Gelezen: “50 grijze leugens”. Regering en patronaat willen pensioenen kraken

Gelezen: “50 grijze leugens”

"Ons ouder worden is al door alle regeerders als natuurramp goedgekeurd… Het tijdstip staat al vast: 2010. De eerste naoorlogse jaargangen komen dan officieel op pensioenleeftijd en de actieve bevolking begint te dalen.” Aan het woord is Gilbert De Swert, hoofd van de ACV-studiedienst. Voor syndicalisten en socialisten bevat dit boek een schat aan informatie en we bevelen het boek dan ook warm aan bij onze lezers. Maar als het gaat om alternatieven en hoe ervoor te vechten, moeten we elders onze mosterd halen.

Anja Deschoemacker

Breek de mythe!

Reeds jaren wordt in België een klimaat van angst gecreëerd. Minister na minister heeft het bevestigd: eens de babyboomgeneratie op pensioen begint te gaan, worden de pensioenen in dit land onbetaalbaar. De “oplossingen” die worden voorgesteld, zijn o.a. de afschaffing van het brugpensioen, het activeren van de oudere werklozen, langer werken, lagere lonen en pensioenuitkeringen,… Gilbert De Swert is daartegenover een eenzame stem in de woestijn. Door politici en “experts” gebanaliseerd, gaat hij in tegen de nationale “versimpeling” rond de vergrijzing.

Hij doet dat in de vorm van een antwoord op 50 leugens, leugens die dominant zijn in de huidige beeldvorming rond vergrijzing. Zo betwist hij de voorstelling van de pensioenontwikkelingen als een schok: het aantal 60-plussers gaat inderdaad van 20% van de bevolking (1990) naar 30% in 2030, maar dit is een evolutie over 40 jaar, nauwelijks een “schok” te noemen dus. Bovendien merkt hij zeer terecht op dat demografische vooruitzichten allesbehalve dynamisch zijn. Ze gaan uit van een onveranderende wereld, terwijl de regel juist is dat alles steeds verandert. Ze werkt ook met absolute begrippen, terwijl ouderdom een relatief begrip is. Hij haalt een studie van Bourdelais over de leeftijdsopbouw van Frankrijk aan. “Als rond 1820 een 65-jarige “oud” was, dan ligt die leeftijd nu rond de 76… Schuif je met de ouderdomgrens naargelang gezondheid en levensverwachting toenemen, dan blijft de maatschappelijke druk van de groep ouderen twee eeuwen nagenoeg gelijk. Sterker nog, de laatste decennia zou er sprake zijn van een lichte ontgrijzing!”

Een ander voorbeeld: gaat de arbeidsmarkt naar een tekort? Daar merkt De Swert op dat het voor de werkenden een zegen zou zijn, moest dat gebeuren. De neerwaartse druk op lonen en werkomstandigheden zou pijlsnel afnemen. Maar hoewel de bevolking op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) wel gaat dalen na 2010, slinkt daarom de effectief werkende bevolking nog niet. “Van de 6,8 miljoen tussen 16 en 65 jaar werkt nu ruim 4 miljoen. Dat is 60 procent. ‘Slechts 60 procent!’, wordt alom gejammerd. Op papier is dus 40 procent of bijna 2,8 miljoen niet aan het werk. Er zijn daartussen voldoende jongeren, vrouwen, allochtonen, werklozen (oud en jong) die kunnen werken, en zowaar ook nog ouderen die willen werken… Overigens daalt die beroepsbevolking pas vanaf 2011 langzaam tot 375.000 minder in 2030. 375.000 – dat is minder dan het aantal volledige uitkeringsgerechtigde werklozen vandaag. Oudere werklozen niet eens meegeteld, evenmin als de vele “inactieven” in het land (arbeidsongeschikten, huisvrouwen, vroeggepensioneerden).”

En nog eentje om het af te leren: “minder actieven moeten niet meer inactieven onderhouden”. De bevolkingsontwikkeling rijdt namelijk in twee richtingen: meer ouderen, maar ook minder jongeren. “De meeste “deskundigen” zien enkel de kost van de veroudering, niet de besparing van de ontgroening. Weinig experts doen aan optellen én aftrekken.” Maar hij wel: “In 1970 stond tegenover elke actieve (20-60 j.) precies één niet-actieve: tegenover 100 actieven 62 jongeren en 38 ouderen. In 2030 zou dat nauwelijks verschillend zijn: 100 actieven voor 43 jongeren en 62 ouderen. Waar is het grijze probleem nog?”

Geen politiek verzet tegen geplande pensioenafbraak

Het loont de moeite om dit boek te lezen. De Swert ontmaskert de politici (waarbij vooral Frank Vandenbroucke, SP.A, het te verduren krijgt met een hoofdstuk “het is frank en het is fout”) en hun verzameling “deskundigen”: ze liegen. Op basis van hun eigen perspectieven voor economische groei, voor demografische ontwikkeling, voor toename van productiviteit is de stelling dat de pensioenen “onbetaalbaar” zouden worden veeleer een bewuste leugen dan een mythe.

Alle politieke partijen krijgen er meer of minder van langs, met enkel een positieve vermelding van Elio Di Rupo en zijn voorstel tot een Algemene Sociale Bijdrage. Er wordt ingegaan tegen een splitsing van de gezondheidszorg, tegen het idee dat een kapitalisatiestelsel beter, veiliger en goedkoper zou zijn. Het tegendeel is immers waar. De aanval op het brugpensioen wordt afgeslagen door het “probleem” terug te brengen tot zijn ware proporties: “van alle mensen tussen 50 en 65 was in 2003 slechts 5,9% met brugpensioen.” Samen met de oudere niet-werkzoekende werklozen is dat 14%. En bovendien: “Brugpensioen is niet ‘onbetaalbaar’. Het is de ‘goedkoopste’ formule van vervroegd stoppen voor de sociale zekerheid.” Andere formules kosten ons meer, slechts het patronaat wint erbij.

Maar wat moet dan gebeuren?

Bij die vraag houdt de nuttigheid van het boek op. De Swert legt uit dat in onze hoogproductieve economie minder productieve werkenden worden uitgestoten. Als slechts 4 op de tien 50- tot 65-jarigen werken, heeft dat niets te maken met de wil van die mensen, maar alles met de massale uitstoot van oudere werknemers. Hij pleit voor een verdere groei van de productiviteit, maar ook voor de uitbouw van bijvoorbeeld de non-profitsector, wat de algemene tewerkstellingsgraad zou doen toenemen. Buiten het feit dat hij geen politieke of sociale kracht benoemt die dit zou kunnen bewerkstelligen, kunnen we met dat laatste uiteraard akkoord gaan. We zouden er naast de non-profitsector ook nog andere openbare diensten aan toevoegen. De voornaamste bemerking is dat, in het huidige politieke landschap, het utopisch is om te veronderstellen dat dit zal gebeuren. Iedereen mag dromen, maar het is meestal niet de goede manier om een doeltreffende strategie te ontwikkelen.

Gilbert De Swert begeeft zich echter definitief op glibberig en gevaarlijk terrein als hij zijn alternatieve voorstellen ontwikkelt. Zo pleit het ACV reeds langer voor een splitsing van de gezondheidszorg in een arbeidsgebonden en een niet-arbeidsgebonden (kinderbijslag en gezondheidszorg) pijler. Hij wijst op het verzet daartegen vanuit Franstalig België, maar voor hem moet die splitsing niet leiden tot een communautaire splitsing, waartegen hij zich zeker verzet. Ook dit is weer behoorlijk utopisch in de Belgische communautaire krabbenmand.

Maar het is meer dan utopisch. Als hij dan voorstelt die tweede pijler “alternatief” te laten financieren door de ASB van Di Rupo (een belasting die inderdaad alle inkomens zou treffen, in tegenstelling tot BTW-verhogingen die de armsten het hardst raken), vervalt hij alsnog in de retoriek waarin verlaging van arbeidskosten een oplossing zou kunnen betekenen voor de werkloosheid en dus ook voor de sociale zekerheid. Terwijl hij eerst duidelijk maakt dat de lonen in België niet te hoog zijn, maar pal op het gemiddelde van de buurlanden, zowel wat betreft loonkosten per uur als loonkosten per eenheid product. En die lonen zijn relatief hoog omdat de Belgische bedrijven, in tegenstelling tot de beeldvorming die door politici en patroonsorganisaties wordt geschetst, een “goede concurrentiepositie” hebben. Getuige daarvan is het jaarlijkse handelsoverschot dat hier wordt geboekt.

Met de voorstellen voor de opsplitsing in twee pijlers, voor alternatieve financiering en verder ook nog voor de hertekening van de loopbaan (waarbij niet langer studeren-werken-pensioen opeen zouden volgen, maar een “flexibele loopbaan”, waarin studie, werk en vrije tijd elkaar levenslang zouden opvolgen), opent De Swert volgens ons de doos van Pandora. Hoewel wij zeker de tekortkomingen zien van het stelsel van sociale zekerheid zoals het vandaag bestaat – en dan vooral de zeer lage uitkeringen in vergelijking met andere Europese landen – denken wij dat het fout zou zijn om vandaag de dialoog met patronaat en regering hierover te openen. Vakbonden zouden resoluut moeten weigeren deel te nemen aan onderhandelingen over de eindeloopbaanproblematiek. Iedere onderhandeling kan in de huidige situatie slechts leiden tot een onderhandelde achteruitgang. Beter zou zijn zich voor te bereiden door een massale campagne naar werkenden, ouderen en jongeren, om de strijd tegen de achteruitgang te voeren. De Franse en Italiaanse arbeidersklasse heeft in de laatste jaren reeds enkele malen getoond dat het door strijd zeer zeker mogelijk is de aanval op de pensioenen af te slaan.

Het is juist dat het patronaat en de regering na een nederlaag in hun offensief op de sociale zekerheid – en meer algemeen op de verworven rechten van de arbeidersklasse – steeds opnieuw terugkomen. Dat merken we ook met de richtlijn-Bolkestein. Dat toont duidelijk in welke periode we ons bevinden. We zijn het immers eens met De Swert als hij cijfermatig aantoont dat de pensioenen betaalbaar blijven, ook gedurende de relatief korte periode waarin de babyboomers in het pensioenstelsel terechtkomen (daarna komen immers de afgeslankte generaties aan de beurt – nog een valabel argument van De Swert tegen een structurele ingreep om een tijdelijk “probleem” op te vangen).

Maar iedere besteding is een politieke keuze. De pensioenen worden niet zozeer bedreigd door de demografische ontwikkelingen, maar door het offensief van het patronaat en hun dienaars in de diverse westerse regeringen. En dat offensief is er omdat de economie zich in een lang uitgerokken periode van depressie bevindt (waarnaar De Swert overigens ook verwijst als hij het heeft over de structurele werkloosheid en het gevaar van deflatie), waarin overcapaciteit heerst in nagenoeg alle industriële sectoren en waarin de winstvoet – de hoeveelheid winst per geïnvesteerde eenheid kapitaal – op langere termijn daalt, wat de patroons aanzet tot herstructureringen en sluitingen.

Het sociale zekerheidsstelsel is niet tot stand gekomen in een periode van depressie. Het is gegroeid onder de langste periode van economische opgang in de moderne geschiedenis. Het was een periode waarin de heropbouw van Europa leidde tot hoge tewerkstelling, waarin de arbeidersklasse (o.a. door toenemende krapte op de arbeidsmarkt en, niet te vergeten, door het bestaan van een alternatief, hoe vervormd ook, in de vorm van het stalinistische Oost-Europa en de USSR) de patroons een serieuze verbetering van de levensstandaard kon opleggen. Vandaag bevinden we ons in een voor de arbeidersklasse veel moeilijker positie. Economisch is de marge voor toegevingen veel kleiner, in plaats van hervormingen krijgen we de laatste 20 jaar enkel tegenhervormingen voorgeschoteld. Ook politiek is de arbeidersklasse verzwakt door een gedaald klassenbewustzijn, vooral ingezet na de val van het stalinisme, en door de verburgerlijking van de sociaal-democratie.

Daarmee houdt De Swert geen rekening en hij lijkt te denken dat er voor zijn voorstellen een politieke meerderheid te vinden zou zijn. Maar waar dan? Niet bij de sociaal-democratie, ook niet de PS, die zich in plaats van de strijd te organiseren tegen de huidige afbraak vooral bezighoudt met de vraag hoe ze die afbraak verkocht krijgt zonder aan stemmen in te boeten. Over de SP.a hoeven we na de brieven en voorstellen van Frank Vandenbroucke en Johan Vande Lanotte zelfs niet meer te spreken. En wat met de partij waarbij het ACV aanleunt? In de periode na de tweede wereldoorlog was de CVP een massale partij, een “volkspartij” waarbinnen ook een enorme arbeidersvleugel tevreden moest worden gehouden. Het ACV verkreeg allerlei kleine toegevingen om te vermijden dat grotere verworvenheden zouden worden afgedwongen door een arbeidersklasse die haar kracht kende. Ook die periode is voltooid verleden tijd. Ondanks het verzet van het ACV tegen de verrechtsing en tegen o.a. het kartel met de NVA, zien we dat CD&V verder in rechtse richting evolueert. Het is uitgesloten dat deze partijen – sociaal-democratie en CD&V – de burgerij stokken in de wielen zouden steken in dit offensief op de pensioenen.

Zoals in iedere discussie over een belangrijk aspect van de welvaartstaat mondt het uiteindelijk uit in de vraag hoe en met welke instrumenten we de behaalde verworvenheden kunnen verdedigen, tegen de neoliberale politiek die gevoerd wordt door alle gevestigde politieke krachten. De Swert stelt die vraag zelfs niet. Zijn voorstellen zouden in het ijle gebeuren, moest het ACV niet een belangrijke kracht zijn. De onderhandelingsbereidheid van de leiding kan er opnieuw toe leiden dat in ruil voor enkele kruimels een heel stuk taart wordt weggegeven. Het ACV vraagt het wegwerken van de discriminatie van gehuwde bruggepensioneerden vooraleer ze bereid is te onderhandelen over de eindeloopbaan. Het zou als voorwaarde eigenlijk het einde aan de werkloosheid door een arbeidsduurvermindering met loonbehoud moeten vragen, een eis die wel in het boek figureert, maar door het ACV niet echt opgenomen wordt.

De Swert schreef een schitterende kritiek op de huidige voorstellen en maatregelen in het pensioenstelsel. Hij haalt mythe na mythe onderuit, wat toegejuicht moet worden. Maar de taak van de vakbond is het verdedigen van de belangen van de arbeidersklasse. Niet slechts in woorden en niet enkel aan de onderhandelingstafel, maar ook door een strategie en een actieplan. En daar schiet zowel de leiding van het ACV als die van het ABVV schromelijk tekort, wat ook al bleek in de IPA-akkoorden van de laatste jaren.

Als de meest strijdbare delen van de beide vakbonden zich niet beginnen te organiseren om van hun organisaties strijdbare en democratische organen te maken, zijn de pensioenen wel degelijk in gevaar. Ons ongerust maken, ons inschakelen in het beheer van het bestaande systeem om de scherpe kantjes van de patronale voorstellen eraf te veilen,… zal geen zoden aan de dijk brengen. Zoals de voorbeelden in o.a. Frankrijk en Italië tonen: enkel massale en algemene strijd loont!

Delen: Printen:

Reacties zijn gesloten.