De Egyptische revolutie van 25 januari 2011 was een enorm progressieve gebeurtenis die de brutale dictator Moebarak ten val bracht. De beweging trad in het voetspoor van de massabeweging van armen en arbeiders in Tunesië tegen dictator Ben Ali. De revolutie toonde aan dat de massa’s in staat zijn om de strijd tegen onderdrukking te voeren en daarbij verandering af te dwingen. Het vormde het begin van een regionale golf van bewegingen en opstanden. Twee jaar later is het duidelijk dat de eerste stap moet gevolgd worden door een tweede revolutie, een socialistische revolutie.

Analyse door David Johnson

Bij een aantal activisten en voorstanders van de revolutie trad de afgelopen periode een zekere vermoeidheid op als gevolg van de ontgoocheling dat er na twee jaar van bewegingen, massale betogingen, bloedige repressie, stakingen en bezettingen nog geen echte verandering is gekomen. Ondanks de moed en de vastberadenheid van de gewone bevolking is het leven van de meerderheid van de arbeiders en armen er niet op verbeterd, het leven is in veel gevallen zelfs harder geworden.

Een voorbeeld van de problemen in Egypte zagen we bij de verschrikkelijke treinramp op 14 januari. Het was het vijfde treinongeval op zes maanden tijd en het tweede op dezelfde plaats, in Badrashin. Nu vielen er 19 doden en 120 gewonden, waarvan een aantal in kritieke toestand. De treinbestuurder werd vier dagen vast gehouden en een onderhoudstechnicus werd ondervraagd. Betogers in Alexandrië werden opgepakt, maar de echte verantwoordelijken voor het laten verloederen van de spoorweginfrastructuur zijn de vertegenwoordigers van het vorige regime, van Moebarak, en van het huidige regime.

De afgelopen jaren werden investeringen en onderhoud stelselmatig genegeerd. Ten tijde van Moebarak waren er regelmatig rampen – treinongevallen, boten die kapseisden, gebouwen die instortten,… Medestanders van Moebarak en corrupte figuren vulden hun zakken met overheidsmiddelen die bedoeld waren om het leven van de meerderheid van de bevolking draaglijker te maken.

Ondanks het feit dat we intussen de tweede verjaardag van de opstand van 2011 vieren, hebben twee zonen van Moebarak, Alaa en Gamal, nog steeds minstens 34 woningen in Caïro in hun bezit naast Zwitserse bankrekeningen waar naar verluidt 300 miljoen dollar op staat en aandelen in Egyptische en internationale vastgoed- en veiligheidsfirma’s. Verschillende luxehuizen in Londen en bedrijven die eveneens in de Britse hoofdstad gevestigd zijn, worden toegeschreven aan figuren uit de directe omgeving van Moebarak. De Britse regering lijkt zich niet te haasten om deze middelen van hun vroegere vrienden in beslag te nemen. Hosni Moebarak won inmiddels zijn beroep voor een nieuwe rechtszaak.

Het land wordt nog steeds gedomineerd door een elite die de rijkdom en macht van de heersende klasse beschermt. Na de val van Moebarak en zijn directe omgeving nam de Hoge Raad van Gewapende Krachten (Scaf) over. Na grote betogingen en stakingen, zetten zij een stap terug. Bij gebrek aan een massapartij die de belangen van de arbeiders en armen oprecht verdedigt, kon de Moslimbroederschap in de verkiezingen de grootste partij worden en werd Morsi verkozen als nieuwe president. Moebarak, de Scaf en de leiders van de Moslimbroederschap verdedigen verschillende vleugels van de kapitalistische klasse. Deze vleugels hebben soms uiteenlopende belangen, maar ze verdedigen wel hetzelfde systeem.

Economie in kritieke toestand

De Egyptische economie zinkt dieper weg. De reserves aan buitenlandse munten zijn op twee jaar tijd gekrompen van 36 miljard dollar tot 15 miljard. Dat is volgens de Centrale Bank een “kritiek niveau” waarbij de reserves amper volstaan om de import van basisvoedsel en brandstof te betalen. Standard and Poor plaatste Egypte op de tiende plaats van de meest risicovolle schuldenaar met een kans van 27% op een bankroet in de komende vijf jaar.

De Egyptische munt heeft al fors aan waarde verloren tegenover de Amerikaanse dollar. Hierdoor wordt de import duurder en stijgen de voedselprijzen. Brood werd 20% en meer duurder, bananen 100% en tomaten 50%.

De overheid subsidieert brood om het betaalbaar te houden. Het land is wereldwijd de grootste importeur van tarwe, een product dat in 2012 35% duurder werd op de wereldmarkt.

Er waren vorig jaar onderhandelingen met het IMF voor een lening van 4,8 miljard dollar. Het akkoord werd drie keer uitgesteld. Samen met de lening wordt gesproken over 6,4 miljard dollar bijkomende hulp van de VS en de EU. De lening moet dienen om de dalende reserves aan buitenlandse deviezen op te vangen. Maar het IMF eist tegemoetkomingen. Zo wordt geëist dat de overheidssubsidies voor basisvoedsel, brandstof en kookgas naar beneden gaan. Daarnaast moet er een nieuwe belasting op verkoop komen en zou het aantal overheidsambtenaren fors moeten dalen. Het zou de inflatie (die nu ongeveer 10% bedraagt) en de werkloosheid (nu officieel 12%) de hoogte in jagen.

In november waren er massale protestacties tegen de pogingen van Morsi om zich dictatoriale machten toe te kennen. Uit vrees voor verzet na een akkoord met het IMF, werd dat door de regering uitgesteld. Premier Hisham Qandil verklaarde dat de regering als onderdeel van het akkoord een “fiscaal en financieel programma” had opgemaakt. “Omwille van de binnenlandse situatie moesten we dat uitstellen, we zullen een snelle evaluatie maken. We zullen snel terug op koers zitten”, verklaarde hij.

Op 8 januari kreeg de regering van Morsi een economische levenslijn toegeworpen door de regering van Quatar die 2 miljard dollar zou lenen en nog eens 500 miljoen dolar zo zou geven om de muntcrisis onder controle te krijgen.

Golf van stakingen en protestacties

Na twee jaar zijn sommige activisten uitgeput en ontgoocheld, maar ondertussen ondernemen steeds meer arbeiders en armen actie om hun leven te verbeteren. Ze zien immers geen significante verbeteringen na de val van Moebarak. In 2012 waren er maar liefst 3.400 protestacties rond economische en sociale thema’s, vooral stakingen en bezettingen. Dat is bijna vijf keer zoveel als in gelijk welk jaar van het vorige decennium. Meer dan twee derden van deze acties vond plaats nadat Morsi op 30 juni de eed als president aflegde.

Op dezelfde dag als de treinramp blokkeerden inwoners van dorpen rond Kafr al-Sheikh de autosnelweg om te protesteren tegen de aanhoudende stroomonderbrekingen. Het protest werd pas gestopt toen de burgemeester beloofde om het probleem op te lossen. In Sharqiya gingen honderden arbeiders uit de druksector in staking voor hogere lonen en bonussen. Boeren dreigden wegen in Giza te blokkeren uit protest tegen het feit dat bedrijven vervuild water in de kanalen lozen en daarmee hun grond aantasten. Leraars in Minya met tijdelijke contracten hielden een sit-in actie. “Er werden ons vorig jaar vaste contracten beloofd, maar er kwam niets van in huis”, verklaarde een van hen. In Ismaila tenslotte ging tijdelijk personeel van het ziekenhuis in actie om vaste contracten en betere lonen te eisen.

Vakbonden onder vuur

De Moslimbroederschap heeft een lange traditie van verzet tegen vakbondsactiviteiten. Het aantal fysieke en legale aanvallen tegen vakbondsactiviteiten is toegenomen sinds de verkiezing van Morsi. Honderden arbeiders werden afgedankt omwille van vakbondsactiviteiten. Heel wat anderen kregen slaag van ingehuurde straatvechters. In september 2012 werden vijf vakbondsleiders in de haven van Alexandrië veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf omdat ze in oktober 2011 een staking van 600 arbeiders hadden geleid. Het is de ergste veroordeling van stakingsleiders sinds het tijdperk van Sadat. Er is beroep in gediend.

Morsi heeft stappen gezet om de vakbondsoppositie tegen zijn besparingsplannen te verzwakken. Enkele dagen na zijn bekendmaking in november dat hij dictatoriale bevoegdheden zou aannemen, werd Decreet nummer 97 aangekondigd, een herziening van de vakbondswetgeving. Daarbij werden alle bestuursleden van de officiële vakbondsfederatie ETUF ouder dan 60 jaar afgezet. Het ging vooral om aanhangers van Moebarak. Ze zouden vervangen worden door de niet verkozen kandidaten met de hoogste stemresultaten bij de laatste vakbondsverkiezingen. Die vonden in 2006 plaats! Die verkiezingen werden gemanipuleerd door het oude regime, heel wat kandidaten van de oppositie konden niet deelnemen waardoor verschillende bestuursleden bij gebrek aan tegenkandidaat hun positie gewoon behielden. Decreet 97 geeft Morsi de macht om nieuwe bestuursleden aan te stellen indien er geen tegenkandidaat was. Als gevolg hiervan zouden zowat 150 leden van de Moslimbroederschap in het bestuur van ETUF kunnen terechtkomen.

Bovendien besloot het Hogerhuis om een wet op te stellen waarmee stakingsacties en betogingen aan banden worden gelegd. Dat gebeurt op basis van een wet uit 1923, een wet die door de Britse kolonisatoren werd ingevoerd na de opstand van 1919 tegen de bezetting.

Het verzet van de arbeiders tegen het regime van de Moslimbroederschap zal onvermijdelijk toenemen. Er zijn belangrijke problemen met de lonen, jobs, arbeidsvoorwaarden en meer politieke thema’s als vakbondsrechten en de eis van hernationalisaties.

De vakbondsfederatie ETUF heeft nog steeds ongeveer vier miljoen leden, in het bijzonder in de publieke sector waar er ook leden zijn in grote bedrijven met militante tradities zoals textielbedrijven in Mahalla of het staalbedrijf Helwan. Arbeiders zijn terughoudend om de ETUF zomaar de rug toe te keren, ook al zijn er corrupte leiders. Het feit dat in sommige gevallen pensioenen en andere voordelen aan het lidmaatschap verbonden zijn, is er ook niet vreemd aan. Maar in Mahalla en elders bleek evenzeer dat deze arbeiders bereid zijn om vastberaden de strijd aan te gaan. De strijd om de controle over de vakbonden zal steeds intenser worden.

Er zijn intussen ongeveer 1.000 nieuwe onafhankelijke vakbonden met een totaal lidmaatschap van 2,5 miljoen werkenden. Sommige daarvan organiseerden grote stakingsacties. Zo waren er acties van belastingpersoneel, het openbaar vervoer in Caïro, dokwerkers, dokters en leraars. Sommige vakbonden zijn erg klein en jammer genoeg zijn er twee federaties – de Egyptische Federatie van Onafhankelijke Vakbonden en het Egyptische Democratische Arbeiderscongres.

Nood aan onafhankelijke arbeiderspartij

Het ontbreekt nog steeds aan een onafhankelijke politieke stem voor de arbeiders. Het potentieel voor een massale arbeiderspartij bleek nog in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen toen bijna 21% stemde voor de Nasserist Hamdeen Sabbahi. Die werd door velen als een ‘linkse kandidaat’ gezien. Hij werd derde met 4,8 miljoen stemmen. Er was de afgelopen twee jaar geen gebrek aan nieuwe partijen naast de reeds langer gevestigde islamistische, liberale en Nasseristische partijen. Het Front van Nationale Redding bracht een aantal partijen bijeen die zich verzetten tegen de politieke islam. De belangrijkste leiders zijn Hamdeen Sabbahi, Mohammed El-Baradei en voormalige minister van Buitenlandse Zaken Amr Moussa. De Socialistische Volksalliantie Partij is de kleinste partij in het front. Door aan dit front deel te nemen, is het een hinderpaal voor de ontwikkeling van een onafhankelijke arbeidersstem.

Het gebrek aan arbeidersinvloed in het Front van Nationale Redding bleek toen Amr Moussa een programma van vijf punten bekend maakte waarin gedurende een jaar een wapenstilstand tussen de oppositie en Morsi werd voorgesteld. Hij stelde voor om een noodkabinet te vormen met vertegenwoordigers van alle politieke stromingen en onder leiding van Morsi. Verder was er het voorstel om een moratorium op stakingen door te voeren en om een comité van grondwetspecialisten de taak te geven om de betwiste onderdelen van de grondwet te onderzoeken.

De Socialistische Volksalliantie had het front hierop moeten verlaten en de nood aan een onafhankelijke arbeiderspartij duidelijk maken. Het had een initiatief moeten nemen voor een conferentie van syndicalisten, lokale activisten en socialisten om over de opbouw van zo’n partij te discussiëren.

Een kleinere linkse partij, de Partij van Arbeiders en Boeren, in 2011 opgezet door de Revolutionaire Socialisten, is in dezelfde val van het Volksfront gevallen door zich te verbinden met krachten die het kapitalisme verdedigen. Dat gebeurt in de Democratische Revolutionaire Coalitie. In september verklaarde de gekende RS-leider Kamal Khalil dat gelijk welke coalitie mogelijk was, tenzij “een coalitie met de Hoge Raad van Gewapende Krachten, aanhangers van Moebarak en tegenstanders van de revolutie.”

Hij verklaarde: “We gaan door een gevaarlijke fase die de eenheid van alle nationale krachten en niet alleen de linkerzijde vereist.” Hij kondigde aan dat de Democratische Revolutionaire Coalitie bereid was om met Sabbahi en El-Baradei samen te werken.

“We zullen ons op straat en bij de verkiezingen verenigen. Vanaf nu is er geen ‘ik’ meer maar enkel een ‘wij’. Het is een beginpunt voor een democratische coalitie tegen de heersers.” Hij stelde dat de eenheid eerder gebaseerd is op de doelstellingen van de revolutie dan op een ideologische basis. Dergelijke oproep was niet nieuw, in mei steunden de Revolutionaire Socialisten Morsi nog in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen en riepen ze de Moslimbroederschap op om een pluralistische coalitie rond de president te vormen.

Met liberale krachten gemeenschappelijke acties ondernemen om democratische rechten te verdedigen, is een zaak. Maar een bredere samenwerking, onder meer bij verkiezingen, ondermijnt het vertrouwen van de arbeidersklasse en geeft als boodschap dat de arbeidersklasse op zich niet sterk genoeg is om de heerschappij van de rechtse islamisten of van het kapitalisme te breken. Het laat de leiding van de oppositie tegen Morsi over aan figuren als El-Baradei en Moussa, ook al kunnen die op weinig enthousiasme van de arbeiders en armen rekenen. El-Baradei wordt gezien als iemand die ver van het leven van de gewone Egyptische bevolking staat. Hij verkiest het om wereldleiders te ontmoeten in zijn huis in Oostenrijk. Moussa is voor velen verbrand omdat hij een rol speelde in de regering van Moebarak. Dat hij nu opriep om stakingen een jaar lang te verbieden, helpt ook niet.

Zes maanden nadat Morsi als president aan de macht kwam, gaf nog slechts 63% aan tevreden te zijn met het bewind. Dat cijfer blijft afnemen. Maar om de armen weg te halen van de rechtse islamistische partijen moet de arbeidersklasse over een eigen partij beschikken en een programma waarmee het de noden van de arbeiders en armen kan verdedigen. Dat moet ook de strijd voor echte en blijvende democratische rechten, waaronder vakbondsrechten, omvatten. Daarnaast ook eisen als een degelijk minimumloon, een indexatie van de lonen aan de stijgende prijzen, een massaal programma van de bouw van huizen, investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en openbaar vervoer. De nationalisatie van alle banken, geprivatiseerde bedrijven en de sleutelsectoren zou de mogelijkheid van een democratische planning van de economie tot stand brengen. Het kwijtschelden van de schulden aan buitenlandse banken en regeringen zou gecombineerd moeten worden met een oproep aan arbeiders en armen doorheen het Midden-Oosten, Noord-Afrika en daarbuiten om de nodige solidariteit te vestigen voor een democratisch socialistische regering in Egypte.

Na de heldhaftige inspanningen van de arbeiders en armen de afgelopen twee jaar, blijft er nood aan een ‘tweede revolutie’ om de problemen van de arbeiders en armen in het land aan te pakken. De volgende revolutie moet gericht zijn op het socialisme, waarbij de arbeidersklasse de macht in handen neemt en de armen in de steden en op het platteland achter zich verzamelt.