Inleiding tot ‘De Lessen van Oktober’

Zowel als gevolg van de omstandigheden als in opzet, was De Lessen van Oktober niet anders bedoeld dan een vlugschrift in het historisch onderzoek. En als het alleen maar dat was geweest en gebleven, dan nog zou de geleverde bijdrage van onschatbare waarde zijn geweest. Het volledige relaas van de gebeurtenissen die uitmondden in de machtsovername door de Sovjets, is nu beschikbaar in het monumentale werk van Trotski, De Geschiedenis van de Russische Revolutie (3 delen, uitgeverij Van Gennep). Maar toen de huidige tekst verscheen in 1924, werd de oktoberperiode gehuld in een diepe waas. Om slechts twee voorbeelden te noemen; de burgerlijke wereld beschouwde het succes als een gevolg van gelukkige improvisatie. Communisten, met name die in het westen, dachten om onduidelijke redenen, enkele uitzonderingen daar gelaten, dat de Bolsjewieken de revolutionaire crisis hadden overwonnen op basis van het vereiste politieke voorspellingsvermogen en door als een goed geoliede machine op te treden.

Maurice Spector, New York, 11 januari 1937

Dat de Russen er zelf niet in slaagden deze verwarring op te lossen, kan niet alleen zijn gekomen omdat ze het te druk hadden met de sociale heropbouw. De partijgeschiedenis van voor oktober heeft nooit te lijden gehad onder zulk een veronachtzaming. Feit is dat de analytische studie van Oktober een bedreiging vormde voor ‘gevestigde belangen’. Het bureaucratische regime dat zich na de dood van Lenin had gevestigd, had goede redenen om een nauwkeurig onderzoek van de gebeurtenissen te verhinderen.

Lenin’s Testament had over Kamenev en Zinoviev al gezegd dat “hun aftocht in oktober niet toevallig was”. Eveneens was het niet toevallig – zoals uit de studie van oktober zou blijken – dat de gehele bolsjewistische ‘oude garde’ er niet in geslaagd was het karakter van de revolutie in 1917 in te schatten. Bewust of niet, het was om deze reden dat ze over de ervaringen van Oktober heen walsten als een gebeurtenis in de partijgeschiedenis, niet belangrijker dan andere. Voor Trotski echter was het vraagstuk van Oktober de lakmoesproef van marxistische theorie en het kaliber van de leiding. De Communistische Internationale moet de lessen van de ervaringen van Oktober in zich opnemen of roept rampspoed over zich uit. Maar de reactie was al aangevangen en de partijbureaucratie was veel meer geïnteresseerd in het verstevigen van haar nationale machtspositie. Trotski, die volgens een verklaring van Stalin “direct leiding gaf aan al het werk tot de praktische organisatie van de opstand”, werd het doelwit van een enorme lastercampagne. Niet in staat om de revolutionaire geschiedenis te negeren, begon de bureaucratie haar per decreet te vervalsen. De aanval op Lessen van Oktober, verdoezelend de ‘literaire discussie’ genoemd, werd zo een belangrijke fase in de strijd tussen stalinistisch nationalisme en leninistisch (of trotskistisch) internationalisme.

De directe aanleiding voor de Lessen van Oktober, Trotski’s inleiding bij de uitgave van zijn verzamelde werk uit 1917, was het debacle van de Duitse Communistische beweging in 1923. In de naoorlogse jaren lag de sleutel tot de revolutie in het Westen ontegensprekelijk in de handen van Duitsland. In deze meest geïndustrialiseerde en geconcentreerde economie van Europa leidde de wurggreep van het Verdrag van Versailles ertoe dat de klassentegenstellingen regelmatig op springen stonden. Er op gebrand om haar vrijheid van handelen terug te winnen, besloot de burgerij van Duitsland om in 1923 haar politiek van ‘schadeloosstellingen’ te staken en over te gaan tot passief verzet. Toen de regering Cuno een aantal van haar betalingsverplichtingen in natura niet nakwam, beval Poincaré de bezetting van het Roergebied. Om de kosten van het verzet op te kunnen brengen, moest de centrale regering, toch al zonder reserves en kredietwaardigheid, terugvallen op de grootste inflatie in de moderne geschiedenis. Maar diegenen die hier de hoogste prijs voor moesten betalen waren niet de gesubsidieerde industriëlen uit het Roergebied, noch bankiers zoals Stinnes die een gigantisch fortuin wist te vergaren. De slachtoffers waren de middenklasse, wiens vaste inkomens genadeloos werden opgeslorpt, en de arbeidersklasse van wie de lonen tot onder het bestaansniveau werden teruggeworpen. De grondvesten van de sociale structuur scheurden, vertrouwen in de burgerlijke democratie, nooit sterk geweest, werd verpletterd; haat tegen het Verdrag van Versailles groeide torenhoog. Meer en meer keerde de massa zich naar het communisme als redder in de nood. Als zelfs na het debacle de Communistische Partij in staat was 3,7 miljoen stemmen achter zich te krijgen en haar vertegenwoordiging in de Rijksdag te laten toenemen, dan is dat in alle opzichten een aanwijzing dat de partij in 1923 in staat moet zijn geweest een doorslaggevende meerderheid van de arbeidende massa’s achter zich te verzamelen. Maar al haar acties waren er echter op gericht zich te beperken tot een coalitieregering met de linkse sociaal-democraten van het ‘rode’ Saksen. Een regering die er tijdens haar korte bestaan niet in slaagde ook maar één revolutionaire maatregel uit te vaardigen, of het moet de overeenkomst tot schadeloosstelling van de Koning van Saksen zijn! Op zeker moment slaagde de leiding er uiteindelijk toch in haar moed te verzamelen en de dag van de opstand vast te stellen. Maar Brandler maakte wat snelle berekeningen om aan te tonen dat de burgerij superieure militaire kracht had en het Centraal Comité herriep onmiddellijk de beslissing. Met behulp van de Noodtoestandwet (Belagerungszustand) wist de Rijksweer van Von Seeckt het initiatief terug te nemen, zette de ‘rode’ Saksische regering af en verbood de Communisten. Terwijl Brandler, Thalheimer en andere partijbonzen naar Moskou vluchtten, kwam het Amerikaanse kapitalisme met het Dawes-plan ten tonele en werd de situatie weer gestabiliseerd.

Acht maanden na deze passieve overgave van de partij kwam het Vijfde Congres van de Komintern bijeen om de balans op te maken. Helaas waren haar beschouwingen niet aangejaagd door de kritische geest van Lenin, maar meer door het onverstoorbare optimisme van Voltaires Dokter Pangloss. De ‘parlementaire Saksische komedie’ werd in mooie bewoordingen veroordeeld en er waren luide protesten opdat er nooit meer een coalitie met “linkse” sociaal-democraten zou worden aangegaan. Er werd uitgebreid gesproken over het verkeerd inschatten van het ‘tempo’, kant-en-klare verloochening van het gevaar van rechts en eindeloos geblaat over een “Bolsjewisering”. Boven alles was het congres bezig om de schuld in de schoenen van Brandler te schuiven en de leiding in Moskou vrij te pleiten. De enige kwestie die het congres niet in ogenschouw nam – de kern van de zaak – was dat, zoals Trotski het stelde, ‘in de omstandigheden van het huidige tijdperk een revolutionaire situatie voor meerdere jaren verloren kan gaan in de loop van enkele dagen’.

In zijn gehele politieke loopbaan was voor Trotski het lot van het Russische proletariaat verbonden met de vooruitzichten van de Europese revolutie. Al in 1905 had hij geconcludeerd dat in een economisch onderontwikkeld land zoals Rusland, de revolutie omstandigheden kon veroorzaken waardoor het proletariaat eerder de macht zou kunnen veroveren dan in de kapitalistische ontwikkelde landen. Het overwinnende proletariaat zou, zo stelde hij, niet stoppen bij het programma van de burgerlijke democratie. De poging om het agrarische probleem op te lossen zou leiden tot een botsing met zowel de kapitalisten als de grootgrondbezitters, wat tot het programma van het socialisme zou leiden. Net zo duidelijk als ieder ander, begreep Trotski de noodzaak van onmiddellijke en praktische binnenlandse maatregelen om de enig bestaande dictatuur te versterken. Zijn Een Nieuwe Koers tijdens de economische Sovjet crisis in 1923, was een krachtig betoog ten gunste van meer economische planning op basis van de grootst mogelijke arbeidersdemocratie. Maar Trotski realiseerde zich evenals Lenin dat uiteindelijk de overwinning van het socialisme in de Sovjetunie alleen verzekerd kon worden door de Europese revolutie. De productiekrachten waren over de nationale grenzen heen gegroeid. Ongeacht hoe groot de economische successen van de geïsoleerde arbeidersstaat ook zouden zijn, het programma van “socialisme in een land” was een kleinburgerlijk waanbeeld. Revolutionaire tegenslagen in het buitenland zouden uiteindelijk nadelig uitpakken door een steeds sterkere kapitalistische omsingeling van de Sovjetunie. De Bolsjewistische oude garde kon ook niet uitgesloten blijven van de druk op lange termijn van tegenovergestelde sociale krachten, net zomin als vorige revolutionaire leidingen die waren gedegenereerd. De redding van de revolutie vereiste de uitbreiding over haar grenzen.

Praktisch betekende dit de noodzaak om communistische partijen te ontwikkelen, gebaseerd op de werkende massa’s en sterk genoeg om gebruik te maken van welke revolutionaire crisis dan ook om de politieke macht over te kunnen nemen. De reden dat de naoorlogse revolutionaire golf de burgerlijke staten niet had overspoeld, lag in de afwezigheid van communistische partijen die de leiding van de arbeidersbeweging konden over winnen uit de greep van de conservatieve sociaal-democratie. Hoe weinig Trotski’s nadruk op de rol van de leiding te maken heeft met het samenzweringsbeleid van het Blanquisme blijkt wel uit de resolute stellingname die hij samen met Lenin nam, om de voorstanders voor “de snelle staatsgreep’, de Putchsisten, op het Derde Congres te verslaan. In 1921 namen de leiders van de Duitse Communistische Partij het initiatief tot een gewapende opstand, gebaseerd op hun ‘theorie van de aanval’, op een moment dat het de partij ontbrak aan een massale aanhang en het revolutionaire getij afnam. Om de partij in een positie te brengen dat ze de macht kan veroveren, drong Trotski er op aan een massale aanhang op te bouwen door een realistische benadering van de dagelijkse strijd en door de politiek van het eenheidsfront. Maar in 1923 lag het probleem geheel anders. Wat nu gebeurde, was dat ondanks de kapitalistische desintegratie en een revolutionaire situatie, de communistische massapartij toch verlamd bleek te zijn. Hoe dichter bij de situatie van een revolutionaire crisis, des te duidelijker werd de crisis in de algemene leiding. Een rechtervleugel zou haar besluiteloosheid rationaliseren en uiteindelijk terechtkomen bij een verklaring dat er geen revolutionaire situatie op dat moment was. Ze zou benadrukken dat ‘de tijd aan onze kant stond’, de situatie steeds slechter zou worden en de kansen op de uiteindelijke overwinning steeds groter zouden worden.

Het had de taak van het Vijfde Congres moeten zijn om licht te werpen op dit aspect van revolutionaire crisis. Maar helaas voor de toekomst van de Komintern, was het karakter van de Russische leiding dusdanig, dat ze enorme twijfel zaaide over of ze wel in staat en bij machte was om over de Duitsers te oordelen. Het tijdperk van het imperialisme verlangt minimaal twee onmisbare kwalificaties voor een marxistische leiding; het belang van een proletarische revolutie te begrijpen en het cruciale moment in te kunnen schatten in een revolutionaire crisis om een ommezwaai te maken van agitatie naar opstand. Echter, totdat Lenin in 1917 uit het buitenland terugkwam, had geen enkele lid van de Bolsjewistische oude garde een machtsovername of zelfs een socialistische revolutie voorzien. Hun rol was in feite nauwelijks te onderscheiden van die van de linkse sociaal-democraten. “Natuurlijk is er onder ons geen sprake van de kwestie van de ondergang van het kapitalisme, alleen van de ondergang van de autocratie en het feodalisme”, zo werd in de door Kamenev en Stalin geredigeerde Pravda in maart 1917 geschreven. Als Rusland haar democratische revolutie nog moest voltooien, dan moest het proletariaat zich loyaal beperken binnen de limiet van de slogan van de “oude Bolsjewieken” van de ‘democratische dictatuur’ in plaats van de proletarische dictatuur. De voorlopige regering moest voorwaardelijk gesteund worden in zoverre als ze annexaties afwees of vrede wist te bewerkstelligen. Alleen door de ijzeren wil van Lenin en zijn bijtende kritiek op de formule van de oude Bolsjewieken, wist de partij haar heroriëntatie te volbrengen. Door een volledige breuk met het burgerlijke regime te eisen, zette de April-stellingen de massa’s op de weg naar opstand en Sovjetmacht.

Was de ideologische herbewapening van de partij in 1917 een groots resultaat van Lenin, haar ontwapening vanaf 1924 kan grotendeels op het conto van Stalin worden geschreven. Toen hij de Lessen van Oktober schreef kon Trotski nooit helemaal hebben voorzien dat Stalin de spil van de bureaucratie zou worden, hoewel het Testament van Lenin hierover al een duidelijke waarschuwing bevatte. Zeker had hij nooit kunnen vermoeden dat de geringste kritiek op Stalin in de loop der tijd strenger gestraft zou worden dan majesteitschennis onder de Tsaar. Of dat er een dag zou komen waarbij zowel Kamenev en Zinoviev, respectievelijk voorzitters van de Sovjet van Moskou en Leningrad, zouden sneuvelen door Stalins vuurpeloton. Pas in 1935 drong het tot Trotski door dat de Thermidor het Sovjetregime al tien jaar eerder had overgenomen. De toenemende loondifferentiatie, met rangen en privileges, was bedoeld om een nieuwe aristocratie te scheppen, nationalistisch in haar kijk op zaken en onverenigbaar met de Sovjetdemocratie. Niet alleen moest de Linkse Oppositie, de uitdrukking van de socialistische verlangens van de ongeprivilegieerde arbeidersklasse, verpletterd worden, maar ook de internationalistische (Leningradse) vleugel van de oude garde diende te worden verwijderd. De autoriteit van achtereenvolgens het Politburo, het Centraal Comité en het Partijcongres werd opgeslokt door de almachtige Secretaris-Generaal.

De voornaamste bron van deze reactie lag in de talloze nederlagen van het wereldproletariaat; desalniettemin was het de Stalinistische Komintern die het meeste bijdroeg aan deze nederlagen. Ondanks heftige periodes van ultra linksheid, wordt Stalins algemene lijn het beste geïllustreerd door zijn opportunistische houding ten aanzien van de Duitse gebeurtenissen in 1923. Zeer karakteristiek was dat Stalin, terwijl ook hij meedeed aan het beschuldigen van Brandler en Thalheimer, achter de schermen een nagenoeg identieke politiek aanhing. In een brief aan Zinoviev en Boecharin, die eerstgenoemde in 1927 publiek maakte, schreef Stalin: ‘als vandaag in Duitsland de macht als het ware valt en de communisten haar weten te grijpen, gaan ze een zware nederlaag tegemoet. Dat is in het ‘beste’ geval. En in het slechtste geval worden ze versplinterd en enorm teruggeworpen. De hele kwestie is niet dat Brandler de massa’s wil scholen, maar dat de burgerij samen met de rechtse sociaal-democraten zeker de lessen –de demonstratie- om zal vormen tot een algeheel gevecht (op dit moment liggen alle kansen aan hun kant) en ze zal vernietigen. Natuurlijk liggen de fascisten niet te slapen, maar het is in ons belang dat zij het eerste aanvallen; dan zal de hele arbeidersklasse zich achter de communisten scharen (Duitsland is Bulgarije niet). Trouwens, volgens alle informatie die we hebben, zijn de fascisten zwak in Duitsland. Naar mijn mening moeten de Duitsers afgeremd, en niet aangespoord worden’.

Deze directe antithese van de Lessen van Oktober, deze door en door opportunistische verklaring van Stalin zit op bijna alle punten fout. In het licht der gebeurtenissen is de conclusie dat ‘Duitsland Bulgarije niet is’ zelfs grotesk. De fascisten moeten eerst aanvallen omdat dan de arbeiders zich achter de communisten zullen scharen, maar de fascisten zijn zwak, dus… moeten de Duitsers afgeremd worden. Of het nu in Duitsland, Frankrijk of nu in Spanje is, in ieder revolutionaire situatie sinds 1923 is de strategische wijsheid van het stalinisme die van het afremmen van de massa’s geweest. De argumentatie lijkt veel op diegene die door sommige “oude Bolsjewieken” werd gebruikt tegen de opstand van 1917. Maar niet alleen dat. In de strijd tegen de permanente revolutie, greep de bureaucratie zelfs terug naar de ideologisch al verjaarde formule van het Bolsjewisme van 1905, van de ‘democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren’. En ze kan ook ontdekt worden, in een of andere vorm, als de theorie achter het ‘blok van de vier klassen’ in de Chinese Revolutie van 1925-27, de Arbeiders,- en Boerenpartijen voor de Oriënt en het huidige Volksfront.

De stalinistische poging om een coalitie van arbeiders en boeren op te zetten, niet om het socialisme te realiseren, maar meer om de autocratie en het feodalisme omver te werpen heeft catastrofaal uitgewerkt. Zoals in de Chinese Revolutie moest de Komintern, tot behoud van haar coalitie met de Kwomingtang, de boerenopstanden en arbeidersstakingen afremmen. De anti-trotskistische ‘theoretici’ kunnen of willen het simpele feit maar niet begrijpen dat het oude staatsapparaat kapot werd geslagen en de agrarische revolutie werd opgeslokt, niet door het Kerenski, maar door het proletarische regime. De formule van de ‘democratische dictatuur’ wordt opgelegd aan het koloniale oosten, zogenaamd om de overblijfselen van het feodalisme te vernietigen. Voor het kapitalistische westen, waar het stalinisme nu gericht is op het redden van de “overblijfselen van burgerlijke democratie’, heeft ze als wondermiddel het Volksfront verzonnen. Als er een land ter wereld was waar steun voor het Volksfront gerechtigd zou kunnen zijn, dan was het in het voornamelijk agrarische Rusland, die nog niet door de fase van de democratische revolutie was gegaan. In feite bestond daar een versie van het Volksfront – de coalitie van de Kadetten (liberalen), Sociaalrevolutionairen en Mensjewieken, aan wie Stalin en Kamenev ‘voorwaardelijke’ steun verleenden. Maar Lenin’s strategie was juist geheel gericht tegen deze alliantie met de liberale burgerij en gericht op de omverwerping van dit Volksfront. Het leninisme heeft nooit tijdelijke overeenkomsten en compromissen voor een praktisch doel verward met de uitermate andere kwestie van gezamenlijk beleid en programma. De onafhankelijke rol van het proletariaat en haar hegemonie in de klassenstrijd waren voor hem vanzelfsprekend. Ook was er in Lenins marxisme geen plaats voor een overgangsregime tussen de dictatuur van de burgerij en die van het proletariaat. Volgens hem was de staatsmacht het centrale item in iedere revolutie. Een ‘gecombineerde’ staatsvorm, de Sovjets die de arbeiders vertegenwoordigde en de Constituerende Vergadering voor de burgerlijke macht, waren voor Lenin eenvoudigweg een afwijking van het marxisme en het socialisme.

Net als eerst in het Chinese “Blok van de Vier Klassen” wordt het Volksfront verdedigd met als argument dat het een alliantie vertegenwoordigt tussen het proletariaat en de middenklassen of de boeren. Maar het Volksfront wordt in feite alleen maar getolereerd door de burgerij omdat het proletariaat hiermee met de status quo van de kapitalistische democratie wordt verbonden. Het Volksfront staat voor burgerlijk wet en recht; ze zet de politie in tegen boeren die zich het land toe-eigenen of arbeiders die fabrieken bezetten; ze stemt voor de militaire begroting. De alliantie met de middenklassen worden niet gevormd door de vertegenwoordigers van de kleinburgerlijke partijen die afhankelijk zijn van het financiekapitaal, de Azana’s, de Daladiers en de Herriots. Onder de zware slagen van kapitalistische crisis maakt het voormalige vertrouwen in reformisme in de middenklassen plaats voor verregaande en radicale oplossingen. Als het proletariaat naar voren komt met een revolutionair programma en haar leidinggevende capaciteiten presenteert, wint ze de steun van de middenklassen. Als het proletariaat faalt, wint de demagogie van het fascisme. De strijd tegen het fascisme is niet te winnen door het corrupte en failliete regime van de burgerlijke democratie te redden. De toetssteen van de hedendaagse revolutionaire strategie is Spanje. Hier is een land dat grote overeenkomsten heeft met de toenmalige condities van de Russische Revolutie –een laat ontwikkelde burgerij, met huid en haar verbonden aan de feodale uitbuiting van het platteland, een onderdrukte boerenbevolking die te verdeeld is om de nationale leiding op zich te nemen en een actief proletariaat met onmetelijke moed en opofferingsgezindheid. Noch de Azanas, noch de bedrijfsverenigingen hebben ook maar de minste blijk van gegeven dat ze de democratische taken van de revolutie beter kunnen oplossen dan indertijd Kerenski. Maar de stalinistische bureaucratie heeft bevolen dat het een kwestie is van Democratie Tegen Fascisme en bij woord en daad doen La Pasionarias en anderen er alles aan om de proletarische revolutie te smoren.

Sommigen zullen misschien denken dat de hamvraag achter de Lessen van Oktober erg belangrijk voor Europa is, maar wat ver af staat van de problemen van de Amerikaanse arbeider. Men kan geen grotere fout maken. De belangrijkste veranderingen in de sociale structuur van de Verenigde Staten hebben al plaatsgevonden. De crisis in de dertiger jaren bracht het Amerikaanse kapitalisme aan de rand van de afgrond. De moraal van de heersende klasse was zwaar aangetast. Het resultaat in de vorm van de New Deal, in plaats van socialistische reconstructie, was vooral het gevolg van het ontbreken van een partij van het proletariaat op het politieke toneel, krachtig genoeg geworteld in de massa’s om de revolutionaire leiding op zich te nemen. Gezien de fundamentele beperkingen van de New Deal is het ontstaan van een nieuwe crisis onvermijdelijk. Als de socialistische voorhoede van de Amerikaanse arbeidersklasse dit niet onderkent en navenante maatregelen treft, zal de geschiedenis haar niet beter behandelen dan het Duitse of Oostenrijkse proletariaat. Ons tijdperk is er een van geconcentreerde klassenstrijd; land op land wordt in de maalstroom van sociale onrust getrokken. De Duitse revolutie van 1918 is gevolgd door de Hongaarse van 1919. De Italiaanse arbeiders bezetten hun fabrieken in 1920. Er is de Duitse crisis in 1923 en de Britse algemene staking in 1926. Wenen laait op in 1927. De Chinese revolutie in de periode ’25-’27. De Duitse catastrofe in 1933; de Oostenrijke barricades; de Franse algemene staking in 1934 en de bedrijfsbezettingen. De burgeroorlog neemt Spanje in haar greep. Morgen kan het de Verenigde Staten zijn. Om een nederlaag te voorkomen, moet het proletariaat zich voorbereiden. Voor Fabians en zogenaamde linkse politici, die het socialisme zien als een wisselend gevecht voor 51% van de stemmen, is dit onbegrijpelijk –maar het gevecht om de macht is heel wat anders dan het steunen van een nieuwe wet. De straf voor politieke laksheid is in onze dagen snel en heftig. Het is niet noodzakelijk om te geloven dat de Bolsjewistische organisatie altijd als een goedlopend uurwerk draaide en een perfecte belichaming is van alle 50 paragrafen over partijopbouw van de Komintern. Maar het belichaamde wel ervaring, initiatief en opofferingsgezindheid. Het was de druk van de georganiseerde arbeiders-bolsjewieken, die Lenins overwinning in het Centraal Comité mogelijk maakte. Dat is de onontkoombare conclusie. Zonder een revolutionaire partij, getraind in het marxisme, blijven de spontane massabewegingen blind.

Het thema van de macht wordt recentelijk behandeld door schrijvers uit de school van Mr. John Strachey. Maar hun benadering staat in schril contrast tot de Lessen van Oktober. Trotski gelooft dat het proletariaat moet leren op te passen, niet alleen voor het sociaal-democratische reformisme, maar ook voor de desastreuze politiek van de stalinistische Komintern. In zijn De komende strijd om de Macht, geeft de heer Strachey de Sociaal-democratie vernietigende kritiek, maar zeer tactvol slaagt hij er op wonderbaarlijke wijze in een hoofdstuk over de “Aard van het Communisme” te schrijven, zonder ook maar een serieuze verwijzing naar de werkelijke resultaten van de Komintern. Hierin is hij niet anders dan die andere expert op het gebied van macht, de heer Palme Dutt, die maandelijks de misdaden van de Labour Party en de Tweede Internationale van de daken schreeuwt, bij zijn lezers zo de indruk achterlatend dat alleen de Communistische Partij eeuwig subliem, oprecht en mooi is. Trotski verwerpt deze politieke smerigheden als uiterst slechte dienst aan de revolutionaire zaak. Om die reden is hij vandaag de dag weer in de minderheid en, terwijl deze woorden worden geschreven, gedwongen asiel in Mexico te zoeken. Er zijn er die vinden dat omdat Stalin de macht heeft om te vervolgen, Trotski er dus wel naast zal hebben gezeten. Tot diegenen heeft Lenin ooit gezegd: “Wij zijn geen charlatans… We moeten onszelf verlaten op het bewustzijn van de massa’s. Zelfs als het noodzakelijk is om in een minderheid te blijven, dan is dat maar zo. We moeten niet bang zijn om in een minderheid te zijn. We zullen ons werk van kritiek doorzetten om zo de massa’s te kunnen bevrijden van bedrog. Onze richting zal de juiste blijken te zijn. Alle onderdrukten zullen tot ons komen, ze hebben geen andere uitweg…”.

Delen: Printen: