Arthur Miller: dood van een dwarsligger

De Amerikaanse scenarist Arthur Miller overleed op 9 februari op 89-jarige leeftijd na een strijd tegen kanker en een hartkwaal. Zowat alle internationale media had aandacht voor dit overlijden. Kranten als de New York Times, de Boston Herald, de Daily News tot de Times, de Daily Telegraph en The Observer, allemaal moesten ze het talent van Miller erkennen. Miller kende een opvallend leven in een woelige periode, van de Wall Street crash in 1929 over Wereldoorlog 2, de holocaust en de periode van het McCarthyisme.

Tony Mulhearn

Miller was een groot figuur die een aantal van de scherpste inzichten naar voor bracht over corruptie en het concept van de ‘American dream’. Werken als ‘Death of a Salesman’, ‘View from the Bridge’, ‘The Crucible’ en ‘All My Sons’, zijn slechts enkele van zijn werken die thans klassiekers geworden zijn.

Arthur Miller werd geboren in New York City in 1915 als de zoon van een welvarende kleermaker wiens zaak overkop ging tijdens de Grote Depressie van 1929-31. Die ervaring versterkte zijn instinctieve radicalisme en versnelde zijn politieke bewustwording.

Miller werkte nadat hij afgestuurd was in een grootwarenhuis tot hij genoeg geld had om te studeren aan de universiteit van Michigan waar hij journalistiek en scenario-schrijven studeerde.

Toen Wereldoorlog 2 uitbrak, verhuisde Miller naar New York waar hij veel schreef. Zijn eerste succesvolle stuk werd op Broadway opgevoerd in 1947. Dat was ‘All My Sons’ dat inging op de corruptie in de wapenindustrie waarbij de verkoop van slechte vliegtuigen aan de Amerikaanse luchtmacht leidde tot de dood van heel wat jonge militairen.

Dit werk werd gevolgd door ‘Death of a Salesman’ wat een meesterwerk was en de Pullitzer prijs won. Het werk staat symbool voor de kritiek van Miller op de ‘American Dream’, of in het geval van Willy Loman, de Amerikaanse nachtmerrie. In het stuk speelt Lee J. Cobb de rol van Willy Loman en het toenmalige linkse icoon Elia Kazan was eveneens betrokken bij het stuk. Die twee mannen speelden nadien een cruciale rol in het leven van Miller.

Het ‘House un-American Activities Committee’ (HUAC) was oorspronkelijk door het parlement opgezet om de nazi-activiteiten in de VS te onderzoeken, maar onder leiding van Richard Nixon veranderde het al snel naar een orgaan dat vooral bezig was met anti-communistische activiteiten.

In de jaren 1950 werd het comité een instrument van het rabiate anti-communisme van senator Joe McCarthy die daarbij gesteund werd door de rechtse republikeinen die wraak wilden voor de New Deal van Roosevelt. Er werd ingespeeld op een klimaat van angst die versterkt werd door het bestaan van het Oostblok en de opkomst van het communisme in China in 1949.

De heksenjacht van McCarthy richtte zich onder meer tegen de filmindustrie als broeihaard van verleiding en communistische sympathie. Een sfeer van angst en onzekerheid overheerste in de VS. Honderden activisten en radicale liberalen die verschillende vredescampagnes hadden gesteund tijdens en na de oorlog moesten voor de HUAC verschijnen en werden gevraagd of ze ooit lid waren geweest van de Communistische Partij (CP).

Wie weigerde te antwoorden, werd vervolgd. Wie positief antwoordde, moest zich verontschuldigen en de namen geven van vrienden en collega’s die deelnamen aan bijeenkomsten van de CP. Indien negatief werd geantwoord, moest dit worden bewezen. Wie weigerde namen te geven, werd geconfronteerd met gevangenisstraffen of kon geen werk meer vinden.

Arthur Miller was geschokt door deze inbreuk op de mensenrechten en schreef ‘The Crucible’, een stuk waarin de activiteiten van het HUAC aan bod komen. Voor zijn onderzoek trok hij naar Salem, Massachusetts, waar in 1962 een enorme heksenjacht plaats vond. Ironisch genoeg vernam hij op zijn trip naar Salem dat Elia Kazan had besloten mee te werken met het HUAC.

In zijn biografie, ‘Time Bends’, beschrijft Miller hoe Kazan die beslissing probeerde te rechtvaardigen: "Toen ik naar hem luisterde, werd ik echt bang. Er zat een zekere logica in wat hij zei, indien hij zijn naam niet zou zuiveren zou hij, op het hoogtepunt van zijn creatieve kunnen, wellicht nooit nog een film kunnen maken in de VS en zou hij nooit een paspoort krijgen om elders te gaan werken."

"Terwijl het theater open bleef staan voor hem, wilde Kazan zich vooral gaan richten op zijn filmcarrière. Dat was waar zijn hart lag, en hij werd door zijn oude baas en vriend Spyros Skouras, de voorzitter van Twentieth Century Fox, expliciet gezegd dat het bedrijf hem niet zou inzetten indien hij niet zou tegemoetkomen aan de wensen van het comité… Ik werd koud door de gedachte dat ik mogelijks een slachtoffer zou worden indien Kazan wist dat ik had deelgenomen aan bijeenkomsten van communistische schrijvers en zelfs een toespraak had gedaan op één van die bijeenkomsten."

In de vroege jaren 1950 maakte Kazan ‘On the Waterfront’, een film over de maffia aan de dokken in New York. Budd Schulberg, die het boek en het scenario schreef, en de meeste acteurs in het stuk, waaronder Lee J Cobb, waren medewerkers van het HUAC. In zijn biografie stelde Kazan dat hij de film maakte om aan te tonen dat hij bereid was zijn vrienden te verraden.

Als antwoord op de film schreef Miller ‘The View from the Bridge’ dat ook plaats vindt rond de dokken van New York. In tegenstelling tot de ophemeling van het personage gespeeld door Brando in Waterfront, wordt in dat stuk een zware kritiek gegeven op het verraad door het hoofdpersonage.

In 1956 kwam de naam van Arthur Miller in zowat alle populaire media toen hij trouwde met Marilyn Monroe en ook toen hij schuldig werd bevonden aan de weigering om namen door te geven aan de HUAC. Hij beschreef de hypocrisie van het McCarthyisme toen hij openbaarde dat de voorzitter van het HUAC, de rechtse senator Francis Walter, hem zei dat hij bereid was af te zien van een vervolging indien Miller Monroe zou overtuigen om op een foto met Walter te gaan staan terwijl ze zijn hand schudde. Miller en Monroe weigerden allebei.

Volgens Nicholas Hytner, verantwoordelijk voor de verfilming van ‘The Crucible’ met Danie Day-Lewis in een hoofdrol, stelde Miller geregeld dat de graad van politieke vervolging kan afgemeten worden aan het aantal producties van theaterstukken en fillms.

Het stuk ‘The Crucible’ werd opnieuw opgevoerd op Broadway vlak na de stemming van de Patriot Act onder Bush. In de jaren 1990 nam Miller afstand van het theatermilieu in New York en vertoefde hij meer in Groot-Brittannië. In één van zijn laatste artikels bekritiseerde hij het theater van Broadway omdat het volledig ingebonden had tegenover de glorie en glamour van de show business.

Hij had gelijk. Alles heeft verschillende lagen, het theater vandaag kan vergeleken worden met de obsessie van het kapitalisme inzake herstructureringen, privatiseringen en andere eufemismen die gebruikt worden om de lonen en arbeidsvoorwaarden van arbeiders aan te pakken. Miller stelde dat grote stukken vandaag geen plaats meer krijgen op Broadway omdat voor die stukken "teveel mensen" nodig zijn.

Arthur Miller schreef op een politieke wijze over de samenleving, maar sloot nooit aan bij een politieke organisatie. David Marnet, de regisseur van Glengarry Glenross, schreef in de New York Times naar aanleiding van het overlijden van Miller dat in diens werk een zekere aanvaarding is van het feit dat de mensen veel proberen en falen.

Dat is een pessimistische analyse. Terwijl Miller veel schreef over de donkere kant van de samenleving, legde hij evenwel steeds de nadruk op de positieve mogelijkheden van de mens. Dat is de reden waarom hij nooit cynisch werd, en vasthield aan zijn visie op een meer menselijke en rechtvaardige samenleving.

Socialisten kunnen het werk van Miller gebruiken om de fouten van het systeem te verklaren, maar we moeten daarnaast ook uitleggen hoe komaf kan gemaakt worden met dit systeem. De bijdrage van Miller aan deze discussie blijft belangrijk.

Delen: Printen: