De grote onderwijshervorming moest het orgelpunt worden voor het beleid van onderwijsminister Pascal Smet (SP.a), maar het draaide uit op een valse noot. De hervorming zal later vooral herinnerd worden als de oorzaak van de grootste ruzie die deze Vlaamse regering ooit meemaakte. Door het gekibbel verdween het debat over de inhoud van de hervorming naar de achtergrond. Er kwam geen antwoord op de belangrijkste vraag die vele leerkrachten, leerlingen en ouders zich stellen: “Hervormen: wie gaat dat betalen?”

Artikel door een militant van ACOD-onderwijs

Van uitstel naar afstel?

Op minder dan één jaar van de “moeder der verkiezingen” bleken de spanningen tussen de coalitiepartners zo hoog opgelopen te zijn dat de Vlaamse regering uiteindelijk niet anders kon dan de onderwijshervorming door te schuiven naar de volgende regeerperiode. De principes over de hervorming werden in algemene termen vastgelegd, maar een volgende regering moet over de uitvoering beslissen. “De kiezer zal haar stem kunnen uitbrengen over de hervorming,” klonk het.

De keuze is echter beperkter dan de gevestigde partijen laten uitschijnen. Hoezeer de regeringspartijen ook overhoop mochten liggen over de plannen van Pascal Smet, over één zaak waren ze het eens: een fundamentele verhoging van de publieke middelen voor onderwijs om de hervorming goed te laten verlopen, is uitgesloten. De groots opgezette onderwijshervorming moet zonder extra middelen gebeuren.

Op zich bevatten de hervormingsplannen interessante ideeën: een brede eerste graad zonder opdeling in verschillende onderwijstypes, de grenzen tussen ASO, TSO, BSO en KSO verkleinen,… Leerlingen moeten een “bredere” opleiding kunnen krijgen, en niet op jonge leeftijd voor een definitieve keuze worden geplaatst tussen “verder studeren” of “een vak leren”. Op zich zijn dit nobele doelstellingen. De belangrijkste vraag is echter: welke middelen worden voorzien om een dergelijke hervorming goed te laten verlopen?

Schrik in de leraarskamer

Op een moment dat de discussie binnen de Vlaamse regering muurvast zat, verklaarde de topvrouw van het Katholiek Onderwijs in Vlaanderen, Mieke Van Hecke, dat de tegenstand van N-VA “de schrik in de leraarskamer voor hervormingen” vertegenwoordigde. De uitspraak was weinig respectvol voor al die leerkrachten die zich dagelijks met hart en ziel inzetten om hun leerlingen degelijk onderwijs te bieden, maar terecht vrezen dat de nieuwe hervormingen zonder bijkomende middelen opnieuw op de rug van het onderwijspersoneel zullen terechtkomen.

De voorbije jaren zagen leerkrachten hun werklast voortdurend toenemen onder druk van een niet aflatende reeks van hervormingen zonder extra middelen en begeleiding om alles goed te laten verlopen. En als er dan al eens ondersteuning werd voorzien (zoals het Steunpunt GOK bij de hervorming rond Gelijke OnderwijsKansen), werd deze bij de eerste de beste besparing opnieuw geschrapt en mochten leerkrachten het opnieuw zelf uitzoeken.

Daar ligt de “vrees van de leraarskamer”: hoe kan men een brede eerste graad organiseren als er niet genoeg leerkrachten zijn om in te staan voor een degelijke begeleiding van leerlingen die minder sterk staan in bepaalde vakken of domeinen? Hoe moeten scholen “verbreden” als er geen middelen zijn voor aanpassingen aan gebouwen, ateliers, klassen? Hoe moet de kwaliteit van het onderwijs worden gegarandeerd als leerkrachten met een veel grotere en meer diverse groep leerlingen te maken krijgen, als er geen begeleiding is, geen extra onderwijzend en administratief personeel? Veel leerkrachten vrezen dat ook deze hervorming opnieuw meer administratieve lasten bij het onderwijzend personeel zal leggen, zonder bijkomende ondersteuning en begeleiding.

Welk onderwijs willen we?

Het is ook belangrijk te stellen dat de discussie over welk soort onderwijs we wensen niet los staat van ontwikkelingen in de rest van de maatschappij. Het Vlaamse onderwijs is al sinds jaar en dag ondergefinancierd. Er zijn tekorten bij het aantal leerkrachten en scholen, schoolgebouwen die verouderd zijn, gebrek aan administratieve ondersteuning en algemene werkingsmiddelen. Jarenlange besparingen en onderindexeringen hebben geleid tot een situatie waarbij in Vlaanderen in 2009 slechts 4,49% van het BRP aan onderwijs werd besteed, een enorme daling tegenover de 7% uit de vroege jaren ’80.

We kunnen ons ook vragen stellen bij de nauwe betrokkenheid van de bedrijfssector bij de huidige hervormingsplannen. Zijn bedrijven geïnteresseerd om leerlingen een brede, algemene opleiding te geven waarin hun zelfontwikkeling centraal staat? Of willen ze dat het onderwijs gewoon kant en klare arbeidskrachten levert? Bovendien staat de publieke financiering van het onderwijs onder het kapitalisme, en zeker in tijden van crisis, voortdurend onder druk. De keuze van welk onderwijssysteem we willen, wordt ook bepaald door de keuze van welke maatschappij we willen…

Socialisten komen op voor een maatschappij waarin rijkdommen democratisch worden beheerd en ingezet worden ten dienste van hele bevolking. Kennis en technologie worden gebruikt om de arbeidstijd te verkorten en te vergemakkelijken. Het onderwijs kan dan rekenen op voldoende middelen om haar rol ten volle kunnen spelen: het vormen van de toekomstige generaties tot mondige en kritische mensen, eerder dan kant-en-klare arbeidskrachten voor de arbeidsmarkt. Het onderwijs moet zorgen voor een zo breed mogelijke vorming waarbij jongeren al hun talenten ten volle kunnen ontwikkelen.

Lees ook: