Strijd rond pensioenen in Europa. Neoliberale regeringen spelen met vuurwerk

De strijd voor de afbraak van onze pensioenen wordt door de patroons en de regeringen internationaal gevoerd. De redenen zijn gelijklopend. De EU-regeringen die geen tekort op hun begroting tellen, zijn op een hand te tellen. Met een verouderende bevolking, en belabberde economische groei, vrezen ze dat hun schuldenbergen de komende jaren zullen vergroten door stijgende pensioenuitgaven. Tegelijk hopen de patroons door lagere pensioenbijdragen hun winsten op te trekken. Via een meer geprivatiseerd stelsel willen ze geld vrijmaken om op de beurzen te gaan gokken. Geld moet niet in de koffers van een regering liggen. Het moet nieuw geld opbrengen door riskante speculatie.

Peter Delsing

Bovenal is de internationale aanval op de pensioenen ingegeven door de veranderde krachtsverhoudingen tussen arbeiders en patroons na de val van het stalinisme. Het neoliberale offensief kwam de laatste 15 jaar in een versnelling, waarbij de patroons zich inbeeldden dat ze al onze rechten voor de bijl kunnen laten gaan om hun zakken te spijzen. Nochtans tonen een aantal Europese voorbeelden aan dat rond de pensioenen de gevoeligheid extreem hoog is. Het thema kan algemene bewegingen van de arbeidersklasse op de agenda zetten. In Oostenrijk was de afbraak van de pensioenen de kwestie waarrond de grootste algemene staking in 50 jaar losbarstte, in mei 2003. Dit na decennia van geïsoleerde, vrij sporadische strijd.

Italië

In 1994 viel de eerste regering-Berlusconi over haar poging om de pensioenen aan te pakken. Een massale staking en betogingen waren voldoende om coalitie-partner Lega Nord tot een opbreken van de regering te drijven. Haar achterban kon de hervorming niet verteren. De beweging tegen Berlusconi bracht de zogenaamd “linkse” Olijfboomcoalitie aan de macht. De regering-Dini voerde echter in 1995 zelf een achteruitgang van de pensioenen door. Voor jonge arbeiders zou het latere pensioen niet meer worden berekend op basis van het (hogere) loon tijdens de laatste jaren, maar op basis van de bijdragen tijdens de hele loopbaan. Arbeiders die al langer bijdroegen, konden nog wel rekenen op het oudere systeem. Beschamend genoeg werd deze verdeel-en-heersstrategie gedekt door de 3 grote vakbondsfederaties.

De patroons onderschreven de Dini-regeling niet. Ze vonden dat die niet ver genoeg ging. Door de antisociale politiek van de Olijfboomcoalitie kreeg Berlusconi opnieuw de kans om de macht te grijpen. Geconfronteerd met pensioenuitgaven die bijna 15 percent van het BBP uitmaken en oplopende schulden, kwam Berlusconi in september 2003 met een nieuw bezuinigingsplan naar voor. Hij wou de Italiaanse arbeiders 40 jaar laten bijdragen voor een volwaardig pensioen, in de plaats van 35, vanaf 2008. De gemiddelde pensioenleeftijd van 57 jaar moest zo stelselmatig worden opgetrokken, tot 65 jaar voor mannen en 60 voor vrouwen. Berlusconi wou op termijn 12,5 miljard euro per jaar besparen, of 1 percent van het BBP (vanaf 2012). Een zuivere besparingsmaatregel, dus. De voorzitter van de grote vakbond CGIL, Epifani, dreigde toen al met een algemene staking. De dag na de aankondiging van het plan werd Italië getroffen door talloze spontane stakingen.

Op 24 oktober 2003 organiseerden de 3 grote vakbonden – CGIL, CISL en UIL – een massieve algemene staking van 4 uur, waaraan 10 miljoen arbeiders deelnamen. 1,5 miljoen Italianen kwamen op straat in meer dan 100 betogingen. Merkwaardig genoeg stelde CGIL-leider Epifani in Bologna dat dit geen “politieke staking” was. Hij stelde ook dat de val van de regering-Berlusconi in 1994 een gevolg was van de positie van de Lega Nord, en niet van de protesten tegen de pensioenhervorming. Deze speech onderstreepte het gebrek aan een politiek alternatief van de vakbondsleiders. In Rome sprak de leider van de belangrijkste oppositiepartij, het ex-communistische Democratisch Links, de betoging toe. Jammer genoeg probeerde ook Bertinotti, van de grote linkse partij Refundazione Comunista, in de protesten aan te leunen bij de gediskrediteerde partijen van de Olijfboomcoalitie. Een volledig onafhankelijke positie tegenover de gewezen “linkervleugel” van het burgerlijke beleid was nodig. Anders kon – en kan – de PRC het vertrouwen van de arbeiders niet winnen.

Op zaterdag 6 december 2003 hielden de vakbonden een betoging van 1,5 miljoen mensen in Rome tegen de pensioenplannen van Berlusconi. Onder de noemer “Verdedig je toekomst”. “De tegenhervormingen zullen niet passeren!”, zei Angeletti, leider van de UIL. Op 26 maart 2004 werd een tweede algemene staking rond de pensioenen georganiseerd. Opnieuw demonstreren meer dan een miljoen vakbondsmilitanten. Een actieplan om Berlusconi definitief weg te staken blijft echter achterwege. Dit liet de regering toe om in de zomer van 2004, in juli, het parlement de voorstellen te laten stemmen. Zij het onder verbaal protest van de vakbondsleiding.

Frankrijk

Ook in Frankrijk waren er massieve protesten tegen de aanvallen op de pensioenen. Op 13 mei 2003 bracht een staking bij de openbare diensten, ondersteund door sommige secties uit de privésector, bijna 2 miljoen betogers op straat in 115 steden. De beweging tegen de pensioenhervorming van Raffarin toonde zijn potentieel om verschillende bewegingen een te maken. Raffarin wilde de bijdragen van personeel van de openbare diensten voor een volwaardig pensioen optrekken tot 40 jaar – in plaats van 37,5 – tegen 2008. Tegen 2020 moesten dat 42 jaar van bijdragen worden. Op 19 mei 2003 gingen opnieuw 700.000 arbeiders de straat op. De grootste vakbond CFDT en de CGC tekenden echter een akkoord met de rechtse regering, waardoor die legaal verder kon met haar voorstellen. Dit leidde tot protest aan de basis en bij verschillende regionale leidingen van de CFDT. De interne democratie werd gehekeld, sommigen eisten het ontslag van de voorzitter. Twee andere vakbonden – de CGT en FO – organiseerden een nieuwe betoging in Parijs tegen de pensioenplannen op 25 mei 2003, met opnieuw 1,5 miljoen deelnemers. Volgens een peiling van Le Parisien steunde 65 percent van de Fransen de betogingen.

De roep om een algemene staking klonk steeds luider. Thibault, leider van de CGT, had echter schrik om de controle over de basis te verliezen. Hij verklaarde zich tegen een algemene staking, omdat dat “de CGT voor jaren zou verzwakken”. FO-leider Blondel stelde ook eerst tegen een algemene staking te zijn – omdat dat “opstandig” zou zijn en de kwestie van “een politiek alternatief” zou stellen. Vervolgens was hij wel gewonnen voor de idee, maar “wilde het vakbondsfront niet breken”… Nochtans waren het de algemene stakingen in de openbare diensten in 1995 die de pensioenplannen van Juppé naar de prullenmand hadden verwezen, en later tot de val van de regering leidden. Die stap wensten de Franse vakbondsleiders niet te zetten. Op 24 juli 2003 werd de pensioenwet in het parlement gestemd.

Conclusie

De bewegingen rond de pensioenhervormingen kunnen naar een massale, eengemaakte strijd leiden over de verschillende sectoren heen. Ze hebben duidelijk ook de sympathie van de massa van de arbeidersklasse en kunnen – zoals in Frankrijk en Italië – regeringen doen vallen. De reformistische vakbondsleiders zijn echter een rem op de beweging. Aan de basis zouden stakingscomités moeten worden verkozen om democratisch over de doelstellingen van de staking te beslissen. Ze zouden zich regionaal en nationaal over de verschillende sectoren moeten aaneensluiten in een zo efficiënt mogelijke kracht. Dit om de vakbonden te democratiseren en een uitverkoop door de leiding te verhinderen. Op politiek vlak moet worden gebroken met de “progressieve” partijen die een neoliberale politiek voorstaan. De kwestie van een nieuwe arbeiderspartij als verlengstuk voor de strijd en de nood van een arbeidersregering, gebaseerd op de massa’s, vloeien voort uit de situatie.

De rol van een strijdbare linkerzijde binnen de vakbonden is fundamenteel. In Engeland waren onze kameraden in verschillende vakbonden cruciaal om de idee van een algemene staking tegen de pensioenplannen van Blair naar voor te schuiven. Dit was bijvoorbeeld het geval voor de PCS, de ambtenarenvakbond waar verschillende van onze leden in het uitvoerend bestuur werden verkozen. Geconfronteerd met de dreiging van een staking van de openbare diensten vlak voor de parlementsverkiezingen in mei, sloeg Blair in paniek en blies hij – tijdelijk alvast – de aftocht. “Een geweldige nederlaag”, aldus de spreekbuizen van het kapitaal. We moeten ons organiseren om ook in België de aanvallen van de bazen en de regering af te slaan.

Delen: Printen: