Anti-Japanse protesten in China

Het afgelopen weekend waren er in verschillende Chinese steden protestacties tegen Japan. Voor de Japanse ambassade in Peking kwamen zo’n 6.000 studenten en jongeren samen. In de zuidelijke stad Guanghzou betoogden zo’n 3.000 jongeren voor het Japanse consulaat. Aan de ambassade in Peking werd gegooid met stenen, flessen en eieren. De jongeren riepen slogans als "Steun het Chinese moederland, boycot Japanse producten." In een aantal gevallen werden Japanse winkels aangevallen en vernield.

Artikel door Laurence Coates vanuit Taipei (Taiwan)

Deze gebeurtenissen vinden plaats tegenover de achtergrond van de groeiende inter-imperialistische spanningen op wereldvlak en zeker ook in Azië. De groeiende Chinese economie vormt niet enkel een markt voor Japanse goederen, maar vormt ook een potentiële bedreiging voor de dominante rol van Japan in Oost-Azië. De groeiende vraag van China voor olie en gas, heeft oude territoriale discussies in de Oostelijke Chinese Zee opnieuw op de voorgrond gebracht. Ook de Chinese tegenkantingen tegenover de plannen van Japan om haar militaire apparaat uit te bouwen (met de steun van de VS), vormen een bijkomend ingrediënt voor het conflict.

De toename van de spanningen komt er ondanks het feit dat China vorig jaar voor het eerst de belangrijkste handelspartner werd van Japan en verantwoordelijk was voor een export uit Japan ter waarde van 112,6 miljard dollar, een toename met 17% tegenover het jaar ervoor. De protesten tonen echter aan dat de situatie nog steeds onstabiel blijft. Het Chinese regime zal de acties ongetwijfeld aangrijpen als een "veilige uitlaatklep" waarbij gehoopt wordt dat de sociale onrust als gevolg van de enorme ongelijkheid en de kapitalistische uitbuiting beperkt zal blijven.

Militaire wandaden

De beslissing van de Japanse regering om een "revisionistisch" geschiedenisboek goed te keuren waarin termen als "invasie" worden vermeden en waarbij de gebeurtenissen uit de jaren 1930 en 1940 sterk worden herzien, vormt een belangrijk thema bij de protestacties. De rechtse auteurs van het boek stellen dat ze de "masochistische" versies van het Japanse verleden beu zijn. Tijdens de bezetting van China door Japan tussen 1931 en 1945 vielen er minstens 15 miljoen Chinese slachtoffers. In de twee Koreas die tussen 1911 en 1945 werden gekoloniseerd door Japan, kwamen er ook woedende reacties op het geschiedenisboek. Een Chinese internetpetitie tegen de opname van Japan als permanent lid van de VN Veiligheidsraad, verzamelde nu reeds 30 miljoen handtekeningen in China.

Onder het beleid van premier Junichiro Koizumi heeft de nationalistische rechterzijde in het land zich versterkt. Koizumi gebruikte een nationalistische retoriek om de oppositie in zijn eigen Liberaal Democratische Partij te verslaan zodat hij zijn neo-liberale agenda van besparingen en privatiseringen zou kunnen doorvoeren. Koizumi stelt dat Japan een "normaal land" geworden is en dezelfde rechten heeft om een militaire kracht op te bouwen, net zoals in andere imperialistische landen. Zijn bezoeken aan het oorlogsgedenkteken Yasukuni (waar 14 oorlogsmisdadigers zijn begraven), leverde hem applaus op bij de extreme rechterzijde en protestacties in het buitenland. Koizumi stelde dat de "vredesparagraaf" in de grondwet (een paragraaf die werd aangenomen na de nederlaag in WO2 en waarin onder meer bepaald wordt dat geen militaire krachten mogen ingezet worden bij conflicten) in de loop van de komende vijf jaar zal geschrapt worden. Koizumi moet echter voorzichtig zijn omwille van de sterke tegenkantingen van de bevolking, onder meer op basis van de ervaring van het Japanse militarisme in de jaren 1930 en 1940. Door het inzetten van troepen in "niet-militaire operaties" in Oost-Timor, Atjeh en – op vraag van de VS – in Irak, werd reeds een belangrijk taboe doorbroken.

De regering-Bush versterkt haar tradionele militaire alliantie met Japan om in te gaan tegen de groeiende macht van China op economisch en diplomatisch vlak.

De Aziatische poedel van Bush

"De Verenigde Staten willen dat Japan een rol opneemt zoals de rol die gespeeld wordt door de Britten", verklaart Tetsuo Maeda van de internationale universiteit van Tokio. Met andere woorden, Bush wil een Aziatische poedel die even volgzaam is als Tony Blair. In februari was er voor het eerst een gezamenlijke verklaring van de VS en Japan over Taiwan waarbij verklaard werd dat dit een "gezamenlijke veiligheidskwestie" vormt. Dit lokte onvermijdelijk reactie uit in Peking waar Taiwan nog steeds gezien wordt als onderdeel van het Chinese territorium. De druk van Washington en Tokio voor een permanente Japanse aanwezigheid in de VN-Veiligheidsraad is erop gericht om het proces van hermilitarisering van Japan te versterken. Socialisten verzetten zich daartegen, niet enkel met betrekking tot Japan, maar tegen de wapenwedloop in het algemeen tussen de imperialistische mogendheden. We zien immers een gelijkaardig proces in Europa met de opbouw van een Europese militaire kracht en een poging om een gezamenlijk buitenlands beleid te creëren. Tegelijk horen we echter telkens weer dat er geen geld is voor gezondheidszorg, onderwijs en pensioenen.

De houding van het Chinese regime tegenover de huidige anti-Japanse protestacties heeft niets te maken met de angst van de gewone bevolking rond de wapenwedloop en het risico op een militair conflict. Zoals Yang Wei-chung van de Associatie voor Arbeidersdemocratie, een marxistische organisatie in Taiwan, verklaarde: "Het regime van de CCP heerst op basis van een bureaucratisch-kapitalistische klasse, een autocratisch regime. Ze hebben het land open gesteld voor buitenlands kapitaal en onderdrukken de strijd van arbeiders en boeren, net zoals het democratische rechten onderdrukt. De anti-imperialistische en anti-kapitalistische strijd mag geen enkel vertrouwen hebben in de CCP."

Het Chinese regime wou de relaties met Bush niet ondermijnen en heeft daarom haar veto in de VN niet gebruikt tegenover de oorlog in Irak. Ook de bedreigingen om troepen in te zetten tegen Taiwan, zijn allesbehalve pacifistisch bedoeld. Dit jaar alleen heeft China haar militair budget verhoogd met 30 miljard dollar. Dat is 83 keer het bedrag dat gebruikt wordt om de veiligheidsstandaard in de koolindustrie te verbeteren (362 miljoen dollar), een sector waarin vorig jaar alleen al 6.000 dodelijke slachtoffers vielen.

Boerenopstand

De Chinese autoriteiten beweren dat de betogingen "spontaan" plaatsvonden, maar toonden minder bereidwilligheid tegenover betogingen van arbeiders of boeren tegen ontslagen, onbetaalde lonen of landuitdrijvingen. Op maandag 11 april, tijdens de anti-Japanse protesten, waren er harde gevechten tussen duizenden boeren en de politie rond het sluiten van verschillende enorm vervuilende chemische bedrijven in een industriezone vlakbij Dongyang in de provincie Zhejiang. Volgens het persbureau Reuters kwamen daarbij twee vrouwelijke betogers om en werden 70 politiemensen gewond, waaronder 5 zwaar gewonden.

Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het Chinese regime de gelegenheid van de anti-Japanse gevoelens aangegrepen heeft als welkome afleiding voor de problemen dichter bij huis. Het hoopt de protesten te kunnen gebruiken als waarschuwing tegenover Tokio – en indirect tegenover de regering-Bush. Daarbij kan het regime rekenen op regionale steun voor haar standpunt, bijvoorbeeld vanuit Zuid-Korea, waar de populariteit van president Roh Moo-hyung met meer dan 10% gestegen is sinds zijn stevige uitspraken tegen Japan. Voor China is dit ook een goede kans om Japan te waarschuwen om zich niet te mengen in de kwestie van Taiwan. Het regime denkt dat het de protesten kan controleren en de acties kan stopzetten indien het nodig is. Het was opvallend dat in Shanghai, het belangrijkste centrum voor Japanse investeringen in China met een Japanse bevolking van meer dan 20.000 mensen, de politie een harder standpunt heeft ingenomen en iedere protestactie had verboden omwille van de vrees dat dit een invloed zou hebben op de investeringen.

De situatie omvat ook een aantal gevaren. Rechtse politici zoals Shintaro Ishihara, de goeverneur van Tokio, en andere Japanse nationalisten, zullen ongetwijfeld proberen om de Chinese protesten te gebruiken om een harder Japans standpunt af te dwingen. Een ander probleem is dat het Chinese regime er misschien niet in zal slagen om de betogers volledig te controleren. De woordvoerder van het ministerie van buitenlandse zaken, Qin Gang, waarschuwde hen reeds om "kalm en intelligent" te blijven. Zoals een journalist in Peking schreef: "Als dit op teveel plaatsen op hetzelfde moment gebeurt, is er het potentieel voor een nationale protestgolf die snel kan overslaan naar andere thema’s."

Internationale strijd tegen het kapitalisme

Een aantal jonge betogers in China zagen gelijkenissen tussen de huidige campagne en de beweging van 4 Mei 1919, waarbij de opstand ook begon met protestacties tegen Japan en andere buitenlandse mogendheden. "Dit is onze 4 mei-beweging", stelde een student uit Peking aan de New York Times, "We eisen dat Japan haar misdaden erkent."

De beweging in 1919 vond echter plaats tegen de achtergrond van de Russische oktoberrevolutie van 1917 en de beweging evolueerde snel in een anti-imperialistische richting. Heel wat leiders van de toenmalige beweging werden stichtende leden van de Chinese Communistische Partij in 1921. De huidige situatie is jammer genoeg erg verschillend van de situatie toen, zowel op het vlak van de ontwikkeling van het bewustzijn onder arbeiders en jongeren als de afwezigheid van een massaal socialistisch alternatief.

Het bewustzijn van de betogers is erg tegenstrijdig. Terwijl de angst voor een militaire opbouw in Japan en de woede omwille van het geschiedenisboek volstrekt begrijpelijk zijn, gingen de slogans en eisen van de betogers tot nu toe vooral in de richting van nationalisme en chauvinisme. Volgens verslagen werden in Guangzhou twee Japanse studenten in elkaar geslagen.

Omwille van de afwezigheid van arbeidersorganisaties in China, worden de acties gedomineerd door jongeren uit de middenklasse die geen kritiek naar voor brengen op de CCP of de pro-kapitalistische agenda van de CCP. Het persbureau AP haalde een 22-jarige chemicus aan die verklaarde: "De Chinese economie moet nog meer groeien zodat Japan niet meer in staat zal zijn om ons iets te doen."

Kapitalistische organisaties spelen een actieve rol in de acties. Zo is er een handelsassociatie van Chinese winkels die opgeroepen heeft tot een boycot van Japans bier, koffie en andere producten, uiteraard zal die oproep wel niet ingegeven zijn om de eigen winsten te vergroten…

Zoals Yang Wei-chung stelde: "Een aantal eisen van de beweging zijn correct, zoals tegen het feit dat Japan een permanent lid van de VN-Veiligheidsraad wordt, maar we kunnen de nationalistische slogans niet steunen. Het rechtse nationalisme is altijd tegen het buitenlands kapitaal, maar niet tegen het Chinese kapitaal, en is niet anti-kapitalistisch. Ze verzetten zich niet tegen het feit dat het Chinese kapitaal oprukt in het buitenland en de uitbuiting in het binnenland toeneemt. Dit is geen manier van werken. We moeten het internationalisme versterken onder de arbeiders in zowel China, Japan als Taiwan."

Delen: Printen: