Italië: openlijk conflict in rechtse regering

De rechtse regering onder leiding van Berlusconi komt onder zware druk te staan na de verkiezingsnederlaag van rechts bij de recente locale verkiezingen. Berlusconi diende het ontslag van zijn regering in bij president Ciampi, waardoor de tegenstellingen in de regering bijzonder scherp gesteld werden.

Robert Bechert

Na de belangrijke verkiezingsnederlaag bij de recente regionale verkiezingen, kwamen de tegenstellingen in de rechtse coalitie sterker tot uiting. In zes van de acht regio’s verloor rechts haar controle, waardoor de centrum-linkse ‘Union’ de overwinning kon behalen in 11 van de 13 regio’s waar er verkiezingen plaatsvonden. Bij de verkiezingen voor de regionale presidenten, zag de heersende coalitie haar stemmenaantal dalen van 50,3% in 2000 tot 44,1%, terwijl centrum-links steeg van 43,2% tot 53%. De partij van Berlusconi, Forza Italia, deed het bijzonder slecht met een daling van 29,4% in de algemene verkiezingen van 2001 tot 18,6%. Bij een verkiezing in Basilicata later in april, versterkte centrum-links haar meerderheid waardoor het nu aan de macht is in 16 van de 20 regio’s in het land.

Er waren verschillende oproepen om de verkiezingen die voorzien waren voor mei 2006 te vervroegen, zeker nadat de kleinere Unie van Christen Democraten (UDC) en de nog kleinere Nieuwe Socialistische Partij (Nuovo PSI) de regeringscoalitie verlieten. Aangezien het duidelijk is dat de coalitie van Berlusconi de komende verkiezingen wel eens zou kunnen verliezen, wil de UDC zichzelf voorbereiden om eventueel van kamp te veranderen en nauwer aan te leunen bij ‘centrum-links’.

De redenen voor de snelle afname van de steun voor de regering zijn te zoeken bij het falen om tegemoet te komen aan de beloftes om 1,5 miljoen jobs te creëren op 5 jaar tijd en om de belastingen “voor iedereen” te verlagen. Er is een groeiende oppositie tegen het binnenlandse beleid van Berlusconi en tegen het feit dat hij zijn positie gebruikt om de eigen enorme rijkdom te verdedigen en te vergroten.

Oorlog en economie

De oppositie tegen Berlusconi komt er niet enkel door het binnenlands beleid. De regering negeerde de enorme oppositie tegen de oorlog in Irak en stuurde Italiaanse troepen om deel te nemen aan de oorlog en de bezetting. De enorme tegenkantingen in Italië tegen een deelname aan de oorlog werden nog versterkt door het neerschieten van een Italiaanse geheime agent, Nicola Calipari, toen die een bevrijde Italiaanse gijzelaar begeleidde naar de luchthaven van Bagdad.

De Italiaanse economie is er erg aan toe. In 2002 en 2003 was er min of meer een stagnatie met een respectieve groei van 0,4% en 0,3%. Vorig jaar was er slechts een groei van 1%. Volgens de Centrale Bank is de internationale competiviteit van Italië de afgelopen vijf jaar met een kwart gedaald en is het handelstekort gestegen. Het aandeel van Italië in de wereldhandel staat momenteel op 2,9% in vergelijking met 4,5% tien jaar geleden. Het lidmaatschap van de eurozone maakt bovendien dat het land niet langer kan terugvallen op een devaluatie om de exporten te stimuleren en de import te beperken.

In het laatste kwartaal van 2004 daalde het BNP op jaarvlak met 1,7% terwijl de verkoop in januari 2005 3,1% lager lag dan een jaar ervoor. Tegelijk staat de regering onder druk van de EU en de Europese Centrale Bank omdat het overheidstekort dit jaar wellicht 3,6% van het BNP zal bedragen en in 2006 mogelijks zelfs 4,6% zal zijn. Dat is ver boven de 3%-grens die bepaald is in de eurozone. Italië kent momenteel de derde grootste overheidsschuld op wereldvlak, na Japan en de VS, maar heeft een veel kleinere economie dan die twee landen.

De invoering van de euro in Italië ging gepaard met een sterke stijging van de prijzen. Dit versterkte de tegenstand tegen de regering, zeker nu de positie van veel Italianen in een scherpe tegenstelling staat met de enorme rijkdom van de rijkste Italiaan, premier Berlusconi. Die had vorig jaar een persoonlijk inkomen van 12.762.000 euro, veel meer dan gelijk welk parlementslid.

Een nederlaag bij de komende verkiezingen zou voor Berlusconi niet enkel een verkiezingsnederlaag betekenen, maar ook de mogelijkheid van nieuwe rechtzaken aangezien hij zijn immuniteit als premier zou verliezen.

In een wanhopige poging om een verkiezingsnederlaag af te wenden, voerde Berlusconi nog snel een belastingsverlaging ter waarde van 12 miljard euro door. Belangrijke delen van de heersende klasse zijn echter tegen dit beleid en zien Berlusconi meer en meer als een avonturier. President Ciampi waarschuwde Berlusconi reeds om geen ‘risico’s’ te nemen met de overheidsfinancies. Een econoom stelde: “De bevolking heeft de regering duidelijk gemaakt dat het niet tevreden is met het beleid. De regering moet daar een antwoord op bieden. De traditionele wijze daarvoor is om hen meer geld te geven, en dat wordt ook door Berlusconi gezien als de sleutel tot succes.”

Belangrijke delen van de heersende klasse zijn ontgoocheld dat Berlusconi niet in staat was om meer contra-hervormingen door te voeren. Los van de retoriek, heeft de regering het erg moeilijk gehad om haar anti-arbeidersprogramma op te leggen. Massale acties, zoals de algemene 8-urenstaking op 16 april 2003 waarbij 13 miljoen arbeiders het werk neerlegden en 3 miljoen van hen betoogden, betekenden een enorm rem op de aanvallen van de regering.

Het is nu duidelijk dat delen van de heersende klasse uitkijken naar een nieuwe centrum-linkse regering geleid door Romani Prodi, de voormalige voorzitter van de Europese Commissie, die tussen 1996 en 1998 de centrum-linkse premier van het land was. Montezemolo, de voorzitter van Confindustria (de patroonsfederatie), heeft al opgeroepen voor vervroegde verkiezingen. Hij hoopt uiteraard dat centrum-links efficiënter zal zijn bij het doorvoeren van een neo-liberaal beleid.

De leiding van de UDC, tot nu toe een partner in de regering van Berlusconi, lijkt zich te willen richten op een alliantie met de centrum-linkse Union. Die coalitie had voorheen de naam ‘Grote Democratische Alliantie’ en bestaat vooral uit openlijk kapitalistische partijen en politici zoals Prodi, Democratisch Links (Ds, een deel van de vroegere communistische partij Pci), kleinere partijen zoals de Groenen en de Italiaanse communisten (Pdci), maar ook de Rifondazione Comunista (Prc).

Reeds in mei 2001 waren er Italiaanse kapitalisten die niet tevreden waren met de verkiezingsoverwinning van Berlusconi. Ze wilden centrum-links, toen nog onder de naam ‘Olfijboomcoalitie’, in de regering zodat deze coalitie de neo-liberale maatregelen verder zou doorvoeren en tegelijk de oppositie van de arbeidersbeweging zou beperken op basis van de steun voor de DS, een voormalige arbeiderspartij die een belangrijke plaats innam in de regering.

Prc biedt geen consequente oppositie

Zoals we reeds stelden na de verkiezingen van 2001, kon Berlusconi enkel de verkiezingen winnen op basis van een enorme ontgoocheling in het beleid van de centrum-linkse regering en het falen van de Prc om een consequente oppositie te vormen tegen het neo-liberale beleid. Het stemmenaantal voor Forza Italia van Berlusconi nam toe in 2001, maar het totaal aantal stemmen voor de rechtse coalitie daalde. Rechts won evenwel omdat centrum-links nog meer stemmen verloor.

In 2001 schreven we dat de overwinning van Berlusconi opnieuw de vraag stelde naar het antwoord van de Prc. Bij de vorige regering van Berlusconi in 1994 slaagde die partij er in om een enorme steun te verwerven waarbij haar stemmenaantal op een jaar tijd steeg van 6% tot 8,4%. Maar de steun is verwaterd door de inconsistente houding tegenover de regering van de Olfijboomcoalitie. Er kwam opnieuw druk op de Prc om centrum-links te steunen, maar dat is een belangrijke fout.

In 2001 schreven we ook: “Het is mogelijk dat er tijdelijke en beperkte akkoorden gesloten worden tegen de alliantie van Berlusconi, maar het essentieel voor de toekomst van de Prc dat het ten alle tijde een volledig politiek onafhankelijke positie inneemt tegenover het kapitalistische beleid van de Olfijboom. Het was uiteindelijk de ervaring van de Olijfboomregeringen die de deur open gezet hebben voor de overwinning van Berlusconi. Enkel een strijdbaar beleid kan de Prc ertoe in staat stellen om effectief het marxisme opnieuw als massakracht in Italië naar voor te brengen.”

Jammer genoeg heeft de Prc-leiding de afgelopen vier jaar geen dergelijke koers gevaren. Integendeel, de ervaring van de centrum-linkse regeringen in het land werd genegeerd en ook de geschiedenis van de eigen partij werd genegeerd. Na de verkiezingen van 1996 steunde de Prc de centrum-linkse regering en het kapitalistische beleid van die regering. Dat had catastrofale gevolgen voor zowel de arbeidersklasse als de partij zelf.

Zoals we schreven in 2001: “Tijdens de eerste 18 maanden van de eerste Olijfboomregering, liet de Prc-leiding in de praktijk toe dat een aanval werd ingezet op de arbeidersklasse. Op 25 september 1997 schreef het Prc-blad Liberazione: ‘We hebben voor besparingen gestemd voor een bedrag van 100.000 miljard lire’ (zo’n 60 miljard dollar).

“Dit beleid leidt tot groeiende spanningen binnen de Prc. In oktober 1997 trok de Prc haar steun aan de regering terug toen voor de begroting van 1998 een besparing van 2,98 miljard dollar werd voorgesteld. Binnen de week echter maakten de Prc-leiders een bocht en verklaarden ze de regering te steunen aangezien deze de besparingen beperkte tot 2,66 miljard dollar en een aantal beperkte toegevingen deed. Dit betekende dat de Prc de regering bleef steunen en aanzien werd als medeverantwoordelijk voor het anti-arbeidersbeleid.”

“Tegen de discussie over de begroting voor het jaar daarop was de druk dermate toegenomen dat de partij haar steun aan de regering introk. Deze keer kwam de Prc niet terug op haar standpunt. Dit leidde tot een regeringscrisis waarbij de rechterzijde van de Prc, onder leiding van de partijstichter Cossutta afsplitste en een eigen partij vormden (de Italiaanse communisten, Pdci) die aansluiting zocht bij de nieuwe Olijfboomregering onder leiding van de nieuwe premier, Pds-leider D’Alema.”

“Zelfs na de verkiezingen van 1998 had de Prc geen consistent socialistisch beleid. Samen met de polarisatie bij de verkiezingen, zorgde dit ervoor dat haar stemmenaantal daalde van 3.213.748 in 1996 tot 1.868.113 – een achteruitgang die niet louter kon verklaard worden door de 619.912 stemmen voor de Pdci."

De afwezigheid van een socialistisch programma en de groeiende samenwerking met centrum-links, is de afgelopen periode nog verscherpt. Er is ongetwijfeld heel wat druk voor een eenheid tegen Berlusconi, wat de houding van de Prc deels kan verklaren. Maar terwijl marxisten sympathie hebben voor de wil van de arbeiders voor ‘eenheid’, blijft het noodzakelijk om uit te leggen dat centrum-links geen antwoord biedt.

In 1994 vormde Berlusconi zijn eerste regering die snel ten val kwam en werd vervangen door centrum-linkse regeringen wiens beleid ertoe hebben geleid dat Berlusconi in 2001 de verkiezingen kon winnen. Het is betwijfelbaar of Berlusconi nog een comeback kan maken, maar een nieuwe centrum-linkse regering zou wel de weg openen voor een nieuwe rechtse regering, mogelijks onder leiding van de ex-fascist Fini.

Nood aan een volledige breuk met het kapitalisme

Om de Prc echt op te bouwen als een massale marxistische partij, is het noodzakelijk om op voorhand te waarschuwen voor centrum-links en daarbij de ervaring te gebruiken van de vorige centrum-linkse regeringen om de arbeiders en jongeren te overtuigen van de noodzaak van een breuk met het kapitalisme. Dit lijkt echter niet op de agenda van de Prc-leiding te staan.

Bertinotti, de leider van de Prc, is één van de best verdienende oppositieleiders in het Italiaanse parlement met vorig jaar een inkomen van 155.000 euro. Ondanks het feit dat hij verkozen werd als een kandidaat van de ‘linkerzijde’ die tegen de samenwerking met centrum-links was in de jaren 1990, was Bertinotti de afgelopen jaren een drijvende kracht achter de samenwerking tussen de Prc en de nieuwe centrum-linkse alliantie. Op het Prc-congres van maart haalde Bertinotti 59% van de stemmen voor zijn voorstel om toe te treden tot de centrum-linkse Union. Ondanks radicale en zelfs revolutionair-klinkende retoriek, ziet Bertinotti de Prc als een loyale partner van centrum-links.

Het gevaar van dit beleid is niet beperkt tot een herhaling van de ervaring van de Prc in 1996-98. De oprichting van de Prc in 1991 leidde tot een enorm enthousiasme onder arbeiders en jongeren, waarbij het enthousiasme belangrijk was om de latere splitsingen te overwinnen. Vandaag brengt de steun van de Prc-leiding aan centrum-links echter de toekomst van de partij in gevaar.

De Prc-leiding was ontgoocheld omdat de partij bij de recente regionale verkiezingen slechts 5,5% behaalde, ook al werd een Prc-lid op een Union-lijst verkozen als regionale president in Puglia. De Prc haalde bij de Europese verkiezingen vorig jaar nog 6,1%, wat reeds heel wat minder was dan de 8,6% in 1996. Als de Prc mee verantwoordelijk geacht wordt voor het kapitalistische beleid van de toekomstige centrum-linkse regering, is het minder waarschijnlijk dat het haar steun zal versterken.

Deze positie van de Prc maakt de ontwikkeling van een nieuwe massale marxistische partij moeilijker, ook al hebben de Italiaanse arbeiders en jongeren daar nood aan. Enkel een radicale koersverandering kan de Prc een toekomstige groei bieden. Met een onafhankelijke positie waarbij gewaarschuwd wordt voor een centrum-linkse regering die een kapitalistisch beleid voert, en met een actieve campagne voor een socialistisch alternatief, kan de partij echter sterk groeien.

Delen: Printen: