Uitkeringen en pensioenen onder vuur!

Sociale Zekerheid: een historische verworvenheid die verdedigd moet worden

Zestig jaar geleden, in een bezet België, onderhandelden patronaat en vakbonden over een "Voorstel tot Akkoord over Sociale Solidariteit". Hiermee werd de basis gelegd voor de huidige sociale zekerheid. Voor de burgerij ging het erom haar positie als heersende klasse te behouden, op een moment dat het stalinisme een grote aantrekkingskracht uitoefende op de arbeidersklasse. Dit was een gevolg van de rol die de communistische partijen speelden in het verzet en het prestige van de Sovjetunie. Sinds de crisis van de jaren 1970 heeft de burgerij echter zonder ophouden geprobeerd om de sociale zekerheid te ontmantelen, om zo haar winsten veilig te stellen.

Thierry Pierret

Voor de Tweede Wereldoorlog kende België slechts een zeer embryonale sociale zekerheid. De arbeiders creëerden in de 19e eeuw de eerste ziekenbonden om zich te wapenen tegen de risico’s van het bestaan. De miserie was zo erg dat dood het eerste risico was dat werd gedekt. Na een leven dat nauwelijks menswaardig te noemen was, hielden de arbeiders eraan om een begrafenis en een graf te krijgen dat die naam waardig was. Vervolgens probeerden de ziekenbonden de risico’s verbonden met arbeidsongevallen, beroepsziekten en ouderdom onder handen te nemen. De kwestie van ouderdom was schrijnend: de arbeiders hadden niet de middelen om hun bejaarde ouders te onderhouden. Duizenden ziekenbonden, gedeeltelijk gesubsidieerd door de overheid, zagen het daglicht om aan deze wansituatie te verhelpen.

In 1913 telde België 5000 ziekenbonden met ongeveer 500.000 leden en 200 pensioenkassen met 300.000 leden. Een aantal van deze verenigingen telde slechts enkele tientallen leden. Dit maakte het onmogelijk om de risico’s over een brede basis te spreiden. Als we dan bedenken dat de bijdragen zeer laag waren, kan je begrijpen dat de geboden bescherming zeer wisselvallig was. In ieder geval ruim onvoldoende om aan de noden te beantwoorden.

Het Sociaal Pact van 1944

Het Project tot Akkoord over de Sociale Solidariteit – kortom het Sociaal Pact – zou in wet worden gegoten door de besluitwet van 28 december 1944. Het installeert een systeem dat gebaseerd is op 4 pijlers: ouderdom (pensioenen), ziekte/invaliditeit, werkloosheid en kinderbijslag. Het systeem is gebaseerd op de drievoudige bijdragen van patroons, arbeiders en de overheid aan het Riziv, dat de verschillende takken van de sociale zekerheid financiert.

Deze "drievoudige" bijdrage is uiteraard boerenbedrog. In feite is het verschil tussen patronale bijdragen (die rechtstreeks aan het Riziv worden gestort) en de bijdragen van de arbeiders (afgenomen van het brutoloon) puur technisch. In realiteit is het geld dat de patroons rechtstreeks aan het Riziv storten een onderdeel van het loon, aangezien het essentieel dient om de vervangingsbijdragen te financieren (pensioenen, ziekte/invaliditeit, werkloosheid,…). Het is niets anders dan een uitgesteld loon, waarde die de arbeiders zelf hebben voort gebracht.

De uitzonderlijk lange periode van economische groei die volgde op het einde van de Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat dit model van klassensamenwerking tot midden jaren ’70 kon functioneren. Op dat moment maakte de dalende tendens van de winstvoet – er is steeds meer kapitaal nodig voor eenzelfde winstniveau – het voortbestaan van het bestaande systeem onmogelijk voor de patroons. De patroons moesten absoluut de winstvoeten herstellen door de aanval in te zetten op de levensstandaard van de arbeiders. Het patronaat en de opeenvolgende regeringen proberen zonder ophouden het aandeel van de lonen in het BBP te beperken. Dit gebeurt door de reële koopkracht van de lonen en de sociale uitkeringen naar beneden te drijven.

De val van het stalinisme in 1989 opende de weg voor een ideologisch offensief van de burgerij tegen de sociale verworvenheden. Het zette de deur verder open voor de omvorming van de sociaal-democratische partijen in burgerlijke partijen. Sindsdien is het offensief van de burgerij tegen de sociale zekerheid niet langer enkel kwantitatief (het verlagen van de uitkeringen in reële termen en de schorsing van een deel van de rechthebbenden), maar ook kwalitatief. Doel daarbij is het systeem van de sociale zekerheid zoals het werd opgezet in 1944 te ontmantelen.

De actieve Welvaartstaat

De filosofie waarop de sociale zekerheid bij haar stichting rustte, was het idee van sociale verzekering. De arbeiders verzekeren zich tegen de risico’s van het bestaan en dragen bij in de perioden dat ze actief zijn. Ze hebben dus recht op sociale zekerheid vanaf het moment dat ze bijgedragen hebben. Dit principe werd steeds meer op de helling gezet. Burgerlijke regeringen begonnen met het uitsluiten van het recht op uitkeringen van verschillende groepen rechthebbenden.

Het is vooral de werkloosheidsverzekering die het mikpunt is van aanvallen tijdens de laatste 2 decennia, een periode gekenmerkt door massale, structurele werkloosheid. Artikel 80 werd ingevoerd. Dit liet toe om samenwonende werklozen (vooral vrouwen) te schorsen wegens "abnormaal lange werkloosheid". Hiermee werd een eerste slag toegebracht aan het onbeperkte recht op werkloosheidsuitkeringen. Tienduizenden werkloze vrouwen werden geschorst.

Gezinshoofden worden echter ook niet gespaard. Werklozen moeten elke geschikte job aannemen die hen wordt voorgesteld. Maar het begrip "geschikte job" zal steeds ruimer worden geïnterpreteerd. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal werklozen gedwongen wordt om een job aan te nemen die ver onder hun kwalificaties ligt, of in een veraf gelegen regio.

Het recht op uitkeringen wordt voorwaardelijk: men moet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Toen er nog geen massale werkloosheid bestond, was die voorwaarde vervuld zolang de werkloze geen geschikte job weigerde. Nu moet de werkloze vorming en opleidingen volgen, of actief naar werk zoeken en daar de bewijzen van voorleggen.

Het PWA-systeem – dat werklozen verplichtte om kleine klusjes te aanvaarden, gedeeltelijk gesubsidieerd door de overheid – installeerde een fundamentele wijziging in de filosofie van het systeem. Die verandering werd voortgezet met de hervorming van de wet op het bestaansminimum (bij het OCMW). Hoewel het bestaansminimum geen onderdeel uitmaakt van de sociale zekerheid, blijft deze hervorming niet zonder gevolgen voor haar functioneren. Een hoop geschorste arbeiders komt terecht bij het OCMW, dat hen een bestaansminimum toekent om te overleven. Vandaag moeten die arbeiders werken om het recht te behouden op het "leefloon", dat het vroegere bestaansminimum vervangt.

De onderliggende filosofie van de hervormingen is "de activering van de werkloosheidsuitkeringen". Je hebt niet langer recht op een werkloosheidsuitkering als je bijgedragen hebt. Je moet je uitkering "verdienen" door het aanvaarden van een onderbetaalde bijverdienste.

De werkloosheidsuitkeringen worden op die manier een middel om de lonen voor een hele reeks klusjes te laten betalen door de gemeenschap. Voor de burgerij is dit een prachtig instrument om de arbeidsmarkt naar haar hand te zetten: het zet een enorme druk op de lonen en arbeidsomstandigheden van het geheel van de loontrekkenden. Dit is de "actieve welvaartstaat". Tegelijk is het het handelsmerk van de sociaal-democratie, die zich heeft hervormd tot het belangrijkste politieke instrument van de burgerij.

Het offensief op de pensioenen

Na de werkloosheidsuitkeringen is het nu het pensioenstelsel dat in de vuurlijn ligt. De regering, de media en de burgerlijke economisten zijn eensgezind in hun waarschuwing tegen het "grijze gevaar". Het jaar 2010 word met bijna-messiaanse accenten aangekondigd als een rampjaar. Op dat moment zullen de naoorlogse generaties zich aandienen voor hun pensioen, wat de financiering van de pensioenen in gevaar zou brengen.

Vanaf dan begint een periode met een omgekeerde bevolkingspiramide. Die zou duren tot 2050, wanneer er tweemaal zoveel 60-plussers zouden zijn tegenover de actieven. Op dit moment zijn er half zoveel 60-plussers als actieven. Het gaat er hier niet om deze evolutie in vraag te stellen, maar wel de conclusies die eruit worden getrokken.

De huidige financiering van de pensioenen is gebaseerd op het principe van repartitie. De beroepsactieve generaties dragen bij om het pensioen te betalen van de gepensioneerden. De regering wil ons doen geloven dat de vergrijzing van de bevolking dat systeem onhoudbaar maakt, omdat er steeds minder actieven zouden zijn voor een groeiend aantal gepensioneerden.

De patroons willen ons een kapitalisatiesysteem als alternatief aansmeren. Hierin zouden de arbeiders niet bijdragen voor de vorige generaties arbeiders, maar voor zichzelf. Private pensioenfondsen verzamelen de bijdragen om te investeren in aandelen of obligaties. Ze verkopen die – met winst – voor de arbeider als hij/zij op pensioenleeftijd komt.

Het probleem is echter, zoals Gilbert De Swert aantoont in zijn boek "50 grijze leugens", dat het argument van de vergrijzing ook in het nadeel speelt van een kapitalisatiestelsel. Er zouden immers steeds minder potentiële kopers van de aandelen en de obligaties zijn, gezien de volgende generatie minder talrijk zal zijn dan de vorige. De zwakte van de vraag zal de waarde ervan doen dalen, wat meteen ook de arbeiders berooft van een degelijk pensioen. Bovendien stelt een kapitalisatiesysteem de arbeiders bloot aan beurscrisissen, die leiden tot het niet-realiseren van de verwachte winsten. Het "gevaar van de vergrijzing" is, gemanipuleerd door de patroons en de regering, een ideologische campagne die de privatisering van de pensioenen dient.

De vergrijzing van de bevolking is een feit en de demografische projecties op langere termijn zijn spectaculair. Maar de auteurs van de talloze studies rond vergrijzing "vergeten" om dezelfde projectie te doen voor de verlaging van de patronale bijdragen. Die samengetelde bedragen komen vandaag op 5 miljard euro per jaar uit… Reken maar eens na wat de sociale zekerheid aan inkomsten is verloren de laatste 25 jaar. Hetzelfde gaat op voor de jaarlijkse verhoging van de productiviteit. Als die gemiddeld toeneemt met 1,3% per jaar, zullen de toekomstige generaties meer rijkdom produceren dan de huidige en dat ondanks de vergrijzing.

Het huidige offensief van de burgerij wil een einde maken aan alles wat werd toegestaan in een periode waarin de krachtsverhoudingen gunstiger waren voor de arbeiders, zowel op economisch, ideologisch als politiek vlak. Vandaar het idee van een "alternatieve financiering". Die zou zogezegd niet meer wegen op de (bruto)lonen. Het laat echter vooral toe om het systeem van solidariteit onder de arbeiders af te breken tot een "opvangnet voor wie het echt nodig heeft". De sociale zekerheid zal de komende jaren de inzet zijn van enorme gevechten tussen de burgerij en de arbeidersbeweging.

Delen: Printen: