de president tegemoet komen aan de inheemse bevolking, die 62% van de bevolking uitmaakt en meer rechten eist. Samen met de verkiezingen zou een referendum plaatsvinden over de eis (van een deel van de kapitalisten) voor meer autonomie van de regio’s waar veel grondstoffen worden ontgonnen. Dit heeft de acties echter niet gestopt. De betogers bleven zich verzetten tegen het referendum en eisen bovendien de nationalisatie van de gasindustrie.

De opstand van de arme massa’s richt zich tegen het neoliberaal beleid van de huidige president en zijn voorgangers. In oktober 2003 werd president Gonzalo Sanchez de Lozada omvergeworpen door een massabeweging. De president moest toen vluchten naar Florida na een algemene staking van de vakbondsfederatie COB. Lozada wou gas exporteren naar de VS om de belangen te dien van multinationals en de imperialistische grootmacht. Vice-president Carlos Mesa werd na het ontslag van Lozada aangesteld als president en beloofde een referendum over de olie- en gasindustrie. Hij beloofde ook dat er een grondwettelijke vergadering zou komen om de grondwet te herschrijven.

Op 2 maart 2005 was er een algemene staking in El Alto (een erg arme industriële voorstad van La Paz waar zo’n 1 miljoen inwoners wonen) als protest tegen de privatisering van het water. Het parlement moest het contract met het Franse bedrijf Suez Lyonnaise des Eaux intrekken.

Suez was de hoofdverantwoordelijke voor een gefaalde privatisering waarbij 200.000 mensen niet langer toegang hadden tot water, terwijl anderszijds het bedrijf zelf een garantie had gekregen voor een terugbetaling van haar investeringen. Duizenden mensen waren niet in staat om de aansluitingskosten ten bedrage van 435 dollar (zowat acht gemiddelde maandlonen in Bolivië) te betalen.

Een gelijkaardige strijd in Cochabamba in 2000 leidde tot een overwinning. Het Amerikaanse bedrijf Bechtel (dat momenteel winstgevende contracten heeft lopen voor de heropbouw van Irak), werd toen de deur gewezen. Bechtelt eiste toen voor een rechtbank 25 miljoen dollar van de overheid voor het opzeggen van het contract.

Met de recente stakingen en straatacties in de hoofdstad La Paz werd de nationalisatie van de erg winstgevende gasindustrie geëist. President Mesa verdedigde de belangen van de multinationals. Zo stelde hij dat de recente parlementsbeslissing om de belastingen voor de energiesector te verhogen, de ondernemers teveel zou afstraffen. Mesa sprak zich uiteraard ook uit tegen nationalisatie.

De omvang en de diepgang van de massabeweging neemt revolutionaire proporties aan. De regering en de heersende klasse hebben de controle over het land herhaaldelijk verloren, en zijn niet in staat om de massa’s te stoppen. Toen Mesa in maart 2005 reeds dreigde met ontslag, klaagde hij erover dat er tijdens de 18 maanden dat hij toen president was geweest reeds 820 nationale protestacties waren tegen hem.

De leiding van de oppositiepartij MAS en de vakbond COB is echter niet bereid om op te komen voor een maatschappijverandering. Zij zijn nog vastgebonden aan het kapitalisme. Sinds 2000 hebben massale bewegingen in Ecuador, Argentinië en Bolivië neoliberale presidenten verjaagd. Radicale populisten zoals Chavez in Venezuela, treden meer op de voorgrond en winnen verkiezingen.

Jammer genoeg wordt daarbij niet gebroken met het kapitalisme. Er is nood aan een massale socialistische en revolutionaire partij om de strijd tot een conclusie te brengen, met name de afschaffing van het kapitalisme en haar vervanging door een socialistisch systeem waar de productie democratisch wordt georganiseerd naargelang de behoeften van de bevolking en niet de winst. Enkel dan kan een einde gemaakt worden aan armoede, geweld en onderdrukking.

Bolivië wordt net zoals andere Latijns-Amerikaanse landen brutaal uitgebuit door het imperialisme en haar lokale marionetten. Het hoofd van Repsol/YPF (het grootste oliebedrijf van Spanje dat grote belangen heeft in Latijns-Amerika) gaf eerder dit jaar toe dat "de olie- en gasindustrie enorm winstgevend is in Bolivië: voor iedere geïnvesteerde dollar, krijgen de bedrijven er 10 terug."

De olie- en gasbedrijven maken ieder jaar 1,4 miljard dollar winst, maar de Boliviaanse overheid krijgt slechts 75 miljoen dollar binnen via belastingen. Ondanks de lage exploitatiekosten, zijn de benzineprijzen in het land bovendien hoger dan het internationaal gemiddelde. Ondanks de enorme gasvoorraden (waarvan de waarde op meer dan 100 miljard dollar wordt geschat), blijft Bolivië het tweede armste land van Latijns-Amerika na Haïti. 5,6 miljoen Bolivianen – op een bevolking van 8 miljoen – leven in armoede. 3 miljoen van hen hebben geen toegang tot elektriciteit en drinkbaar water.

Delen: Printen: